---
title: "Parlementaire vraag 293 · Landverzekeringsovereenkomst. Vergoedingen. BTW"
description: "Landverzekeringsovereenkomst. Vergoedingen. BTW. Parlementaire vraag nr. 293 van 13 april 1994 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/293-landverzekeringsovereenkomst-vergoedingen-btw-olaerts-vergoeding-9355"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/293-contrat-assurance-terrestre-indemnites-olaerts-1102"
---

# Landverzekeringsovereenkomst. Vergoedingen. BTW

**Nummer**

293

**Datum**

13 april 1994

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

25 paragrafen

*Landverzekeringsovereenkomst - Vergoedingen - BTW*

## **VRAAG**

Er bestaat onduidelijkheid over de schaderegelingen met betrekking tot de zogenaamde «dubbele schatting» en de BTW-vergoeding. Artikel 83 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst stelt dat «de benadeelde vrij beschikt over de door de verzekeraar verschuldigde schadevergoeding. Het bedrag mag niet verschillen naar gelang van het gebruik dat de benadeelde ervan zal maken».

Dat wijst erop dat het volledige schadebedrag zou dienen te worden betaald, inclusief de overeenkomstige BTW, zelfs bij niet-herstelling of niet-vervanging. Zo zou de BTW-vergoeding ook niet kunnen worden beperkt tot de margeregeling (bijzonder stelsel van de BTW over de marge). Die wijze van schadevergoeding lijkt billijk en rechtvaardig.

1\. Welke vergoeding, inzake schade en BTW, is men aan de schadelijder verschuldigd?

2\. Wat is het antwoord, met betrekking tot:

a) de aansprakelijkheidsverzekeringen;

b) het gemeenschappelijk motorwaarborgfonds;

c) de eigen schadeverzekeringen?

## **ANTWOORD**

Ik heb de eer het geachte lid mee te delen dat artikel 83 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst enkel geldt voor de aansprakelijkheidsverzekeringen.

In de Memorie van toelichting (Gedr. Stuk, Kamer 1990-1991, nr. 1586/1, 75) vindt men volgende uitleg in verband met dat artikel: «Die bepaling volgt de huidige rechtspraak volgens dewelke de verzekeraar van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid de omvang van de schadevergoeding die hij aan de benadeelde verschuldigd is niet mag beperken in functie van het gebruik dat die ervan wenst te maken. De verzekeraar van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid kan de omvang van zijn verplichting dus niet laten afhangen van een specifieke affectatie ervan (Cassatie, 13 januari 1983, Pas. 1983, I, 573). De vergoeding ten laste van de schadetoebrenger of van zijn verzekeraar moet de benadeelde toelaten zijn vermogen terug op te bouwen zoals het bestond voor het schadegeval, waarbij de materiële goederen worden aangewend waarvan de waarde of het waardeverlies aan een evaluatie onderhevig is».

De praktijk van de dubbele schatting is in strijd met artikel 83 en wordt niet meer toegepast.

Wat de vergoeding van de BTW betreft, dient men een onderscheid te maken naar gelang het voertuig herstelbaar is of als totaal verlies wordt beschouwd.

Wanneer het voertuig herstelbaar is, heeft de benadeelde volgens de rechtspraak van het Hof van cassatie recht op het bedrag dat noodzakelijk is om de zaak te kunnen doen herstellen, ongeacht of hij daadwerkelijk de herstelling laat uitvoeren of niet. Wanneer de benadeelde niet aan de BTW onderworpen is en zodanige belasting niet kan recupereren, omvat het bedrag dat nodig is om die herstelling te kunnen laten uitvoeren de BTW (Cassatie, 20 september 1988, De Verz. , 1989, nr. 278, 378).

Wanneer het voertuig als totaal verlies wordt beschouwd, heeft de benadeelde volgens het arrest van het Hof van cassatie van 13 april 1988 recht op het bedrag dat vereist is voor het verwerven van een gelijkwaardige zaak. Dat bedraag omvat eveneens de niet recupereerbare BTW en dient te worden uitbetaald zelfs indien het slachtoffer zijn voertuig niet vervangt (Cassatie, 13 april 1988, RW, 1988-1989, 301).

De wet van 25 mei 1993 tot wijziging van de belasting op de nieuwe en tweedehandse vervoermiddelen, die op 1 juni 1993 in werking trad, wijzigde het BTW-regime dat van toepassing is bij de aanschaf van een tweedehands voertuig. Naar gelang het geval, is ofwel 20,5% BTW op de volledige verkoopsom verschuldigd, ofwel 20,5% BTW over de marge. Indien het voertuig bij een particulier gekocht is die niet aan de BTW onderworpen is, is er geen BTW verschuldigd.

Het staat dus niet meer vast dat het bedrag dat nodig is om een gelijkwaardig voertuig aan te schaffen, BTW omvat.

In de praktijk wordt thans door de aansprakelijkheidsverzekeraars de BTW pas vergoed indien de benadeelde het bewijs levert dat hij voor de aanschaf van een vervangingsvoertuig BTW betaald heeft. Indien de verkoop onderworpen was aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de marge, is de door de benadeelde betaalde BTW niet gekend vermits de verkoper de BTW niet mag vermelden op de factuur. In dat geval wordt de winstmarge forfaitair op 15% bepaald en wordt de BTW berekend op die forfaitaire winstmarge.

In hoeverre die regeling in overeenstemming is met artikel 83 van de wet van 25 juni 1992 en met de rechtspraak van het Hof van Cassatie dient door de rechter te worden beslist.

Het Gemeenschappelijk waarborgfonds vergoedt de schade volgens dezelfde principes als de aansprakelijkheidsverzekeraars.

Wat de voertuigcascoverzekering betreft, kan ik het geacht lid meedelen dat die niet aan een bijzondere reglementering onderworpen is. Sommige maatschappijen stipuleren in de algemene voorwaarden dat in geval van totaal verlies van het verzekerde voertuig, de BTW wordt vergoed die voor het vernielde voertuig werd betaald. Andere maatschappijen stipuleren dan dat in geval van totaal verlies, de BTW zal worden vergoed die op het vervangingsvoertuig werd betaald. De vergoeding van de BTW wordt in beide gevallen beperkt tot de prijs van het voertuig voor het schadegeval.

Indien de door de verzekeringnemer betaalde BTW niet gekend is, stelt zich het probleem voor welk bedrag aan BTW de verzekeringsonderneming dient tussen te komen. De oplossing van dat probleem behoort in laatste instantie tot de bevoegdheid van de rechter.

In de contracten die werden afgesloten na de inwerkingtreding van de wet van 25 mei 1993 wordt soms gestipuleerd dat wanneer bij de aanschaf van een tweedehands voertuig de bijzondere regeling van belastingheffing over de marge werd toegepast, de winstmarge forfaitair op 15% wordt vastgesteld. Bij schadegeval heeft de verzekeringnemer dan recht op de vergoeding van de BTW berekend op die forfaitaire winstmarge.

(Vr. en Antw., Kamer, G.Z. 1993-94, nr 108)
