Mondelinge parlementaire vraag nr. 25274 van de heer Eric Van Rompuy d.d. 13.06.2018
Kamer, Integraal verslag - Commissie voor de Financiën en Begroting, 2017-2018, CRIV 54 COM 921 d.d. 13.06.2018, blz. 5
De btw-vrijstelling voor zelfstandige groeperingen
Eric Van Rompuy: Mijnheer de minister, artikel 44 van het Btw-Wetboek voorziet in een vrijstelling voor diensten die zelfstandige groeperingen verrichten voor hun leden. Deze bepaling omvat een aantal voorwaarden, waaronder de vereisten dat de vergoeding die aan de leden wordt aangerekend enkel de terugbetaling vertegenwoordigt van de gedane uitgaven en dat de vrijstelling niet tot concurrentievervalsing leidt.
Deze vrijstelling is onder meer van toepassing op intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden die als zelfstandige groeperingen voor de aangesloten gemeenten bepaalde ondersteunende diensten verrichten tegen kostprijs. Men heeft mij gevraagd om deze vraag in de commissie te stellen omdat men een aantal antwoorden verwacht over de interpretatie van de circulaire van 12 december 2016 in dat verband.
Hoewel de vergoeding zo goed mogelijk wordt bepaald om enkel en alleen de kostprijs te vertegenwoordigen, is het mogelijk dat de zelfstandige groeperingen ten gevolge van de verleende diensten op het einde van het jaar met een overschot aan inkomsten zitten, of zelfs met een verlies. In de circulaire wordt niet ingegaan op de vraag hoe met verliezen moet worden omgegaan. Vandaar de volgende twee vragen, mijnheer de minister.
Kunt u bevestigen dat een aanzuivering van verliezen in de geschetste omstandigheden niet in strijd is met voornoemde stelling uit de circulaire, met name dat deze aanzuivering niet gebeurt om goedkopere diensten te verstrekken?
Kunt u verduidelijken of een zelfstandige groepering overschotten uit de activiteit van leveringen van goederen kan aanwenden voor het aanbieden van gratis diensten voor haar leden of voor de instandhouding of verbetering van de verstrekte diensten aan haar leden?
Deze vraag is geïnspireerd door intercommunales en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Zij hebben mij een interpretatie gevraagd van de circulaire in dat verband.
Minister Johan Van Overtveldt: Mijnheer de voorzitter, op uw eerste vraag kan ik antwoorden dat de toepassing van de vrijstelling van diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen, of de zogenaamde kostendelende verenigingen, afhankelijk is van de voorwaarden. De vrijstelling mag bovendien geen aanleiding geven tot concurrentieverstoring. Eén van de toepassingsvoorwaarden – ik verwijs naar artikel 44, § 2bis, eerste lid, 3° van het Btw-Wetboek – bepaalt dat de aan ieder lid aangerekende vergoeding of retributie enkel de terugbetaling mag vertegenwoordigen van zijn aandeel in de door de groepering gedane gezamenlijke uitgaven. Onder "door de groepering gedane gezamenlijke uitgaven" verstaat men alle uitgaven die de groepering doet en die nodig zijn opdat de groepering vrijgestelde diensten aan haar leden kan verstrekken.
Indien de sector "diensten" van een zelfstandige groepering verlieslatend is, dan dient dit verlies door de leden te worden gedragen, behalve indien eventueel opgebouwde reserves uit de sector "diensten" kunnen worden aangewend. Indien een zelfstandige groepering van personen zowel een sector "diensten" als een sector "leveringen" ontplooit, dan geldt als principe dat eventuele overschotten van deze laatste sector niet mogen dienen om de diensten goedkoper te kunnen aanbieden en aldus concurrentie met andere dienstverrichters te bewerkstelligen. De winsten uit de sector "leveringen" mogen daarom in beginsel niet worden aangewend voor het aanzuiveren van eventuele verliezen uit de andere sector.
Echter, indien de zelfstandige groepering kan aantonen dat zij de prijs voor haar diensten aan de leden op basis van realistische en objectieve maatstaven zodanig heeft vastgesteld dat deze volgens redelijke verwachtingen moet toelaten om de gedane uitgaven te dekken, dan kan aangenomen worden dat de aanzuivering van eventuele verliezen niet voortkomt uit een wens om goedkopere diensten te verstrekken aan de leden. Dergelijke verliezen zijn immers het gevolg van een tegenvallend resultaat, niet van de wens om goedkopere diensten aan te bieden. In deze omstandigheden kan dus worden aanvaard dat de voorgestelde financieringswijze voor het aanzuiveren van verliezen met overschotten uit de sector "leveringen" conform de voorwaarden is van artikel 44, § 2bis, eerste lid, 3° van het Btw-Wetboek en niet concurrentieverstorend werkt.
Hier anders over oordelen zou immers een discriminatie veroorzaken tussen zelfstandige groeperingen, naargelang de leden de overschotten uit leveringen van goederen al dan niet uitgekeerd krijgen. In het geval van een uitkering zouden de leden de groepering kunnen financieren, met bijdragen, subsidies, vergoedingen en dergelijke, om de verliezen te dekken. In het omgekeerde geval zouden de overschotten enkel en alleen om btw-redenen niet mogen worden aangewend, wat tevens een inbreuk op het neutraliteitsbeginsel zou betekenen. Het voorgaande veronderstelt wel dat de groepering een gescheiden boekhouding voert voor de verschillende activiteiten, zodat een eventuele aanzuivering transparant kan gebeuren.
Wat de tweede vraag betreft, ook hier rijst het probleem dat, indien een zelfstandige groepering van personen zowel een sector "diensten" als een sector "leveringen" ontplooit, deze sectoren volkomen van elkaar gescheiden moeten blijven. Bijgevolg mogen winsten uit de sector "leveringen" in beginsel niet worden aangewend ten behoeve van de sector "diensten". Wanneer er echter sprake is van een financiering van gratis diensten, moet worden opgemerkt dat het aanbieden van gratis prestaties sowieso buiten de toepassingssfeer van de btw valt. De niet-aanrekening van de btw is in dergelijke gevallen niet het gevolg van de hier besproken vrijstelling en kan dan ook niet worden geweigerd op basis van de toepassingsvoorwaarden voor de vrijstelling.
Voorts aanvaardt de administratie wel dat winsten uit de sector "diensten" worden gebruikt voor de ontwikkeling van nieuwe diensten. Opnieuw moet echter worden gewezen op een mogelijke discriminatie en/of schending van het neutraliteitsbeginsel, indien de overschotten uit de sector "leveringen" niet voor dezelfde doeleinden zouden mogen worden aangewend. Anders dreigt er een ongelijke behandeling naargelang de zelfstandige groepering haar overschotten al dan niet kan uitkeren aan haar leden. In het geval van een uitkering zouden de leden de winsten immers zonder enig bezwaar kunnen aanwenden als toelage, kapitaal of enige andere vorm van financiële ondersteuning voor de instandhouding of verbetering van de sector "diensten".
Teneinde misbruiken van deze regeling te voorkomen, geldt zij enkel in zoverre de winstgevende activiteit uit de sector "leveringen" tot de gebruikelijke activiteiten van de zelfstandige groepering behoort en deze activiteit dus niet hoofdzakelijk gericht is op het bereiken van het hiervoor beschreven doel, namelijk gratis diensten en de instandhouding of verbetering van diensten.
Het voorgaande mag echter geen afbreuk doen aan de voorwaarde dat de btw-vrijstelling niet tot concurrentieverstoring mag leiden. Voor een specifiek geval kan de administratie dat naar aanleiding van een klacht steeds verder onderzoeken.
Eric Van Rompuy: Mijnheer de minister, ik zal uw uitvoerig antwoord aan de desbetreffende intercommunale bezorgen.
Het incident is gesloten.