Vr. en Antw., Senaat, 2002-2003, nr. 2-62, blz. 3494
Buitenlandse maatschappijen - Stabiele vestiging
VRAAG
Moet artikel 51, § 2, 1° van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals dat gewijzigd is door artikel 3 van de wet van 7 maart 2002, zo worden geïnterpreteerd dat iedere buitenlandse onderneming die in België voor de toepassing van de BTW over een stabiele vestiging beschikt in de zin van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, Belgische BTW verschuldigd is op de verrichtingen waarnaar in artikel 21, § 3, 7° van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt verwezen en dat zelfs als die verrichtingen vanuit het buitenland gebeuren zonder tussenkomst van die stabiele vestiging in de zin van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde?
Heeft de regering, alvorens aan het Parlement de wijziging van artikel 51, § 2, 1° van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde voor te stellen, overleg gepleegd met de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie ten einde ervoor te zorgen dat de nieuwe bepaling geen gevallen van dubbele BTW-heffing doet ontstaan? Als dat het geval is, wat is dan de referentie van het synthesedocument van dat overleg?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid het volgende mede te delen.
1. Met betrekking tot de eerste, door het geachte lid gestelde vraag, heeft artikel 3 van de wet van 7 maart 2002, in artikel 51, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek, het voorheen bestaande begrip van de "buiten België gevestigde" belastingplichtige vervangen door dat van de "niet in België gevestigde" belastingplichtige.
Deze wijziging heeft inderdaad voor gevolg dat voortaan, als een belastingplichtige, wiens domicilie of maatschappelijke of statutaire zetel zich in het buitenland bevindt, beschikt over een vaste inrichting die in België voor de BTW is geïdentificeerd, en hij, vanuit zijn buitenlandse zetel, een dienstprestatie verricht die, in toepassing van artikel 21, § 3, 7°, van het BTW-Wetboek, plaatsvindt in België, deze belastingplichtige, dienstverrichter, steeds schuldenaar is van de Belgische belasting die verschuldigd is, en dit overeenkomstig de algemene regel van artikel 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek.
Artikel 51, § 2, 1°, a), van voormeld wetboek kan niet worden toegepast omdat, gegeven het bestaan van een vaste inrichting hier te lande, deze dienstverrichter moet worden beschouwd als zijnde gevestigd in België, ook al komt de vaste inrichting materieel niet tussen in de uitvoering van de handelingen.
De factuur die de buitenlandse onderneming, dienstverrichter, richt aan haar klant, moet dan ook Belgische BTW in rekening brengen aan die klant; de bewuste factuur dient bovendien het Belgisch BTW-identificatienummer van de vaste inrichting in België te vermelden, evenals de volledige coördinaten van deze inrichting in België (benaming en adres).
2. Met betrekking tot de tweede vraag, is het eerst en vooral aangewezen om het geachte lid te preciseren dat de huidige, aan artikel 51, § 2, 1°, van voormeld wetboek aangebrachte wijziging volgt uit een wijziging die werd aangebracht op het niveau zelf van de richtlijn 77/388/EEG, in de opmaak van artikel 21 van deze richtlijn.
Bovendien past het, wat de mogelijke gevolgen op het vlak van de voldoening van de belasting betreft, om de volgende twee hypothesen in aanmerking te nemen.
Hetzij, eerste hypothese, de buitenlandse onderneming, dienstverrichter, volgt de regels die voortaan van toepassing zijn zoals die werden uiteengezet onder punt 1 hiervoor, meer bepaald inzake de vermeldingen op de factuur, en deze laatste voldoet dan de verschuldigde belasting, op dezelfde wijze waarop zij de verschuldigde belasting voldoet voor de handelingen verricht door haar Belgische inrichting.
In deze eerste hypothese, is het logisch dat de klant, ontvanger van de dienst, niet de verlegging van heffing toepast.
Hetzij, tweede hypothese, de buitenlandse onderneming, dienstverrichter, eerbiedigt de van toepassing zijnde regels niet en richt aan haar klant een factuur die noch de BTW vermeldt, noch de coördinaten en evenmin het Belgisch BTW-identificatienummer van haar vaste inrichting.
In deze tweede hypothese, betaalt de dienstverrichter de verschuldigde belasting niet, maar gaat zijn klant, afnemer van de dienst, misschien - ten onrechte - de verlegging van heffing toepassen en de verschuldigde belasting betalen.
Tot besluit, wat betreft de betaling van de belasting en indien de toepasselijke regels niet correct worden gevolgd, ligt het probleem veeleer in het feit dat hetzij de klant, afnemer van de dienst, ten onrechte de verschuldigde belasting betaalt, hetzij dat geen van de partijen deze belasting betaalt.
Gegeven zijnde dat een rondvraag bij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten niet van aard is om wat voor oplossing ook te bieden voor het hiervoor uiteengezette probleem, daarbij rekening houdend met de in het begin van onderhavig punt 2 gegeven precisering, was een dergelijke rondvraag dan ook overbodig.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.