---
title: "Parlementaire vraag 203 · Roerend goed. leasing. maatstaf van heffing"
description: "Roerend goed. leasing. maatstaf van heffing, financieringshuur. Parlementaire vraag nr. 203 van 19 januari 2009 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/203-roerend-goed-leasing-maatstaf-heffing-faf9"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/203-bien-meuble-leasing-base-imposition-5fff"
---

# Roerend goed. leasing. maatstaf van heffing

**Nummer**

203

**Datum**

19 januari 2009

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

7 paragrafen

*Roerend goed*

*Leasing*

*Maatstaf van heffing*

## **VRAAG**

Behoort een roerend goed, na het aflopen van een contract betreffende de leasing van roerende goederen, kosteloos het gebouw aan waarvoor het bestemd was. Is in dat geval de btw verschuldigd? Zo ja, op welke grond?

## **ANTWOORD**

Opdat er sprake zou kunnen zijn van een roerende financieringshuur (of leasing) moet een overeenkomst voldoen aan de voorwaarden voorzien in het koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur (Belgisch Staatsblad van 14 november 1967). In dit opzicht is het inzonderheid van belang dat de huurder over de mogelijkheid beschikt om op het einde van de huur de eigendom van het gehuurde goed te verwerven, dit tegen betaling van een prijs die in de overeenkomst wordt bepaald en moet overeenstemmen met de vermoedelijke restwaarde van dat goed. Bijgevolg en zoals in het geval van een eenvoudige verhuur met aankoopoptie, heeft dit contract, ook wat de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde betreft, een gewone verhuur tot gevolg zolang de aankoopoptie niet werd gelicht. Deze verhuur vormt een dienst bedoeld in [artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18), en, wanneer deze dienst plaatsvindt in België overeenkomstig [artikel 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) van dit Wetboek, wordt de belasting berekend bij het verstrijken van elke periode waarop de huurgelden betrekking hebben, volgens de normale regels van artikel 26 van ditzelfde Wetboek. Bij het lichten van de optie wordt de verhuur opgevolgd door een verkoop; de levering vindt wat de Btw betreft plaats op hetzelfde tijdstip bij toepassing van artikel 16, § 2 van voornoemd Wetboek; artikel 26 voormeld is eveneens van toepassing wat de maatstaf van heffing betreft. Indien het gehuurd roerend goed daarentegen om niet (zoals door het geachte lid geschreven) - en derhalve automatisch - de eigendom zou worden van de huurder bij het verstrijken van de overeenkomst, zou er sprake zijn van een verkoop op afbetaling of een huurkoop, die beiden onmiddellijk aanleiding geven tot een verkoop. De situatie zou in feite deze zijn beoogd in artikel 14, paragraaf 2, b, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Krachtens dit artikel wordt de materiële overdracht van een goed ingevolge een overeenkomst volgens welke het goed gedurende een bepaalde periode in huur wordt gegeven of ingevolge een overeenkomst tot verkoop op afbetaling, onder het beding dat het goed normaal uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen, als een levering beschouwd. Hoewel deze communautaire bepaling niet als dusdanig werd omgezet in het Belgisch BTW-Wetboek, valt het beoogd geval in het toepassingsgebied van [artikel 10, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-10). Krachtens dit artikel wordt namelijk als een levering van een goed beschouwd de ter beschikkingstelling van de verkrijger of de overnemer ingevolge een contract tot overdracht of aanwijzing. De BTW is aldus in voorkomend geval verschuldigd vanaf de terbeschikkingstelling van het goed, hoewel de eigendomsoverdracht op een later tijdstip plaatsvindt. De maatstaf van heffing is aldus ab initio de prijs die contant zou zijn betaald en die, voor een verkoop op afbetaling, dient vermeld te worden in het contract overeenkomstig artikel 41, 1°, van de wet op het consumentenkrediet van 12 juni 1991 (Belgisch Staatsblad van 6 augustus 1991).

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-10) 1 voorkomen

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 1 voorkomen

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 1 voorkomen
