Vr. en Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 004, blz. 158-160
Btw-schulden - Hoofdelijke aansprakelijkheid - Bestuurders
VRAAG
De programmawet van 20 juli 2006 en de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, hebben de hoofdelijke aansprakelijkheid ten laste van bestuurders ingevoerd inzake btw-schulden.
In de praktijk stellen we vast dat de BTW-directies de nodige terughoudendheid hanteren bij het gebruik van deze nieuwe wetgeving. Er zijn ondertussen echter meerdere dossiers waarbij vennootschappen met belangrijke btw-schulden in faling gegaan zijn. Circulaire nr. AFZ/2006-0604 (AFZ14/2006) van 24 augustus 2006 stelt zeer duidelijk dat : «Aangezien het een nieuwe maatregel betreft die bedoeld is om de invordering van de belasting te verzekeren (en niet het belasten van een nieuwe categorie van verrichtingen, handelingen of feiten), belet niets dat deze van toepassing kan zijn op handelingen uit het verleden. Zelfs als het belastbaar feit van bepaalde handelingen zich heeft voorgedaan voor de inwerkingtreding van deze wet, kan de toepassing van de hoofdelijke aansprakelijkheid volledig worden gerechtvaardigd, bijvoorbeeld wanneer een groothandelaar aan zijn klant (kleinhandelaar) goederen heeft verkocht «in het zwart», die nadien worden doorverkocht zonder BTW».
Dit betekent dus dat de BTW-administratie in elk dossier waarin er aanzienlijke onbetaalde btw-schulden zijn, waarbij in overeenstemming met de voorwaarden van de wet een aantal overtredingen gebeurd zijn, de bestuurders persoonlijk aansprakelijk kan stellen. In de parktijk stellen we nu vast dat er zich in sommige dossiers een ongemakkelijke situatie voordoet. De BTW-administratie beschikt over alle mogelijkheden om via de nieuwe wet haar tegoeden te innen bij de bestuurders, maar ze maakt uitdrukkelijk geen gebruik hiervan. Enige tijd later gaat dan de betrokken vennootschap in faling en nog steeds maakt de BTW-administratie geen gebruik van de nieuwe wetgeving, ondanks het feit dat het in meerdere dossiers over grote BTW-tegoeden gaat. Maar voor heel veel kleinere niet bevoorrechte schuldeisers maakt dit wel een zeer groot verschil. Daar de BTW-administratie bevoorrechte schuldeiser is, komt zij natuurlijk in een aantal gevallen wel aan haar trekken maar rest er niets meer voor de gewone schuldeisers die meestal kleinere KMO's zijn, die deze centen heel goed kunnen gebruiken.
1. De ontvanger is als rekenplichtige verplicht om alle invorderingsmogelijkheden te hanteren zodra de voorwaarden ervan zijn vervuld. Verzuimt de BTW-administratie op die manier niet de wetgeving toe te passen, zoals de wetgever uitdrukkelijk gewild heeft dat deze toegepast zou worden ?
2. Kunnen de curatoren aanhalen dat de BTW-administratie haar voorrang minstens verliest, en eventueel zelfs haar volledige schuldvordering daar zij prioritair moet gebruik maken van de haar beschikbare rechtsmiddelen ?
3. Dienen curatoren, gevolgd door de rechtbanken van koophandel dan ook de vordering van de BTW-administratie niet af te wijzen, gezien zij bij voorrang die andere rechtsmiddelen moeten gebruiken ?
ANTWOORD
(vice-eersteminister en minister van Financiën, 19.11.2007)
1. Vooreerst wens ik de aandacht van het geachte lid er op te vestigen dat de passage (nrs. 54 tot 55) uit de in de vraag geciteerde Circulaire uitsluitend betrekking heeft op de hoofdelijkheid in geval van niet-betaling van de btw, zoals bedoeld in artikel 51 bis, § 4, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en niet op de toepassing van de bestuurdersaansprakelijkheid respectievelijk ingeschreven in artikel 93 undecies C van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en in artikel 442 quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de programmawet van 20 juli 2006.
Specifiek voor de toepassing van artikel 93 undecies C van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, werd geoordeeld dat, in principe, de niet betaling van de btw slechts vanaf 28 juli 2006 kan in aanmerking worden genomen.
Bovendien mag niet uit het oog verloren worden dat de wet de toepassing van deze aansprakelijkheid aan strikte voorwaarden heeft gekoppeld en een dergelijke procedure maar finaal slaagt indien de aansprakelijke bestuurder vermogend is. Een individuele aanpak van de betrokken dossiers is dan ook noodzakelijk. De aansprakelijkheid zal finaal vastgesteld worden door de rechter. In ieder geval is het mij niet bekend dat de Invorderingsadministratie de maatregel niet zou toepassen. Integendeel werden aan de ontvangers concrete richtlijnen verstrekt wanneer en onder toepassing van welke procedure de aansprakelijkheid moet worden ingeroepen.
2 en 3. Ik meen ontkennend te moeten antwoorden. Het feit dat men benevens de eigenlijke «hoofdschuldenaar», derden ter betaling kan aanspreken, kan er nooit toe leiden dat een schuldvordering haar voorrecht in één of andere samenloopprocedure zou verliezen, laat staan niet zou worden opgenomen in het passief van het faillissement van de hoofdschuldenaar. Een andere interpretatie zou er immers toe leiden dat curatoren niet enkel dergelijke fiscale schuldvorderingen zouden moeten weren, doch tevens andere zelfs private schuldvorderingen waarbij bijvoorbeeld borgen kunnen worden aangesproken.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.