---
title: "Parlementaire vraag 282 · Kunstenaars. Occasionele tentoonstelling. Belastingplicht. Tijdstip. Bijzondere regeling"
description: "Kunstenaars. Occasionele tentoonstelling. Parlementaire vraag nr. 282 van 18 augustus 1989 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/282-kunstenaars-occasionele-tentoonstelling-belastingplicht-tijdstip-f8a6"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/282-artistes-exposition-occasionnelle-moment-assujettissement-ad19"
---

# Kunstenaars. Occasionele tentoonstelling. Belastingplicht. Tijdstip. Bijzondere regeling

**Nummer**

282

**Datum**

18 augustus 1989

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

18 paragrafen

**Vr. en Antw., Senaat**

*Kunstenaars - Occasionele tentoonstelling - Belastingplicht - Tijdstip - Bijzondere regeling*

## **VRAAG**

Graag kreeg ik van de Minister een antwoord op de twee onderstaande vragen.

1\. Moet een jonge kunstschilder die geen beroepsbezigheden verricht en occasioneel zijn doeken tentoonstelt in de hoop ze te verkopen, automatisch beschouwd worden als iemand die onderworpen is aan de BTW ingevolge die tentoonstelling, die misschien eenmalig zal blijven?

2\. Heeft de toepasbaarheid van het BTW-stelsel noodzakelijkerwijze tot gevolg dat de eventuele opbrengst van de verkoop van schilderijen op het stuk van de directe belastingen als een bedrijfsinkomen zal worden beschouwd of kan een dergelijke opbrengst de vorm aannemen van toevallige baten die dan gerangschikt worden in de categorie van de diverse inkomsten?

## **ANTWOORD**

I. Belasting over de toegevoegde waarde.

Voor de toepassing van de BTW verkrijgen de kunstschilders, beeldhouwers, graveerders en keramiekbewerkers de hoedanigheid van belastingplichtige en moeten zij als zodanig worden geregistreerd, van zodra zij door een ondubbelzinnige daad hun wil uiten hun werken geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, te zullen verkopen, zelfs indien deze verkopen plaatshebben op onregelmatige tijdstippen.

Dit is in principe het geval wanneer een kunstenaar voor de eerste keer met het oog op de verkoop van zijn werken deelneemt aan een tentoonstelling, zodat hij vanaf dat tijdstip in de regel als BTW-belastingplichtige moet worden geregistreerd en hij aan de Schatkist de BTW moet voldoen die verschuldigd is wegens de verkoop van zijn kunstwerken.

Vanaf bovenbedoeld tijdstip kan hij ook de BTW, geheven van de uitgaven met betrekking tot de voorbereiding tot de deelneming aan die tentoonstelling, overeenkomstig de gewone regels in aftrek brengen. Dit geldt eveneens ten aanzien van de BTW geheven van de uitgaven met betrekking tot de totstandkoming van de kunstwerken die zullen worden verkocht.

Bovendien wordt erop gewezen dat kunstenaars op hun verzoek gebruik kunnen maken van de vereenvoudigde regeling (uiteengezet in de administratieve [aanschrijving 7/1974](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/7-1974-aanschrijving-artiste-peintre-sculpteur-graveur-17d4) Z.Revue nr.17, blz. 323. ), waarbij zij van de verplichting worden ontheven periodieke aangiften in te dienen en in de mogelijkheid worden gesteld de verschuldigde BTW op een praktische en eenvoudige wijze te betalen.

II. Inkomstenbelastingen.

De inkomsten die kunstschilders verkrijgen uit het beoefenen van hun kunst, zijn in de regel belastbaar in de personenbelasting:

\- hetzij krachtens artikel 20, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, als inkomsten van een vrij beroep of een winstgevende bezigheid;

\- hetzij krachtens artikel 67, 1°, van hetzelfde wetboek, als diverse inkomsten verkregen buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid.

Het antwoord op de vraag in welke van de twee voormelde gevallen een bepaalde belastingplichtige zich bevindt, hangt hoofdzakelijk af van de feitelijke en juridische omstandigheden die hem eigen zijn.

Als feitelijke gegevens die op het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid kunnen wijzen, komen buiten het aantal, de onderlinge verbondenheid, de aard en de snelle opeenvolging van de verrichtingen, onder meer ook de belangrijkheid ervan en de organisatie die ze impliceren in aanmerking (z. nr. 20/49 van de Administratieve Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen).
