Administratieve boete. Belastingverhoging · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

26 3 september 2003

Zoeken

Administratieve boete. Belastingverhoging

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/26-administratieve-boete-belastingverhoging-campenhout-geldboete-b56a

Nummer
26
Datum
3 september 2003

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

31 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 011, blz. 1433-1436

Administratieve boete - Belastingverhoging

VRAAG

Bij overtredingen van de bepalingen van het BTW-Wetboek en haar uitvoeringsbesluiten wordt administratief in een aantal sancties voorzien waaronder boetes.

Bij een eerste overtreding, zonder welk oogmerk dan ook om de belasting te ontduiken, wordt standaard door de BTW-diensten 10 % belastingverhoging aangerekend.

Blijkbaar worden te pas en te onpas die boetes ingevorderd voor zeer eenvoudige inbreuken begaan door belastingplichtigen die overigens volstrekt te goeder trouw zijn, maar bijvoorbeeld niet stipt voor een bepaalde datum hun BTW-aangifte hebben ingediend, betaling hebben verricht, enz.

Ook zijn er gevallen bekend waarin bot onmiddellijk met boetes wordt gedreigd wanneer niet op een vraag binnen een bepaalde termijn wordt geantwoord.

Verzoeken tot kwijtschelding worden steevast afgewezen aangezien het om "minimum percentages" gaat.

Naar het mij voorkomt dragen dergelijke boetes niet bij tot een goed ondernemingsklimaat.

1. Moet de belastingdienst zich in zijn contacten met belastingplichtingen niet naar behoren gedragen en dus niet te pas en te onpas met boetes zwaaien?

2. Moet er voor een eerste overtreding begaan door een belastingplichtige die volstrekt te goeder trouw is niet een ernstige mogelijkheid bestaan tot kwijtschelding?

3. Is 10 % niet erg overdreven voor zeer eenvoudige inbreuken?

ANTWOORD

(minister van Financiën, 04.12.2003)

De door het geachte lid gestelde vragen geven aanleiding tot de volgende verduidelijkingen inzake de toepasselijke regels op het vlak van de boeten.

In geval van inbreuken op de wettelijke en reglementaire bepalingen op het vlak van BTW voorziet artikel 70 van het BTW-Wetboek de toepassing van fiscale boeten die hetzij proportioneel (artikel 70, §§ 1 tot 3), hetzij niet-proportioneel (artikel 70, § 4), kunnen zijn.

Het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten is in principe gelijk aan het dubbel van de belasting. Dit bedrag kan verminderd worden volgens de verminderingsschaal bepaald door het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Deze verminderingsschaal houdt reeds rekening met de goede trouw, het toevallige karakter van de begane overtredingen of nog met het feit dat deze overtredingen te wijten zijn aan onwetendheid, vergissingen of nalatigheid. Ze is inderdaad niet van toepassing in het geval van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Bovendien hebben de gewestelijke directeurs van de BTW - zoals verder uiteengezet in het onderhavige antwoord - de bevoegdheid om geldboeten kwijt te schelden of te verminderen ingeval van bijzondere omstandigheden en wanneer een dergelijke kwijtschelding of vermindering gegrond is.

Aangaande het in de vraagstelling aangehaalde voorbeeld van de opgelegde geldboete in geval van laattijdige betaling van de belasting, dient het volgende te worden vermeld.

Gegeven het aantal belastingplichtige indieners ongeveer 560 000 - dient de administratie, om redenen van goed beheer, de strikte naleving te eisen van de toepasselijke regels. De tijdige betaling van de belasting is bovendien een essentiële, fundamentele verplichting van de belastingplichtige. In dit opzicht dient er tevens aan te worden herinnerd dat de belastingplichtige slechts optreedt als tussenpersoon in die zin dat hij louter de BTW die hem door zijn medecontractanten werd betaald, doorstort aan de Schatkist. Een bijkomende vermindering van de reglementair opgelegde geldboete kan bijgevolg slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden toegestaan.

In de praktijk wordt de laattijdige betaling van de belasting in eerste instantie niet gesanctioneerd in de rekening-courant van de belastingplichtige, ondanks de nochtans daartoe voorziene bepaling (zie koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 1) die de toepassing regelt, per maand vertraging, van een percentage gelijk aan dat van de moratoire interest dat is bepaald in artikel 91, § 1, van het BTW-Wetboek te berekenen over het verschuldigde of nog verschuldigde bedrag. Slechts na meerdere verwittigingen wordt immers de rekening-courant van de belastingplichtige op nul gezet en een bijzondere rekening opgemaakt waarbij een boete van 10% van de verschuldigde belasting wordt gevorderd van de belastingplichtige.

Anderzijds bestraft artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek de overtredingen andere dan deze beoogd in de §§ 1 tot 3 van deze bepaling, met een fiscale boete - niet proportioneel - van 25 euro tot 2 500 euro per inbreuk, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het bedrag van deze boete wordt bepaald door het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Het is echter gebleken dat diverse geldboeten, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het voormeld koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993, onvoldoende rekening hielden met de proportionaliteit en de progressiviteit van de opgelegde sanctie ten opzichte van de verrichte inbreuk en haar herhaling.

Om deze situatie te verhelpen, heeft de administratie, via de administratieve beslissing nr. E.T. 75.750 van 14 juni 1995, met instemming van de minister van Financiën en op basis van artikel 84, tweede lid, van het BTW-Wetboek, van kracht op dat ogenblik, een verminderingstabel opgesteld met verschillende geldboeten welke moeilijkheden veroorzaakten in hun toepasbaarheid.

Er wordt opgemerkt dat deze verminderingstabel evenwel niet van toepassing is in geval van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Ten slotte hebben de gewestelijke directeurs van de BTW ingevolge dezelfde beslissing en krachtens dezelfde wettelijke basis de bevoegdheid gekregen om, rekening houdend met de omstandigheden eigen aan elk individueel geval, de voormelde boeten op een beduidende manier verder te verminderen in de gevallen waar zij de overtuiging hebben dat er ongelijkheden blijven in verhouding tot het doel van de sanctie en de beoogde herstelling.

Hoewel de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen gedeeltelijk artikel 84, tweede lid, van het voormelde wetboek heeft opgeheven, is de bevoegdheid tot kwijtschelding of vermindering van de fiscale boeten, sinds 6 april 1999, aan de minister van Financiën toegekend, op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831. Deze laatste bepaling vormt tegenwoordig de wettelijke basis waarop de verminderingstabel alsook de handelingsbevoegdheid van de gewestelijke directeurs van de BTW steunen.

De voormelde verminderingstabel werd bovendien in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2002 gepubliceerd.

Dit gezegd zijnde blijf ik niettemin overtuigd van het feit dat voor bepaalde bedragen van nietproportionele geldboeten, het principe van de proportionaliteit nog niet echt wordt gerespecteerd.

Ik heb derhalve de betrokken diensten van mijn departement belast met het onderzoek van deze problematiek en met het opstellen van een voorontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van voormeld koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 841 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen