---
title: "Parlementaire vraag 210 · Onroerende financieringshuur. Wedersamenstelling. Begrip optie"
description: "Onroerende financieringshuur. Wedersamenstelling. Begrip optie. Parlementaire vraag nr. 210 van 12 januari 2004 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/210-onroerende-financieringshuur-wedersamenstelling-begrip-optie-8785"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/210-location-financement-immeubles-reconstitution-notion-66e6"
---

# Onroerende financieringshuur. Wedersamenstelling. Begrip optie

**Nummer**

210

**Datum**

12 januari 2004

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

20 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 36, blz. 5542-5546**

*Onroerende financieringshuur - Wedersamenstelling - Begrip optie*

## **VRAAG**

Luidens [artikel 44, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) is de onroerende financieringshuur van gebouwen, gebruikelijk ook wel onroerende leasing genaamd, onder bepaalde voorwaarden onderworpen aan de BTW-. De wet geeft verder aan de Koning de opdracht om de voorwaarden te omschrijven waaraan het contract van onroerende financieringshuur moet voldoen, inzonderheid met betrekking tot de duur van het contract, de aard en de bestemming van de goederen die er het voorwerp van uitmaken, alsmede de rechten en plichten van de leasingnemer.

Het koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur (hierna: KB nr. 30 genoemd) bepaalt onder meer dat het totale bedrag van de sommen die door de leasingnemer moeten worden betaald tijdens de duur van het contract en ingevolge de eventuele lichting van de in hetzelfde artikel bedoelde optie het de leasinggever mogelijk moet maken het geïnvesteerd kapitaal, verhoogd met de intresten en de financiële lasten van de verrichting, integraal weder samen te stellen.

In het verleden gaven de administratieve teksten en toelichtingen rond deze voorwaarde duidelijk aan dat de periodieke vergoedingen en de optie in gelijke mate in aanmerking kwamen om de wedersamenstelling te beoordelen. Veelbetekenend in dit verband is de tekst van randnummer 31 van de [aanschrijving 10/1973](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/10-1973-aanschrijving-location-financement-immeubles-fins-9eac) die in haar huidige vorm nog steeds stelt: "Het is normaal dat de leasinggever, die toch een investering doet voor rekening van de leasingnemer, bij het einde van de handeling, het geïnvesteerde kapitaal kan terugkrijgen verhoogd met de intresten, de financiële en andere lasten en eventueel een winstmarge. Daarom is ook bepaald dat het totale bedrag van de sommen die door de leasingnemer moeten worden betaald tijdens de duur van het contract en ten gevolge van de eventuele lichting van de optie het de leasinggever mogelijk moet maken het geïnvesteerde kapitaal, verhoogd met de intresten en de financiële lasten van de handeling, integraal weder samen te stellen. Er weze overigens opgemerkt dat het bedrag dat moet worden betaald bij de lichting van de optie tamelijk laag kan zijn. Van belang is het totaal van de bedragen die moeten worden betaald zowel tijdens als op het einde van de handeling. De prijs die moet worden betaald bij de lichting van de optie mag evenwel niet bespottelijk laag zijn." Dezelfde tekst staat ook in de huidige BTW-Handleiding onder randnummer 61/2 en in het commentaar 122 (versie 1 januari 1986) onder randnummer 334.

Deze tekst en overduidelijk de voorlaatste zin geeft letterlijk aan dat de wedersamenstelling moet worden beoordeeld ten opzichte van de som van de bedragen die tijdens de overeenkomst verschuldigd zijn, de periodieke vergoedingen, en de bedragen die op het einde van de overeenkomst verschuldigd zijn, de aankoopoptie.

Voor zover het voorgaande nog niet duidelijk genoeg was, verklaarde u in een antwoord op een parlementaire vraag in het jaar 2000 dat "In de toestand waarin, ingevolge een algemene verlaging van de intrestvoeten, een vermindering van het bedrag van de periodiek verschuldigde sommen wordt toegestaan aan een huurder in de loop van het contract van onroerende financieringhuur bedoeld in [artikel 44, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) kan worden gesteld dat genoemd contract niettegenstaande de herberekening van de verschuldigde sommen blijft voldoen aan de voorwaarden van artikel 1 van voornoemd koninklijk besluit, voorzover het samengevoegd bedrag van het geheel van de te betalen vergoedingen tijdens de loop van het contract en van de onveranderd gebleven som, bepaald voor de lichting van de optie bij het einde van het contract, het de leasinggever nog steeds mogelijk maakt het geïnvesteerde kapitaal, het bedrag van de vroegere en nieuwe overeengekomen intresten, alsook de lasten van de verrichtingen, integraal weder samen te stellen." (Vraag nr. 349 van 23 mei 2000, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, nr. 38, blz. 4494.)

In het licht van de duidelijke tekst terzake van het koninklijk besluit nr. 30 is dit de enige juiste lezing. Bovendien heeft de administratie in het verleden bij controles, bij akkoorden met belastingplichtigen, naar aanleiding van vragen van belastingplichtigen en in haar teksten, deze lezing consistent toegepast.

Inderdaad met name in de financiële sector en bij onroerend goed investeringen worden zeer courant onroerende leasingovereenkomsten gesloten onder toepassing van de BTW terwijl de contractueel te storten termijnen, naast de rente en de kosten van de verrichting, niet de integrale wedersamenstelling dekken van het kapitaal dat de leasinggever in het gebouw heeft geïnvesteerd, de zogenaamde "non full pay out"contracten.

Toch is er recentelijk een verandering gekomen in de houding van de administratie. Diverse belastingplichtigen melden mij dat de ambtenaren hen informeel meedelen dat ze instructies hebben gekregen om vragen omtrent onroerende leasing door te verwijzen naar het hoofdbestuur en dat de administratie de toepassing van de BTW op onroerende leasing weigert tenzij wanneer er wedersamenstelling is in hoofde van de leasinggever enkel door middel van de contractueel te storten termijnen. Deze positie van de administratie wordt naar men mij meedeelt gebaseerd op uw toelichtingen naar aanleiding van een aantal parlementaire vragen. Zo stelt u, zonder verwijzing naar enige wettelijke basis, in antwoord op een vraag van de heer Leterme ([vraag nr. 251 van 3 maart 2000](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/251-onroerende-leasing-optieprijs-btw-leterme-e15b), Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, blz. 3649) "ten aanzien van de onroerende leasing is het dan ook de ratio legis dat inzonderheid het bedrag van het geïnvesteerde kapitaal, met andere woorden de inputverrichtingen waarvan de geheven BTW in de regel in aftrek wordt gebracht, vervat is in de tijdens de duur van het contract verschuldigde en belastbare huurtermijnen ". Op een vraag van mevrouw Moerman ([vraag nr. 1219 van 24 januari 2003](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1219-gemeenten-oprichting-autonome-gemeentebedrijven-onroerende-f34a), Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 163, blz. 21004) die dit punt terecht ter discussie stelt en aangeeft dat deze manier van handelen stellig contra legem is en strijdig met het evenredigheidsbeginsel geeft u eigenlijk een zeer onduidelijk antwoord door te zeggen dat wanneer een goed niet onder bezwarende titel, maar om niet of tegen een symbolische waarde, ter beschikking wordt gesteld van de leasingnemer het om een handeling buiten de werkingssfeer van de BTW gaat die, in hoofde van de leasinggever, niet de hoedanigheid van belastingplichtige doet ontstaan en bijgevolg ook geen recht op aftrek verleent. Opvallend is bovendien dat deze nieuwe standpunten alleen maar aan de orde komen wanneer de geachte collega's in hun vragen refereren naar openbare instellingen zoals gemeenten en autonome gemeentebedrijven.

1\. Kan u bevestigen dat bij de beoordeling van de wedersamenstellingsvoorwaarde bedoeld in KB nr. 30 zowel de periodieke vergoedingen als de optie in aanmerking dienen te worden genomen en dat bijgevolg de ratio legis geen voorwaarde toevoegt aan het KB nr. 30?

2\. Zo ja, kan u uw administratie instructie geven om de wet op eenvormige wijze toe te passen en zich niet te beroepen op een verklaring rond de ratio legis die manifest contra legem is?

3\. Als u van oordeel is dat de optie bedoeld in KB nr. 30 niet in aanmerking kan worden genomen om de wedersamenstellingsvoorwaarde te beoordelen, kan u dan toelichting geven omtrent de verenigbaarheid van dat standpunt met de tekst van het KB nr. 30 en omtrent de instructies die u aan uw administratie zal geven rond de invordering van de BTW die in hoofde van diverse leasinggevers in aftrek is gebracht op boekhoudkundige "non full pay out"-contracten?

4\. In dezelfde hypothese, overweegt u leasinggevers die zich op de duidelijke teksten van uzelf en uw administratie hebben gesteund om in het verleden "non full pay out"-leasings onder toepassing van BTW af te sluiten, te vergoeden voor de schade die zij tengevolge van de blijkbaar verkeerde inlichtingen hebben geleden?

5\. In de hypothese dat u van oordeel bent dat een onroerende leasing met relatief lage periodieke vergoedingen en een hoge optie moet beschouwd worden als een symbolische waarde die moet gelijkgesteld worden met een handeling om niet, kan u aangeven op welke wettelijke basis deze mening gesteund is?

6\. In de hypothese dat u van oordeel bent dat een onroerende leasing met relatief lage periodieke vergoedingen en een hoge optie moet beschouwd worden als een symbolische waarde die moet gelijkgesteld worden met een handeling om niet, kan u dan aangeven welke de minimumwaarde is, in absolute cijfers of in percentage, die de periodieke vergoedingen moeten bedragen om als handeling ten bezwarende titel te worden aanvaard door uw administratie?

7\. Is het antwoord op enige van de voorgaande vragen verschillend naargelang de leasinggever een openbaar bestuur, een VZW, een burgerlijke vennootschap, een handelsvennootschap dan wel een natuurlijk persoon is?

## **ANTWOORD**

(minister van Financiën, 09.06.2004)

Ik heb de eer het geachte lid mee te delen dat ik verwijs naar mijn [antwoord op zijn mondelinge vraag nr. 1895](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1834-onroerende-leasing-gemeentebedrijven-mondelinge-pinxten-0524) in de commissie voor de Financiën van 2 maart 2004. (Integraal Verslag, Kamer, 2003-2004, commissie van de Financiën, 2 maart 2004, COM 175, blz. 45).

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 2 voorkomens

## Administratieve doctrine

1

[Parlementaire vragen 1](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/210-onroerende-financieringshuur-wedersamenstelling-begrip-optie-8785/documenten?type=parlementaire-vragen)

« … toelichting behoeft bestaat er sedert enkele jaren onduidelijkheid over de toepassing ervan door de administratie. Noch het antwoord op Vraag nr. 251 van 3 maart 2003 van de heer Leterme (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, nr. 31, blz. 3649) of op mijn vraag nr. 210 van 12 januari 2004 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 20, blz. 2790) voldoet. Terwijl noch de wet, noch het koninklijk besluit spreken over minimale periodieke vergoedingen of over een maximale optie prijs antwoordde u mij dat door de administratie overleg wordt … »

[Onroerende financieringshuur](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/448-onroerende-financieringshuur-devlies-leasing-9319) Parlementaire vraag 27.07.2004

[Bekijk het document](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/210-onroerende-financieringshuur-wedersamenstelling-begrip-optie-8785/documenten)
