---
title: "Parlementaire vraag 248 · Belastingvrijstelling. levering van goederen. aangifte ten uitvoer"
description: "Belastingvrijstelling. levering van goederen. aangifte ten uitvoer. Parlementaire vraag nr. 248 van 26 januari 2009 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/248-belastingvrijstelling-levering-goederen-aangifte-ten-6948"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/248-franchise-taxe-livraison-biens-declaration-96e7"
---

# Belastingvrijstelling. levering van goederen. aangifte ten uitvoer

**Nummer**

248

**Datum**

26 januari 2009

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

7 paragrafen

*Belastingvrijstelling*

*Levering van goederen*

*Aangifte ten uitvoer*

## **VRAAG**

[Artikel 39, § 1, 2° van het btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) voorziet, ten gunste van de verkoper, in een vrijstelling van btw voor de hier te lande verrichte levering van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap. Het bewijs van effectieve uitvoer moet door de verkoper worden geleverd aan de hand van een geheel van overeenstemmende documenten waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt zoals, onder meer, de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken evenals de aangifte ten uitvoer, die overeenkomstig de douanewetgeving ter zake moet worden ingediend. De btw-wetgeving preciseert verder niet op wiens naam de aangifte ten uitvoer verplicht moet worden ingediend. In de praktijk heeft de btw-administratie tot dusver steeds geëist dat de aangifte ten uitvoer opgesteld werd op naam van de verkoper die de vrijstelling van btw inroept. In bepaalde sectoren is het gebruikelijk om te exporteren via een in een andere lidstaat gevestigde trader (koper-wederverkoper), die voor zijn rekening het vervoer van de goederen laat verrichten van bij de Belgische verkoper tot op de uiteindelijke plaats van bestemming buiten de Europese Unie. In dergelijke gevallen wordt de aangifte ten uitvoer, overeenkomstig de vigerende douanewetgeving, opgesteld op naam van de binnen de EU gevestigde trader omdat hij de lasthebber is van het vervoer met het oog op de uitvoer en op het moment van de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer het beschikkingsrecht over de goederen heeft. De Belgische verkoper die, naast de overige documenten waaruit de uitvoer blijkt, een exemplaar van deze - op naam van de trader opgestelde - aangifte ten uitvoer voorlegt als bewijs van de effectieve uitvoer, wordt bij een btw-controle veelal geconfronteerd met een verwerping van de toegepaste btw-vrijstelling. Dit leidt tot een navordering van de btw, verhoogd met boeten en intresten. Naar verluidt zouden de Centrale Diensten btw, in situaties waarin duidelijk wordt gedocumenteerd dat het vervoer van de goederen georganiseerd werd tussen de Belgische verkoper en de in een andere lidstaat gevestigde trader, voortaan de toepassing van de vrijstelling van artikel 39, § 1, 2° W.BTW in hoofde van de Belgische verkoper niet langer weigeren, in geval de voormelde niet in België gevestigde trader als uitvoerder wordt vermeld op de aangifte ten uitvoer, op voorwaarde dat de Belgische verkoper over een overeenstemmende set van documenten beschikt waaruit de uitvoer blijkt, waaronder aldus een kopie van de voormelde aangifte ten uitvoer op naam van de trader. 1. Kan u deze stelling bevestigen ? 2. Overweegt u desgevallend de nodige instructies te geven aan uw Administratie?

## **ANTWOORD**

De door een verkoper verrichte levering van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper verzonden of vervoerd worden naar een plaats buiten de Gemeenschap, is op grond van [artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) vrijgesteld van de belasting mits er aan een aantal voorwaarden voldaan is. Het is aan voormelde verkoper die overeenkomstig [artikel 51, § 1, 1° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) schuldenaar is van de BTW ten aanzien van de handeling die voor vrijstelling in aanmerking komt, om aan te tonen dat de goederen door of voor rekening van zijn klant buiten de Gemeenschap werden verzonden of vervoerd. Dit bewijs van de uitvoer van de goederen moet geleverd worden aan de hand van een geheel van overeenstemmende stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt. Een belangrijk middel bij deze bewijsvoering is de aangifte ten uitvoer die overeenkomstig de communautaire douanewetgeving moet opgemaakt worden. Zoals het geachte Lid terecht laat uitschijnen, is de aangifte ten uitvoer louter een douanedocument dat niet aan de BTW-reglementering is onderworpen. Inzake BTW kan de aangifte ten uitvoer bijgevolg enkel als element van bewijs van uitvoer aangewend worden. Aangezien het bewijs van de uitvoer moet worden geleverd door de verkoper, is het logisch dat de verkoper in vak 2 van de aangifte ten uitvoer als uitvoerder wordt vermeld. Dit principe is in overeenstemming met de definitie van uitvoerder inzake douane. De belastingplichtige die gerechtigd is aanspraak te maken op de vrijstelling van BTW wegens uitvoer, is dezelfde persoon die inzake douane beantwoordt aan de definitie van uitvoerder. Het feit dat de aangifte ten uitvoer niet op naam van de verkoper maar op naam van de medecontractant staat omdat daartoe redenen bestaan - bijvoorbeeld omdat die medecontractant in een andere Lidstaat is gevestigd - kan evenwel nooit tot gevolg hebben dat de BTW-vrijstelling van [artikel 39, § 1, 2° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) automatisch vervalt. In dergelijke situatie kan de Administratie de aangifte ten uitvoer moeilijk negeren als element van bewijs van de uitvoer, op voorwaarde dat de aangifte ten uitvoer verwijst naar de door de verkoper opgemaakte factuur en de gegevens bevat die op deze factuur vermeld staan. Het vervoer van de goederen buiten de Gemeenschap moet immers in deze relatie plaatsvinden aangezien het een essentiële voorwaarde van de vrijstelling vormt. Dit is steeds het standpunt van de Administratie geweest. Indien het geachte Lid een concreet geval beoogt, ben ik uiteraard bereid deze zaak door de Administratie te laten onderzoeken wanneer hij me de volledige identiteit van de betrokken belastingplichtige ter kennis brengt.

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) 3 voorkomens

[WBTW art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) 1 voorkomen
