---
title: "Parlementaire vraag 3-1219 · Strijd tegen fiscale fraude. Btw-fraude. Systeem van verlegging van BTW-heffing"
description: "Strijd tegen fiscale fraude. Btw-fraude. Systeem van verlegging van BTW-heffing. Parlementaire vraag nr. 3-1219 van 13 juli 2006 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/3-1219-strijd-tegen-fiscale-fraude-btw-b854"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/3-1219-lutte-contre-fraude-fiscale-tva-1e73"
---

# Strijd tegen fiscale fraude. Btw-fraude. Systeem van verlegging van BTW-heffing

**Nummer**

3-1219

**Datum**

13 juli 2006

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

33 paragrafen

**Hand. , Senaat, 2005-2006, nr. 3-177, blz. 8-12**

*Strijd tegen fiscale fraude - Btw-fraude - Systeem van verlegging van BTW-heffing*

## **VRAAG**

De staatssecretaris verklaarde in maart 2006 dat de overheid in 2005 slechts 181 miljoen euro verlies leed door BTW-fraude. Hoewel dit cijfer hoger ligt dan het cijfer van 2004, toen het 159 miljoen euro bedroeg, toonde het volgens de staatssecretaris duidelijk aan dat de strijd tegen de fiscale fraude zijn vruchten afwerpt. In 2001 bedroeg het verlies van de Schatkist door BTW-carrousels immers nog 1,1 miljard euro. Uit cijfers van een Britse krant blijkt dat de Belgische staat niet 181 miljoen euro, maar wel 1,329 miljard euro misliep door BTW-fraude. In heel Europa zou het volgens diezelfde krant jaarlijks gaan om 50 miljard euro. EU-commissaris László Kovács gaf op 28 mei 2006 aan dat de BTW-fraude Europa 60 miljard euro per jaar kost. Deze fraude omvat 10% van alle transacties. Op 1 juni raakte bekend dat Groot-Brittannië, gezien de omvang van de fraude, van de Europese Commissie toestemming heeft gekregen om een 'reverse charge' of 'verlegging van BTW-heffing' in te voeren op fraudegevoelige artikelen zoals mobiele telefoons en computers. Deze maatregel houdt in dat de BTW slechts eenmaal wordt aangerekend op het einde van de waardeketen, dus bij de eindafnemer/consument. In het huidige BTW-stelsel wordt de BTW geïnd telkenmale de goederen worden verkocht. De BTW wordt telkenmale terugbetaald behalve wanneer het een eindverbruiker/consument betreft. Door de 'reverse charge' worden BTW-carrousels voor deze producten onmogelijk en bovendien is dit systeem efficiënt en eenvoudig.

In het eerste kwartaal van dit jaar steeg de BTW-carrouselfraude in Groot-Brittannië met 50% en de laatste 12 maanden steeg deze met 500%. Kan de staatssecretaris aangeven of deze stijging zich ook in België voordoet? Zo neen, kan hij de redenen hiervoor geven? Zo ja, kan hij dan zeggen welke bijkomende maatregelen hij heeft getroffen?

Hoe reageert hij op het cijfer van 1,3 miljard euro dat door *The Guardian* en door de Europese Commissie naar voren wordt geschoven?

Kan hij dat toelichten? Kan hij uitvoerig toelichten of hij voorstander is van de Britse maatregelen in de strijd tegen de BTW-fraude waarbij voor fraudegevoelige, specifieke productcategorieën een systeem van 'reverse charge' of 'verlegging van de BTW-heffing' wordt ingevoerd? Wat zijn de voordelen daarvan?

Is hij zinnens om aan de Europese Commissie de toelating te vragen om een systeem van verlegging van BTW-heffing door te voeren voor fraudegevoelige producten?

## **ANTWOORD**

(van de heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën)

De enorme stijging van de BTW-carrouselfraude die Groot-Brittannië op grond van de in *The Guardian* geciteerde cijfers zou ondervinden, blijkt niet uit de vaststellingen van onze Belgische gespecialiseerde diensten, met name de bijzondere belastinginspectie, de ondersteuningscel carrouselfraude en de ambtenaren gedetacheerd bij de CDGEFID. Daarmee wil ik de budgettaire impact van de BTW-carrousels niet minimaliseren, want in het eerste semester van 2006 werden vaststellingen inzake BTW-carrouselfraude gedaan ten bedrage van 135 miljoen euro. Dat de BTW-carrouselfraude in België zo geen exponentiële groei kent als in GrootBrittannië is te danken aan de coherente aanpak van deze problematiek onder deze en vorige legislatuur. Immers, nadat de noodzaak van een krachtdadige aanpak van de grote fiscale fraude aan de orde werd gesteld in het eindverslag van de Senaatscommissie belast met het onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in België van 8 december 1998, werd een hele batterij maatregelen genomen met het oog op de gerichte, multidisciplinaire aanpak van onder meer BTW-carrousels.

Wat de interdepartementale samenwerking betreft, omvat dit onder meer:

•de terbeschikkingstelling van fiscale ambtenaren bij de parketten en de CDGEFID;

•samenwerkingsakkoorden tussen de departementen van Financiën en Justitie en de federale politie in de strijd tegen de minerale oliefraude en in de strijd tegen de BTW-carrouselfraude;

•de onmiddellijke melding door de CFI aan de fiscale administratie van de overdracht aan het parket van een dossier inzake grote georganiseerde fraude, zoals de BTW-carrousels.

Er werden ook specifieke initiatieven gelanceerd binnen het departement van Financiën zoals:

•de creatie van een specifieke task force;

•het gebruik van de Petrisprocedure om nieuwe BTW-carrousels en andere vormen van fraude in de sector van de minerale oliën snel op te sporen en te stoppen;

•de verplichting om in risicosectoren een maandelijkse BTW-aangifte in te dienen;

•verscherpte controles bij het begin van de activiteit in bepaalde risicosectoren;

•multidisciplinaire controles.

Er wordt ook gebruik gemaakt van privaat-publieke samenwerking, bijvoorbeeld in het kader van het Europese project inzake de uitwisseling van accijnsinformatie. In samenspraak met de Belgische en Nederlandse beroepsfederaties verstrekken de belangrijkste operatoren meteen spontaan informatie.

Deze talrijke structurele manieren van fraudebestrijding zorgen er ieder jaar voor dat er steeds minder geld aan de Schatkist onttrokken wordt als gevolg van BTW-fraude, zowel in de sector van de minerale oliën als in andere fraudegevoelige sectoren.

In het kader van de laatste programmawet wordt dit arsenaal nog uitgebreid met bijkomende maatregelen, zoals de aansprakelijkheid van de bestuurders ten aanzien van BTW en bedrijfsvoorheffing. Met een nieuwe §4 in [artikel 51 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) wordt de hoofdelijke aansprakelijkheid ingevoerd van BTW-plichtigen die wisten, of hadden moeten weten, dat ze betrokken zijn bij BTW-carrouselfraude.

Wat de Britse maatregelen betreft, heeft Groot-Brittannië op 1 juni 2006 aan de Commissie gevraagd om op voorstel van de Commissie door de Raad te worden gemachtigd om van de zesde BTW-richtlijn afwijkende maatregelen in te voeren in de interne rechtsorde. De administratieve procedure die hiertoe moet leiden is nog maar pas opgestart. Rekening houdend met de fundamentele discussies die omtrent de toepassing van de 'verlegging van heffing' momenteel op communautair vlak worden gevoerd, is de machtigingsprocedure voor het Britse dossier dus nog verre van afgerond. Er is zelfs nog geen voorstel van de diensten van de Commissie.

Meer in het algemeen moet de Britse aanvraag worden geplaatst in het geheel van de intense besprekingen die sinds het Oostenrijkse voorzitterschap op communautair vlak werden aangevat inzake de toepassing van de verlegging van heffing als instrument in de strijd tegen de fiscale fraude.

Ingevolge een beslissing van de informele vergadering op hoog niveau inzake de belastingheffing en de strijd tegen de fraude in Wenen begin februari dit jaar, heeft de Commissie een technische werkgroep opgericht om met de geïnteresseerde lidstaten te onderzoeken of de verlegging van heffing een efficiënt werkinstrument kon zijn in de strijd tegen de fiscale fraude. Deze werkgroep, waaraan uiteindelijk alle lidstaten hebben deelgenomen, heeft vergaderd op 27 maart, 24 april en 17 mei van dit jaar. De conclusies van deze werkgroep werden door de Commissie mondeling toegelicht op de ECOFIN-Raad van 7 juni 2006 samen met de meer omvattende mededeling van de Commissie aan de Raad over de ontwikkeling van een strategie tot verbetering van de werking van het BTW-systeem in het kader van de interne markt. Deze mededeling verwijst naar de verlegging van heffing, maar tevens naar een aantal alternatieven die zouden kunnen worden gebruikt in het kader van de strijd tegen de BTW-fraude. Zoals ook aangegeven in de mededeling van de Commissie, concludeert de werkgroep ad hoc dat de basisvoorwaarde voor elke fundamentele aanpassing van het BTW-systeem met het oog op de strijd tegen de fiscale fraude, moet sporen met de volgende parameters: de bestaande fraudemogelijkheden aanzienlijk verminderen en tegelijkertijd nieuwe belangrijke frauderisico's uitsluiten, geen disproportionele administratieve lasten met zich meebrengen voor bedrijven of belastingadministraties, de neutraliteit van de BTW blijven waarborgen, binnen een lidstaat een niet discriminatoire behandeling waarborgen van aldaar gevestigde en aldaar niet gevestigde belastingplichtigen.

Wat de concrete evaluatie van het systeem van de verlegging van heffing betreft, was de conclusie dat het systeem zowel belangrijke voordelen als belangrijke nadelen in zich draagt, zodat het voorbarig zou zijn hieruit definitieve conclusies te trekken.

Op basis van de voorstelling van de conclusies van de werkgroep en de mededeling van de Commissie, heeft de Raad besloten dat de verschillende denksporen aangebracht door de mededeling van de Commissie, verder moeten worden onderzocht en in het bijzonder de waarde van de verlegging van heffing als antifraude-instrument verder in detail dient te worden geanalyseerd. De Raad zou dan eind 2006 bekijken welke elementen kunnen worden opgenomen in een algemene antifraudestrategie.

De Europese besprekingen over deze problematiek lopen dus onverminderd verder. Op 20 juli eerstkomend zal een vergadering plaatsvinden in de werkgroep Fiscale Vraagstukken van de Raad over de mededeling van de Commissie met betrekking tot een strategie tot verbetering van de werking van het BTW-systeem binnen de interne markt waarna er ongetwijfeld nog verder onderzoek en besprekingen op communautair vlak zullen volgen.

Mijn diensten volgen deze werkzaamheden van nabij op om hieruit te gepasten tijde, met inachtneming van de eigenheden van de Belgische situatie en met kennis van alle relevante technische, juridische, economische en budgettaire aspecten die verbonden zijn aan de invoering van een verlegging van heffing, de gepaste conclusies te kunnen trekken voor wat een sectorale of meer veralgemeende aanwending van de verlegging van heffing in de strijd tegen specifieke vormen van BTW-fraude betreft.

In die zin bestuderen we nu concreet de mogelijkheid om de toelating te vragen om op grond van [artikel 27 van de zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) de verlegging van de heffing te mogen toepassen tussen BTW-plichtigen in de sector van de telecommunicatie waar, op grond van onze vaststellingen, grootschalige fiscale fraude voorkomt.

Met dat voorstel willen we specifiek de veel voorkomende *crossborder* fraude en carrouselfraude met *resellers* aanpakken. Via die structuren worden de belwinkels bevoorraad. Die ontwijken de voorfinanciering van de BTWop de aangekochte beleenheden, wat een onmiddellijk voordeel van 21% oplevert. Vervolgens worden verkopen niet aangegeven, wat opnieuw een voordeel inzake BTW en inkomstenbelasting oplevert. Bonafide carriers, providers en belwinkels worden op die manier buitenspel gezet.

Via de verlegging van de heffing zouden Belgische operatoren opnieuw rechtstreeks kunnen verkopen aan de belwinkels, die niet langer de BTW zouden moeten voorfinancieren. Door de ketting van malafide buitenlandse en binnenlandse resellers uit te schakelen kan het zwarte circuit in de sector worden aangepakt. Zo verbetert de concurrentiepositie van Belgische operatoren ten opzichte van buitenlandse operatoren.

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 27](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) 1 voorkomen
