---
title: "Parlementaire vraag 193 · Boekhouding. Bewijskracht"
description: "Boekhouding. Bewijskracht, boekhouden. Parlementaire vraag nr. 193 van 1 september 1992 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/193-boekhouding-bewijskracht-clippele-boekhouden-b27e"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/193-comptabilite-force-probante-clippele-2b7c"
---

# Boekhouding. Bewijskracht

**Nummer**

193

**Datum**

1 september 1992

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

49 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 1992, nr. 031, blz. 2107**

**Bull. Contr. 670, p. 530**

*Boekhouding - Bewijskracht*

## **VRAAG**

Met de modellen van kasregisters die op de markt beschikbaar zijn, kunnen - geheel of gedeeltelijk - volgende documenten worden verkregen:

A. Voor de klanten bestemde kassabons met vermelding van :

1\. de datum, de prijs van de artikelen (zonder enige beschrijving ervan) en het totaal;

2\. of de datum, de prijs van de artikelen (zonder enige beschrijving ervan) afgeleid van een codenummer verbonden aan bepaalde groepen van artikelen en het totaal. Dat codenummer identificeert uitsluitend een artikelengroep en niet het artikel zelf (voorbeeld: code 03 = verkoop van drank).

B. Banden met een integrale en doorlopende kopie van voornoemde kassabons, bestaande uit:

1\. banden in scheikundig papier verkregen door het doordrukken van de kassabons;

2\. of los van de kassabon, maar wel terzelfder tijd met de kasbon gedrukte banden;

3\. of niet terzelfder tijd met de kassabon gedrukte banden : de elementen van de kassabons worden gememoriseerd door het toestel, dat de band bijvoorbeeld later op de dag kan drukken.

C. Band met het dagtotaal van de verkoop en eventuele verdeling ervan volgens de codes sub A, 2, meer bepaald een band gedrukt :

1\. in het verlengde van de band B;

2\. of los ervan.

Met sommige modellen kan de band sub B niet worden verkregen. Sommige belastingplichtigen die over een met de functie sub B uitgeruste kassa beschikken :

a) gebruiken die functie niet;

b) gebruiken die functie wel, maar bewaren de aldus verkregen banden niet;

c) bewaren uitsluitend de banden sub C.

Mijn vragen zijn de volgende:

1\. Hoe verenigt u het Comm. WIB 246/24 en het arrest van het Hof van cassatie van 10 januari 1968 (BB 459, blz.98) met de volgende arresten : Brussel 30 juni 1987 (BB 670, blz.530), Brussel 21 mei 1985, Gent 26 april 1985 en Antwerpen 29 maart 1988 ?

2\. In de veronderstelling dat de detailverkoop nauwkeurig wordt geregistreerd :

a) wat zijn, in verband met de in het eerste lid van deze vraag opgezonden stukken, de combinaties van documenten die het boeken van de detailverkoop bewijskracht verlenen, en waarom ?

b) welke zijn, integendeel, de combinaties zonder bewijskracht, en waarom ?

3\. Is de boekhouding van de detailhandel al dan niet bewijskrachtig in elk van de in het 2de en 3de lid van deze vraag bedoelde gevallen, en waarom ?

4\. Volgens geruchten kan met bepaalde kasregisters aan de klant een kassabon worden verstrekt:

\- zonder vermelding ervan op de banden sub B en C;

\- en zonder memorisatie van het bedrag.

Is dat zo ? Wat zijn de fiscale gevolgen hiervan ?

5\. Voert uw administratie technische controles van de op de markt aanwezige kasregisters uit om de mogelijkheden van belastingontduiking op te sporen ?

Zo ja, kan de administratie de lijst van gecontroleerde toestellen meedelen met de beoordeling ervan op het stuk van hun fiscale betrouwbaarheid ?

De belastingplichtigen moeten weten welke kasregisters "te mijden" zijn, zodat zij zich kunnen beveiligen tegen het ongunstig vooroordeel van de administratie dat ontstaat wanneer zij in het bezit zijn van dergelijk kasregister.

6\. Ontslaat het bewaren van alle of een deel van de in het eerste lid van deze vraag bedoelde documenten de belastingplichtigen van de verplichting de dagtotalen van zijn detailverkoop in te schrijven in het door het BTW-wetboek daartoe bestemde register ? Zo ja, welke documenten moeten worden bewaard ?

7\. In het algemeen :

a) welke zijn de technische en programmatie normen waaraan de kasregisters moeten beantwoorden;

b) welke inhoudelijke en vormelijke regels moeten de gebruikers van die toestellen naleven om de boekhouding van de met die kassa's geregistreerde detailverkoop bewijskracht te geven ?

Het is onontbeerlijk :

\- dat de belastingplichtige die zijn detailverkoop nauwkeurig heeft geregistreerd, deze kan bewijzen aan de hand van een door uw administratie goedgekeurde administratieve organisatie;

\- dat in dat verband derhalve een duidelijke en eenvormige houding wordt bepaald om willekeur en een verschillende behandeling, naargelang van de controle, te voorkomen.

## **ANTWOORD**

1\. De grote verscheidenheid van de situaties die zich kunnen voordoen verklaren de wisselende rechtspraak betreffende de bewijskracht van de verantwoordingsstukken van verkoopverrichtingen en dienstverleningen in het klein waarvoor het opstellen van een factuur niet is vereist.

De door de kasregisters geproduceerde verantwoordingsstukken moeten samen met de boeken en de andere boekhouddocumenten een samenhangend, nauwkeurig en controleerbaar geheel vormen.

Wanneer zulks niet het geval is, loopt de belastingplichtige het risico dat zijn boekhouding elke bewijskracht wordt ontzegd.

2 en 3. De in aanmerking komende combinaties van bescheiden zijn diegene die beantwoorden aan de in punt 1 vermelde verplichting, wat inzonderheid inhoudt dat ze het moeten mogelijk maken, rekening houdend met de eigen kenmerken van het geval, de binnenkomende en de uitgaande goederen afdoende te vergelijken en de aard en de belangrijkheid van de verkochte goederen en de geleverde diensten vast te stellen.

4\. Het gebruik van dergelijke mogelijkheden vormt een indicie van belastingontduiking die, indien ze wordt bewezen, volgens de gebruikelijke regels zal worden behandeld.

5\. Het antwoord is ontkennend. Het is de taxatieambtenaar die, bij de verificatie bij de belastingplichtige, de door het kasregister geboden mogelijkheden en het gebruik dat ervan wordt gemaakt, vaststelt.

6\. Het antwoord op de eerste vraag luidt ontkennend.

Overigens, de inschrijvingen in het dagboek bedoeld in artikel 12, eerste lid, 3 o, van het koninklijk besluit nummer 1, van 23 juli 1969, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, doen evenmin afbreuk aan de verplichting om de in de eerste alinea, onder B en C van uw vraag beoogde stukken te bewaren in de mate waarin zij geviseerd zijn in artikel 11 van vermeld koninklijk besluit - of nog, wanneer zij geviseerd zijn in het tweede lid van dat artikel 60, bijvoorbeeld omdat het boekingsstukken zijn.

Bxl, 30-06-87, Gent, 26-04-85, Link Antwerpen, 29-03-88, Link
