Vr. en Antw., Senaat, 2006-2007, nr. 3-90, blz. 10460-10461
Toepassing van het attractiebeginsel
VRAAG
Klopt het dat wanneer een dienst zoals bedoeld in artikel 21, § 3, 7º, van het BTW-Wetboek vanuit het buitenland wordt verstrekt aan een belastingplichtige die in België is gevestigd, de BTW krachtens artikel 51, § 2, van het BTW-Wetboek in België is verschuldigd door de hoofdinrichting of de vaste inrichting (die in beide gevallen eenzelfde juridische entiteit vormen) van die buitenlandse leverancier ? Beschikt u over gegevens waaruit zou blijken dat deze bepaling ook in Frankrijk of in Groot-Brittannië wordt toegepast ?
Klopt het ook dat volgens artikel 21, § 3, 7º, van het BTW-Wetboek, de BTW op diensten bestemd voor twee vaste inrichtingen van eenzelfde juridische entiteit die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, verschuldigd is door elk van die inrichtingen, voor het deel dat haar toekomt, ook indien die diensten gefactureerd worden aan de hoofdinrichting ?
ANTWOORD
(vice-eersteminister en minister van Financiën)
Vooreerst wens ik het geachte lid eraan te herinneren dat krachtens artikel 51, § 2, 1°, a), van het BTW-Wetboek, de belasting verschuldigd is door de ontvanger van de dienst wanneer de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is en de plaats van de dienst overeenkomstig artikel 21, § 3, 7°, van het Wetboek geacht wordt zich in België te bevinden.
Deze beschikking is de correcte omzetting van artikel 21, § 1, b), van de zesde richtlijn naar Belgisch recht in die zin dat het Belgisch recht, zoals de communautaire wetgeving, de verlegging van heffing volledig uitsluit in de veronderstelling dat de buitenlandse dienstverrichter in hetzelfde land als de ontvanger over een vaste inrichting beschikt.
De oude versie van artikel 51, § 2, 1°, a), van het BTW-Wetboek stipuleerde dat de belasting verschuldigd was door de ontvanger van de dienst wanneer de dienstverrichter een buiten België gevestigde belastingplichtige was en de plaats van de dienst overeenkomstig artikel 21, § 3, 7°, van het Wetboek geacht werd zich in België te bevinden.
Dit subtiel terminologisch onderscheid heeft op het vlak van regels inzake opeisbaarheid van de belasting bepaalde gevolgen met zich meegebracht.
In de veronderstelling dat een buiten België gevestigde belastingplichtige een dienstprestatie van intellectuele aard verricht ten voordele van een in België gevestigde belastingplichtige, dan vindt deze dienst aldus krachtens artikel 21, § 3, 7°, van het Wetboek plaats in België en wordt bijgevolg belast met Belgische BTW.
Wat de verschuldigdheid van de belasting betreft, is de oplossing verschillend al naargelang de buitenlandse belastingplichtige al dan niet beschikt over een vaste inrichting in België. Is dit niet het geval dan zal de BTW overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, a), van het BTW-Wetboek verschuldigd zijn door de ontvanger, in tegenovergesteld geval, zal de belasting overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek verschuldigd zijn door de vaste inrichting in België van deze belastingplichtige, en dit ongeacht of zij bij deze handeling tussenkomt of niet.
Volgens de interpretatie van de oude versie van artikel 51, § 2, 1°, a), van het BTW-Wetboek, was de belasting, in dergelijke veronderstelling, niet verschuldigd door de vaste inrichting in België van de buitenlandse dienstverrichter tenzij zij bij deze handeling zou tussengekomen zijn.
Volgens de informatie waarover wij beschikken blijkt dat, zowel de Franse als de Britse reglementering een verlegging van de verschuldigdheid van de belasting voorzien in hoofde van de inlandse ontvanger van de dienst wanneer, in de veronderstelling beoogd door het geachte Lid, de in het land belastbare handelingen worden verricht door een buiten het grondgebied gevestigde dienstverrichter. Deze reglementering stemt bijgevolg overeen met de oude versie van artikel 51, § 2, 1°, a), van het Belgische BTW-Wetboek.
Wat betreft de tweede vraag die wordt gesteld moet rekening worden gehouden met wat volgt.
Wanneer de plaats van een dienst moet worden bepaald in functie van artikel 21, § 3, 7°, van het BTW-Wetboek en die dienst wordt verricht voor een onderneming die beschikt over verschillende vaste inrichtingen, dan wordt zij geacht plaats te vinden daar waar de vaste inrichting, waarvoor de dienst wordt verricht, is gelegen en is het aan deze inrichting dat de voor voormelde dienst betreffende factuur moet worden uitgereikt.
In het beoogde geval, leidt dit in principe tot een dubbele facturatie.
Het is immers bij middel van de factuur, die toelaat voor de aldus verstrekte diensten het verschuldigde BTW-bedrag vast te stellen, dat de vaste inrichting deze belasting aan de Schatkist kan voldoen door ze op te nemen in haar periodieke BTW-aangifte en dat zij, in voorkomend geval, in dezelfde aangifte de aftrek kan uitoefenen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.