---
title: "Parlementaire vraag 3-6216 · Elektronische facturatie vanuit het buitenland. Vermeldingen op de factuur"
description: "Elektronische facturatie vanuit het buitenland. Vermeldingen op de factuur. Parlementaire vraag nr. 3-6216 van 3 november 2006 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/3-6216-elektronische-facturatie-vanuit-buitenland-vermeldingen-44ae"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/3-6216-facturation-electronique-depuis-etranger-mentions-dec2"
---

# Elektronische facturatie vanuit het buitenland. Vermeldingen op de factuur

**Nummer**

3-6216

**Datum**

3 november 2006

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

15 paragrafen

**Vr. en Antw., Senaat, 2006-2007, nr. 3-81, blz. 8829-8830**

*Elektronische facturatie vanuit het buitenland - Vermeldingen op de factuur*

## **VRAAG**

In uw antwoord op mijn schriftelijke vraag 2-834 ( *Vragen en Antwoorden* nr. 2-35, blz. 1710) stelde u dat wanneer een in het buitenland gevestigde leverancier diensten verricht voor klanten die in België zijn gevestigd en waarop zij de BTW moeten voldoen, die in België gevestigde klanten de belasting, geheven op een dienst waarop zij bij toepassing van [artikel 51, § 2, 1°, a), van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) de belasting verschuldigd zijn, niet kunnen aftrekken indien de dienstverlener hen geen factuur of gelijkgesteld document heeft uitgereikt, zelfs indien de belastingplichtige ontvanger van de dienst het document bedoeld in [artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art9) heeft opgemaakt. Blijft dit antwoord nog steeds gelden na 1 januari 2004?

## **ANTWOORD**

(vice-eersteminister en minister van Financiën)

Ik heb de eer het geachte lid het volgende mede te delen.

Vooreerst wens ik eraan te herinneren dat de beginselen uiteengezet in het antwoord dat werd verstrekt op de parlementaire vraag waarnaar het geachte lid verwijst (schriftelijke vraag nr. 2-834 van 12 oktober 2000, *Vragen en Antwoorden* nr. 2-35, blz. 1710-1712) toentertijd volkomen geldig waren en dus de van kracht zijnde reglementering weerspiegelden.

Krachtens deze beginselen, en overeenkomstig artikel 3, § 3, 1e lid, van het koninklijk besluit nr. 3, moet een belastingplichtige, die bij toepassing van [artikel 51, § 2, 1°, a), van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) gehouden is de belasting opeisbaar op de aan hem geleverde dienst zelf te voldoen, in het bezit zijn van een factuur die door de dienstverrichter werd uitgereikt en de verschuldigde belasting op deze dienstverrichting voldaan hebben op de wijze voorzien door deze bepaling, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen. Deze factuur moet de vermeldingen bevatten voorzien in [artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Evenwel moet voortaan rekening worden gehouden met de recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (zaak C-90702, *Finanzamt Gummersbach tegen Gerhard Bockemühl* van 1 april 2004, *Jurisprudentie 2004*, blz. I-03303).

In deze zaak herinnert het Hof vooreerst aan het basisbeginsel inzake aftrek, krachtens hetwelk een belastingplichtige het recht op aftrek beoogd in [artikel 17, paragraaf 2, a), van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) kan inroepen, zelfs wanneer hij in de hoedanigheid van bestemmeling van goederen of diensten schuldenaar is van de BTW-. Immers, het Hof herinnert eraan dat het recht op aftrek, voorzien in [artikel 17 van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17), integraal deel uitmaakt van het BTW-mechanisme en niet onmogelijk mag worden gemaakt.

Het Hof herinnert er eveneens aan dat krachtens [artikel 18, paragraaf 1, a), van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-18), de aftrek beoogd in [artikel 17, paragraaf 2, a)](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17), van voormelde richtlijn in principe door een belastingplichtige slechts kan worden ingeroepen in de mate waarin hij in het bezit is van een op conforme wijze opgestelde factuur.

Evenwel preciseert het Hof dat, voor de handelingen van verlegging van heffing, wanneer overeenkomstig de regelgeving de verwerver van de goederen of de ontvanger van de diensten de schuldenaar van de belasting is, waardoor de fiscale administratie over de noodzakelijke gegevens beschikt om de belastingplichtige als ontvanger van de betrokken dienst aan te duiden als schuldenaar van de BTW-, zij, wat betreft het recht van de genoemde belastingplichtige om deze BTW af te trekken geen bijkomende voorwaarden kan opleggen die de uitoefening van dit recht onmogelijk maken.

Bijgevolg aanvaardt de administratie voortaan dat de belastingplichtige, verwerver van goederen of ontvanger van diensten, die bij gebrek aan het verkrijgen van een factuur van zijn medecontractant, gehouden is het stuk beoogd in [artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art9), op te stellen, het recht heeft de aftrek van de BTW die hij aan de Schatkist heeft voldaan terug te vorderen in de mate van en ten bedrage van de toegestane aftrek.

Niettemin, behoudt de administratie zich het recht voor om, in het kader van verificaties, de correcte toepassing van de procedure van verlegging van heffing en dus de inzake aftrek van kracht zijnde regels, te onderzoeken. In deze zienswijze heeft de administratie het recht om het bestaan en de aard van de beoogde handeling evenals het bedrag van de maatstaf van heffing van deze handeling te verifiëren en dit aan de hand van alle onderzoeksmogelijkheden waarover zij krachtens het BTW-Wetboek beschikt.

Anderzijds, wanneer de contracterende partijen, bij middel van een voorafgaandelijk akkoord, overeenkomstig [artikel 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art6) van voormeld koninklijk besluit nr. 1, geopteerd hebben voor de procedure van *self-billing*, moet het stuk beoogd door [artikel 9, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art9), van dit koninklijk besluit in geen enkele veronderstelling door de verwerver of de ontvanger worden opgesteld in de mate dat laatstgenoemde gehouden is een afrekening aan zijn medecontractant uit te reiken, dewelke gelijkgesteld wordt met een factuur opgesteld, overeenkomstig [artikel 53 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), ten laatste de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting opeisbaar is geworden.

## Aangehaalde teksten

7

[KB nr. 1 art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 3 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 17](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) 3 voorkomens

[WBTW art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[KB nr. 1 art. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 1 voorkomen

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 18](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-18) 1 voorkomen
