---
title: "Parlementaire vraag 238 · Recht van opstal. Als investeringsgoederen opgerichte gebouwen. Beëindiging van het recht"
description: "Recht van opstal. Als investeringsgoederen opgerichte gebouwen. Parlementaire vraag nr. 238 van 18 maart 1985 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/238-recht-opstal-investeringsgoederen-opgerichte-gebouwen-6c60"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/238-droit-superficie-batiments-construits-comme-5785"
---

# Recht van opstal. Als investeringsgoederen opgerichte gebouwen. Beëindiging van het recht · Recht van opstal. Als investeringsgoederen opgerichte gebouwen. Beëindiging van het recht van opstal binnen de door artikel 9, § 3, 1°, van het BTW-Wetboek bepaalde termijn. Beëindiging van het recht van opstal buiten de termijn bepaald in artikel 9, § 3, 1°, maar tijdens de tienjarige herzieningsperiode. Toepasselijke BTW-regeling. Registratierecht

**Nummer**

238

**Datum**

18 maart 1985

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

33 paragrafen

**Vr. en Antw., Senaat**

*Recht van opstal - Als investeringsgoederen opgerichte gebouwen - Beëindiging van het recht van opstal binnen de door* [*artikel 9, § 3, 1°, van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) *bepaalde termijn - Beëindiging van het recht van opstal buiten de termijn bepaald in artikel 9, § 3, 1°, maar tijdens de tienjarige herzieningsperiode - Toepasselijke BTW-regeling - Registratierecht*

## **VRAAG**

Naar verluidt wordt tegenwoordig meer en meer gebruik gemaakt van het recht van opstal.

De techniek zou ongeveer in volgende bewoordingen kunnen worden weergegeven: een privaat persoon A heeft een onbebouwd onroerend goed en geeft aan een derde B (meestal de eigen vennootschap van A) een recht van opstal voor een beperkte periode.

B richt dan op voornoemde grond gebouwen op. Gedurende de looptijd van het contract betaalt B een jaarlijkse vergoeding aan A. Deze vergoeding is als dusdanig een bedrijfsuitgave voor B en een belastbaar onroerend inkomen voor A.

Daarenboven kan B als BTW-belastingplichtige de betaalde BTW recupereren, de gebouwen afschrijven en de interesten op leningen aftrekken die worden aangegaan om gebouwen op te richten.

Na het verstrijken van de contractueel vastgelegde termijn komt het onroerend goed, inclusief de gebouwen, terug in het patrimonium van A. Hiervoor wordt dan, al naargelang van de termen van het contract, een vergoeding betaald.

Desbetreffend mocht ik van de geachte Minister vernemen of:

1) A al dan niet belasting is verschuldigd op een eventuele meerwaarde als het onroerend goed later zou worden verkocht? Zo ja, hoe wordt deze meerwaarde berekend en kan het eventueel betalen van een vergoeding bij contracteinde een invloed hebben op de berekening van die meerwaarde;

2) bij de overdracht van B naar A belasting verschuldigd is door één van de partijen; zo ja, waarop de aanleg wordt berekend;

3) de herziening ingevolge [artikel 48 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) (BTW op bedrijfsmiddelen) van toepassing kan zijn indien de looptijd van het recht van opstal minder dan tien jaar bedraagt;

4) de herziening ingevolge [artikel 48 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) al dan niet van toepassing kan zijn indien de derde (B) in faling wordt verklaard voor het verstrijken van de termijn van het recht van opstal;

5) het bedrag van de vergoeding voor het recht van opstal gedurende de looptijd van het contract aan enige beperking onderhevig is;

6) wat de gevolgen zijn op het gebied van de registratierechten van voornoemde gebouwenconstructie.

## **ANTWOORD**

In de huidige stand van de fiscale wetgeving kan het hierna volgende antwoord worden verstrekt op de door het geachte Lid gestelde vragen.

Inzake directe belastingen 1. A is geen belasting verschuldigd op de meerwaarde die bij de latere verkoop van het onroerend goed wordt verwezenlijkt, voor zover hij, welteverstaan, dat goed voor de vervreemding ervan niet heeft gebruikt voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid.

2\. Bij de overdracht van B naar A is in principe belasting verschuldigd op de door B verwezenlijkte meerwaarde. Bovendien kan belasting verschuldigd zijn op het verschil tussen de werkelijke waarde van het gebouw op het ogenblik van de overdracht en de door A betaalde vergoeding.

Dat verschil moet worden belast, volgens het geval, als een door A in de uitoefening van een beroepswerkzaamheid verkregen voordeel of als een door B toegestane liberaliteit.

5\. Bij mijn weten is er ter zake geen beperking gesteld.

Inzake BTW 2. Wanneer in het uitzonderlijk geval het recht van opstal eindigt binnen de door [artikel 9, § 3, 1°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) bepaalde termijn is op grond van [artikel 12, § 1, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12), van hetzelfde Wetboek, de BTW verschuldigd wegens de overgang tegen vergoeding van het patrimonium van B naar dat van A van de eigendom van de door eerstgenoemde als investeringsgoederen opgerichte gebouwen indien B de voorwaarden nakomt gesteld door [artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen overeenkomstig het bepaalde in [artikel 8, §§ 2 en 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8).

In dat geval is de BTW verschuldigd over de overeengekomen vergoeding voor de gebouwen met als minimum de normale waarde (Wetboek, art. 36, § 1).

Indien de in bovengenoemd koninklijk besluit nr. 14 vermelde bepalingen niet worden nagekomen is de BTW ten aanzien van bedoelde overgang niet van toepassing, maar dient de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW te worden herzien zoals bepaald onder nr. 3 hierna.

3\. Wanneer het recht van opstal eindigt buiten de termijn bepaald in [artikel 9, § 3, 1°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9), maar tijdens de tienjarige herzieningsperiode bepaald in [artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-e148) van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, dient door B op grond van artikel 10, 4°, van evengenoemd koninklijk besluit, de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW geheven van de oprichtingskosten van bedoelde gebouwen in eenmaal te worden herzien voor het jaar waarin de oorzaak van herziening zich voordoet, met name het eindigen van het recht van opstal en voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak tot beloop van één tiende per jaar.

4\. Het faillissement van B tijdens de tienjarige herzieningsperiode geeft op zichzelf niet automatisch aanleiding tot herziening van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW. De gevolgen op het stuk van de BTW zullen afhangen van de bestemming die de curator van het faillissement aan de bedoelde gebouwen zal geven.

Inzake registratierecht 6. De vestigingen van een recht van opstal en de overdrachten daarvan worden voor de heffing van het registratierecht gelijkgesteld met huurcontracten en contracten van overdracht van huur.

Zij zijn onderworpen aan een evenredig recht van 0,20 pct. ([artikel 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten).

Het recht wordt vereffend op het voor gans de duur van het contract samengevoegde bedrag van de vergoedingen en lasten die de verkrijger van het opstalrecht zijn opgelegd (zie artikel 84, eerste lid, van voornoemd Wetboek).

Bij overdracht van het recht van opstal wordt het registratierecht vereffend op het bedrag van de afstandsprijs vermeerderd met de aan de overnemer overgedragen lasten voor de op het ogenblik van de overdracht nog te lopen duur van het recht (vergoedingen en andere) (z. [art. 84, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84), van hetzelfde Wetboek).

Indien de overdracht niet enkel slaat op het recht van opstal, maar ook op de eigendom van de door de opstaller opgerichte gebouwen, wordt het gedeelte van de afstandsprijs met betrekking tot die gebouwen belast met het recht van overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen, voor zover de overdracht van de gebouwen niet onder de toepassing van de BTW valt (zie punt 2 hierboven).

Wanneer het recht van opstal ophoudt door het verstrijken van de in de overeenkomst bedongen termijn, maken de gebouwen, behoudens andersluidende bepalingen in het contract van opstal, het voorwerp uit van een wettelijke overdracht ten bate van de eigenaar van het erf, die onder de toepassing valt van artikel 6 van de wet van 10 januari 1824 betreffende het recht van opstal.

Deze wettelijke overdracht geeft geen aanleiding tot heffing van een evenredig registratierecht, ongeacht of het bedrag van de vergoeding voor die gebouwen in het contract van opstal zelf dan wel bij het uitoefenen van het recht van natrekking wordt bepaald.

## Aangehaalde teksten

8

[WBTW art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) 3 voorkomens

[WBTW art. 48](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) 2 voorkomens

[KB nr. 14 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-e148) 1 voorkomen

[WBTW art. 12](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12) 1 voorkomen

[WBTW art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) 1 voorkomen

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen
