Vr. en Antw., Kamer, 1995-1996, nr. 31, blz. 3860-3861
BTW-Revue nr. 122, blz. 545
Maatstaf van heffing - Subsidies die rechtstreeks met de prijs verband houden - Werkingstoelagen.
ANTWOORD
Overeenkomstig artikel 26 van het BTW-wetboek wordt voor de leveringen van goederen en de diensten de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.
Deze bepaling is de omzetting van artikel 11, A, 1, a, van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977.
De subsidie kan worden omschreven als een door de Staat of door een rechtstreeks of onrechtstreeks door de Staat gesteunde openbare of private rechtspersoon verleende geldelijke hulp aan een fysieke persoon of een rechtspersoon, onder het beding dat de aanwending van de ontvangen gelden moeten worden verantwoord en dat een toezicht op het gebruik ervan moet uitgeoefend kunnen worden. De subsidie is dus een door de Staat of door een door de Staat gesteunde rechtspersoon verleende geldelijke tussenkomst aan een persoon, voor het financieren van werkzaamheden waarvan geoordeeld wordt dat ze nuttig zijn voor het algemeen welzijn.
Opdat de "subsidie" tot de maatstaf van heffing zou behoren, is het ook vereist dat ze "rechtstreeks verband houdt met de prijs".
Aan die voorwaarde wordt voldaan en de toegekende subsidie moet derhalve in de maatstaf van heffing van de BTW worden begrepen wanneer die subsidie aan de drie volgende vereisten voldoet:
•de subsidie moet betaald worden aan de producent, aan de leverancier of aan de dienstverrichter;
•de subsidie moet worden betaald door een derde;
•de subsidie moet een tegenprestatie of een element van de tegenprestatie van de levering of de dienst vormen; dit is onder meer het geval wanneer de subsidie wordt verleend aan ondernemingen waarvan de van hun produkten bekomen verkoopprijs, om sociale of economische redenen, beneden de rentabiliteitsdrempel ligt, of wanneer de subsidie aan de leverancier of dienstverrichter wordt verleend als directe compensatie van een aan laatstgenoemden opgelegde verkoopprijs.
In dergelijk geval wordt de subsidie in principe berekend in functie van de prijs van de goederen of diensten die door de belastingplichtige worden geleverd en van het belang van de door hem verrichte handelingen, waarbij het totaal toegekende bedrag derhalve varieert volgens het zakencijfer.
De grondgedachte van het begrip subsidie die rechtstreeks verband houdt met de prijs is dat deze uiteindelijk ten goede komt van de klanten van de belastingplichtige en dat zij derhalve een element vormt van de prijs die als zodanig, en alhoewel betaald door een derde, in casu de subsidiërende overheid, aan de belasting is onderworpen.
Wat de andere subsidies betreft die overigens in de praktijk het meest voorkomen, deze behoren daarentegen niet tot de maatstaf van heffing omdat ze geen rechtstreeks verband houden met de prijs, ofschoon ze een weerslag kunnen hebben op de uiteindelijke kostprijs van een produkt of een dienst.
Dit is voornamelijk het geval ten aanzien van de werkingstoelagen ter dekking van een gedeelte van de exploitatiekosten van de belastingplichtige, zoals investeringstoelagen en -bijdragen in de algemene onkosten of lopende uitgaven (personeelskosten, ...). Ze kunnen niet afzonderlijk worden aangemerkt als de prijs van een handeling en komen dus slechts onrechtstreeks de verbruiker ten goede.
Rekening houdend met hetgeen voorafgaat kan men besluiten dat het opnemen van de subsidies in de maatstaf van heffing van de BTW eerder de uitzondering dan wel de regel is. Overigens kunnen subsidies onder bepaalde omstandigheden een invloed hebben op uitoefening van het recht op aftrek in hoofde van de belastingplichtige die ze ontvangt.