---
title: "Parlementaire vraag 200 · Inventarissen. Waarderingsgrondslag"
description: "Inventarissen. Waarderingsgrondslag. Parlementaire vraag nr. 200 van 6 augustus 1976 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/200-inventarissen-waarderingsgrondslag-willems-inventaris-ffce"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/200-inventaires-willems-inventaire-tva-8cfa"
---

# Inventarissen. Waarderingsgrondslag

**Nummer**

200

**Datum**

6 augustus 1976

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

15 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer**

*Inventarissen - Waarderingsgrondslag*

## **VRAAG**

Voor het invoeren van de BTW werden het merendeel van onze kleine- en middelgrote ondernemingen getaxeerd door de diensten der direkte belastingen op een forfaitaire wijze zonder dat een inventaris werd opgesteld en dus ook niet werd verrekend.

Door het invoeren van de BTW en ingevolge de mogelijkheid detaxatie te bekomen, hebben een aantal zelfstandigen vanaf 1 januari 1971 het opstellen van een inventaris in hun bedrijf ingevoerd wat sindsdien telkenjare regelmatig geschiedde.

Omwille van de fiskale weerslag die de verrekening van inventaris inzake direkte belastingen had, werden in veel bedrijven deze stockevolutie niet verrekend ten overstaan van de direkte belastingen maar het is zo dat deze inventaris wel speelt op stuk van BTW-toepassing.

Ingevolge een circulaire verwerpen de BTW-administraties echter het regelmatige van de inventaris om reden dat deze niet werd verrekend bij de direkte belastingen.

Deze zienswijze kan ik echter niet delen gezien het hier reeds gaat om een vrijwillige vooruitbetaling op het stuk van de direkte belastingen door het belasten van alle gedane aankopen, wat zeker niet kan worden ingeroepen dat deze plicht ook zou bestaan inzake BTW-betaling.

Ik meen zelfs dat het element dat al dan niet detaxatie werd aangevraagd, hier geenszins een rol speelt.

Mag ik vragen, Mijnheer de Minister, welke gedragslijn terzake de juiste is?

## **ANTWOORD**

De overlegging van regelmatige inventarissen verstrekt, voor het bepalen van de met BTW belastbare omzet en van de aan de inkomstenbelastingen onderworpen winst, een belangrijke waarderings-grondslag welke uiteraard gemeenschappelijk moet zijn voor de beide fiscale administraties die als opdracht hebben toezicht uit te oefenen op de heffing van die belastingen. Inderdaad, de vergelijking van de voorraden die blijken uit twee opeenvolgende inventarissen laat toe met meer nauwkeurigheid te bepalen hoeveel goederen tijdens het beschouwde boekjaar werden verkocht en welk het volume is van de handelingen die als zodanig aan de BTW onderworpen zijn en meteen rechtstreeks de aan de inkomstenbelasting onderworpen winst beïnvloeden.

In het kader van hun gemeenschappelijke gedragslijn op het stuk van de controle zijn de twee fiscale administraties er dus toe genoopt een zelfde houding aan te nemen ten opzichte van de inventarissen die hen worden overgelegd. Daaruit volgt dat één van die administraties een inventaris waarvan de onjuistheid door de andere zou zijn vastgesteld niet zal aannemen.

Evenzo is de belastingplichtige die een inventaris opstelt er toe gehouden deze aan de beide administraties over te leggen en aan te tonen dat zowel zijn omzet als de door hem aangegeven winst juist zijn. Het is inderdaad ontoelaatbaar dat-een inventaris zou worden overgelegd inzake BTW en niet inzake directe belastingen, en omgekeerd.

De toestand die door het geacht Lid geschetst wordt, is dus ongebruikelijk. Indien het om een bijzonder geval gaat, is de administratie bereid het te onderzoeken aan de hand van concrete gegevens die haar zouden worden verstrekt.
