Vr. en Antw., Senaat, 2004-2005, nr. 3-44, blz. 3535-3537
Bedrijfsvoertuigen - Verhuur- of leasingmaatschappijen - Anomalieën
VRAAG
Leasingmaatschappijen kopen voertuigen aan en verhuren of leasen ze aan privé- of aan openbare bedrijven.
De verhuur- of leasingcontracten omvatten over het algemeen bijkomende diensten (onderhoud, herstellingen, ...) die onderworpen zijn aan de BTW.
Eerste anomalie : de verzekeringsmaatschappijen zijn vrijgesteld van BTW, maar moeten wel een taks betalen (26,75 à 27,1 %).
De meeste leasingmaatschappijen verzekeren zelf de eigen schade (brand, diefstal, ongeval, glasbreuk, ...) aan voertuigen die ze verhuren of in leasing geven.
Die maatschappijen hebben niet het statuut van verzekeringsmaatschappij. Daardoor kunnen ze ontsnappen aan de fiscale en administratieve verplichtingen van de verzekeringssector, maar ze bieden wel een verzekering aan voor de schade aan hun wagenpark en rekenen voor die « dienst » een maandelijks bedrag aan waarop BTW is verschuldigd. Voor de klanten bedraagt de BTW-aftrek doorgaans 50 %.
De fiscale behandeling van deze verzekeringen verschilt dus van die van de klassieke verzekeringspremies (een taks van 26,75 % op de klassieke premies tegen 21 % BTW waarvan de helft en vaak meer aftrekbaar is).
Tweede anomalie : veel grote klanten aanvaarden de verzekering die de verhuur- of leasingmaatschappijen aanbieden niet en staan zelf in voor de kosten van de schade die ze aanrichten aan voertuigen die ze huren.
In werkelijkheid staan niet de klanten, maar wel de verhuurders in voor het beheer van de ongevallen.
Sommige verhuurders gebruiken een fiscale truc om de herstellingen door te factureren aan hun klanten zonder dat de klant daarop BTW betaalt.
Als tussenpersonen laten de verhuurders een factuur met BTW opmaken voor de schade, met 100 % BTW-aftrek via hun maandelijkse of driemaandelijkse BTW-aangifte.
Logischerwijze zouden ze die herstellingen moeten doorfactureren aan hun klanten, vermeerderd met de BTW (met gedeeltelijke BTW-aftrek door de klant, afhankelijk van het stelsel waaraan die is onderworpen). In werkelijkheid factureren de verhuurders de herstellingen aan hun klanten door onder een andere benaming, zoals « vergoeding voor aangerichte schade », waardevermindering of een gelijkaardige term.
Vergoedingen voor geleden schade zijn niet onderworpen aan de BTW, want in principe is er geen sprake van enige prestatie of toegevoegde waarde; dat is bijvoorbeeld het geval bij de facturatie van een total loss wagen.
Uiteraard kan alleen de eigenaar van het goed (wat het geval is van de verhuur- en de leasingmaatschappijen) doorfactureren onder de benaming « vergoeding ».
Er wordt dus geen enkele BTW betaald op prestaties (herstellingen) die nochtans vallen onder de definitie van de belastbare basis (toegevoegde waarde).
Ook de concurrentie wordt volledig vervalst, want beheersmaatschappijen die geen eigenaar zijn, kunnen niet doorfactureren zonder BTW.
Die praktijk wordt door sommige maatschappijen als commercieel argument gebruikt.
In België zouden er zowat 500 000 bedrijfsvoertuigen zijn, waarvan er ongeveer 200 000 worden gehuurd (een aandeel dat voortdurend groeit). De jaarlijkse schade aan een verhuurd voertuig wordt geschat op 500 à 700 euro. Het potentiële verlies voor de staat beloopt dus :
200 000 × 600 × 10,5 % = ongeveer 10 500 000 euro per jaar.
Derde anomalie : een leasingmaatschappij verzekert of co-verzekert haar voertuigen bij een verzekeringsmaatschappij.
Ingeval van schade wordt de factuur voor de herstelling opgesteld op naam van de leasingmaatschappij. Die betaalt de BTW aan de hersteller, maar geniet 100% BTW-aftrek. Van de verzekeraar vordert ze enkel het bedrag van de herstelling zonder BTW.
Als het bedrijf dat wagens huurt die wagens ook zelf verzekert voor schade, dan liggen de herstellingskosten hoger, want zij omvatten dan ook het niet-aftrekbare gedeelte van de BTW.
Eén van de basisprincipes van de BTW is dat de eindgebruiker de last draagt. Voor de schade aan de wagens die een leasingbedrijf voor eigen rekening gebruikt, heeft het 50 % BTW-aftrek volgens van het algemeen stelsel van BTW-aftrek.
De gevolgen van deze constructie zijn :
- een fiscaal verlies voor de Staat;
- een fiscale discriminatie tussen twee manieren van verwerving : de aankoop wordt benadeeld ten opzichte van de huur of de leasing;
- een potentiële concurrentievervalsing, want :
•het beheer van de verzekering door een tussenpersoon die niet gebonden is aan de leasingmaatschappij wordt verhinderd; die maatschappij zal immers niet willen meewerken aan de volledige BTW-aftrekbaarheid;
•de vergoedingen die worden betaald door de verzekeraar zijn lager dan die aan de eigenaar-gebruiker.
Kan de geachte minister me zeggen of hij van plan is maatregelen te nemen om die anomalieën en die fiscale verliezen recht te trekken opdat :
- de BTW voor de verhuurders alleen aftrekbaar zou zijn voor zover de eindgebruiker hem werkelijk draagt;
- de verzekeringen door de leasingmaatschappijen dezelfde fiscale behandeling zouden krijgen als de verzekeringen die worden voorgesteld door klassieke verzekeringsmaatschappijen ?
ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Justitie)
De vraag van het geachte lid beoogt drie concrete situaties die volgens hem « anomalieën » vertonen op het vlak van BTW en die ik afzonderlijk zal onderzoeken.
1. Het geachte lid stelt de vraag of ingeval een leasingmaatschappij zelf de risico's draagt van de eventuele schade aan haar wagenpark en voor deze « dienst » een vast maandelijks bedrag in rekening brengt aan haar huurders, deze « dienst » geen wezenlijk bestanddeel is van een handeling van verzekering en niet zou moeten worden onderworpen aan de jaarlijkse taks op verzekeringscontracten.
Deze vraag werd gesteld aan mijn administratie, die ze zal voorleggen aan de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, die bevoegd is voor de kwalificatie van handelingen van verzekering.
Ik moet in dit opzicht onderstrepen dat het vaste bedrag dat door de leasingmaatschappij als verzekering aan de huurder wordt aangerekend, in de meeste gevallen enkel de doorrekening aan de huurder is van de kosten van het verzekeringscontract dat door de leasingmaatschappij werd gesloten met haar verzekeringsmaatschappij.
Hoe dan ook maakt het vaste maandelijks bedrag dat als verzekering aan de huurders in rekening wordt gebracht, waarbij de leasingmaatschappij zelf het risico met eigen middelen op zich neemt of dit risico laat verzekeren door zelf een contract te sluiten met een verzekeringsmaatschappij, overeenkomstig artikel 26 van het BTW-Wetboek integraal deel uit van de maatstaf van heffing inzake BTW van de dienst van verhuur of leasing.
2. In de tweede beoogde situatie, waarin de verhuurder de kosten die hij zelf heeft gedaan om het voertuig te laten herstellen, bij de huurder terugvordert, wordt dit bedrag inderdaad niet aangemerkt als de tegenprestatie van een in artikel 2 van het BTW-Wetboek bedoelde handeling, maar als een schadevergoeding die als zodanig buiten de werkingssfeer van de BTW valt, aangezien het gaat om een betaling door de huurder om de schade te herstellen die hij aan de verhuurder heeft veroorzaakt en waarvoor hij aansprakelijk is.
Hoewel de invoering van dergelijk systeem voornamelijk door louter fiscale overwegingen kan zijn ingegeven, kan mijn administratie er zich niet tegen verzetten in de mate waarin de betrokken partijen gebruik makend van de vrijheid van contracteren, zonder een wettelijke verplichting te schenden, handelingen stellen waarvan de werkelijkheid niet wordt betwist en waarvan zij alle gevolgen aanvaarden.
3. In de derde opgeworpen situatie vestigt het geachte lid er de aandacht op dat het bedrag van de herstellingen dat van de verzekeringsmaatschappijen wordt gevorderd hoger is indien het de huurder - en niet de verhuurder - is die verzekeringsnemer is en die de herstelling van het voertuig laat uitvoeren door zelf een contract te sluiten met de onderneming die met deze herstelling belast is.
Voor zover als nodig, vestig ik de aandacht van het geachte lid op het feit dat in deze veronderstelling hete bedrag van de door de huurder betaalde verzekeringspremies niet behoort tot de maatstaf van heffing inzake BTW van de dienst van verhuur van voertuigen. De huurder bespaart dus de BTW geheven van deze kosten van verzekering in geval de verhuurder de verzekeringsnemer zou zijn, en waarvan de aftrek in principe overeenkomstig artikel 45, § 2, van het Wetboek niet hoger is dan 50 % indien het gaat om een voertuig dat door deze bepaling wordt beoogd.
In ieder geval spelen de twee veronderstellingen die door het geachte lid worden vergeleken zich af in totaal verschillende juridische omstandigheden. Bijgevolg moeten ze niet op dezelfde wijze worden belast.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.