---
title: "Parlementaire vraag 1824 · Vaste inrichting"
description: "Vaste inrichting, plaats van de dienst, verwerking, maakloonwerk, vestiging. Parlementaire vraag nr. 1824 van 21 december 2023 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1824-vaste-inrichting-josy-arens-plaats-2f0f"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/1824-etablissement-stable-josy-arens-lieu-a5d8"
---

# Vaste inrichting

**Nummer**

1824

**Datum**

21 december 2023

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

29 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 1824 van de heer Josy Arens d.d. 21.12.2023

**Kamer, Vragen en Antwoorden, 2023-2024, QRVA 55/128 d.d. 06.02.2024, blz. 181**

Vraag nr. 1824 van De heer volksvertegenwoordiger Josy Arens van 21 december 2023 (Fr.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding:

*Btw. - Vaste inrichting.*

## **VRAAG**

Op mijn vraag of het vanuit wettelijk standpunt gerechtvaardigd is om voor het bepalen van de plaats van dienstverlening een onderscheid te maken naargelang een ondernemer die goederenverwerkingsdiensten levert in België die diensten al dan niet uitsluitend levert aan een in het buitenland gevestigde btw-plichtige ([vraag nr. 272 van 1 maart 2021](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/272-vaste-inrichting-josy-arens-buitenlandse-1789), Schriftelijke vragen en antwoorden, Kamer, 2020-2021, nr. 47, p. 183), hebt u het volgende geantwoord: "Wanneer een in België gevestigde als zodanig handelende belastingplichtige een dienst van maakloonwerk verricht voor een uitsluitend in een andere lidstaat gevestigde als zodanig handelende belastingplichtige, dan wordt die dienst overeenkomstig [artikel 21, § 2, van het btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) geacht plaats te vinden in laatstgenoemde lidstaat. Aangezien de dienst in dat geval niet in België plaatsvindt is ze in principe niet in België onderworpen aan de btw."

**1.** Wanneer u het hebt over 'uitsluitend gevestigd' in een andere lidstaat van de Europese Unie, op welke wettelijke bepaling of interpretatie van hoven en rechtbanken doelt u dan? Welk onderscheid maakt u tussen een 'uitsluitende' vestiging en een vestiging?

**2.** Buiten de zaak die het voorwerp uitmaakte van een recent arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende het begrip 'vaste inrichting' (zaak [C-232/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-232-22-arrest), C. P0 B.), hoeveel geschillen rond 'het uitsluitend leveren van diensten aan een in België gevestigde maakloonwerker' zijn er nog hangende voor een rechtbank? Welke doelstelling beoogde de administratie waarover u het gezag uitoefent, toen ze oordeelde dat een maakloonwerker uitsluitend voor btw-doeleinden de vaste inrichting was van zijn in het buitenland gevestigde opdrachtgever? Wat is het bedrag aan verwachte fiscale ontvangsten in geval van een succesvolle afloop van die rechtszaken, rekening houdend met het feit dat de verschillende betrokken partijen een volledig recht op btw-aftrek hadden?

## **ANTWOORD**

**van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 06.02.2024:**

**1.** Ik vestig uw aandacht op het feit dat er, in het antwoord van 14 april 2021 op [vraag nr. 272 van 1 maart 2021](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/272-vaste-inrichting-josy-arens-buitenlandse-1789) waarnaar u verwijst (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2020- 2021, nr. 47 van 15 april 2021), niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar het begrip van een exclusieve inrichting in een andere lidstaat van de Europese Unie.

Voor de toepassing van [artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) past het om rekening te houden met de begrippen "zetel van bedrijfsuitoefening" en van "vaste inrichting" zoals die zijn opgenomen en gedefinieerd in de artikelen 10 en 11.1 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/ 2011 van de Raad van 15 maart 2011.

**2.** Er bestaat geen enkel gecentraliseerd statistisch gegeven met betrekking tot het aantal lopende gedingen over dit specifieke thema. Bijgevolg beschikt de administratie niet over de statistische gegevens die toelaten te antwoorden op deze vraag.

Allereerst moet het doel van de controles worden verduidelijkt. In principe gaat het er niet om te beoordelen of een loonwerker, of meer in het algemeen een dienstverlener, voor btw-doeleinden de vaste inrichting is van zijn in het buitenland gevestigde opdrachtgever (afnemer van de dienst). Het komt er veeleer op aan om aan de hand van feitelijke elementen na te gaan of, ten eerste, de afnemer een vaste inrichting heeft op het hoofdkantoor van de dienstverrichter in België of elders in België en, ten tweede, of deze vaste inrichting de werkelijke en exclusieve ontvanger of afnemer van de betrokken diensten is.

Het is belangrijk om te onthouden dat de doelstellingen van directe belastingen en btw gebaseerd zijn op verschillende regelgevende kaders. (In het geval van directe belastingen is het doel in wezen om de juiste belastbare vergoeding van elk van de entiteiten te bepalen op basis van de risico's die alle betrokken partijen nemen. De garantie van een correcte belastingheffing wordt met name gewaarborgd door de regels voor verrekenprijzen). Voor btw-doeleinden is het in wezen een kwestie van bepalen waar de diensten daadwerkelijk worden afgenomen. Zoals het Het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU-Hof) steeds heeft benadrukt, is de logica achter de bepalingen inzake de plaats van de diensten dat de belastingheffing zoveel mogelijk moet plaatsvinden op de plaats waar de goederen en diensten worden afgenomen (zie in die zin arresten van 7 april 2022, B. C., [C-333/20](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-333-20-arrest), punt 43, van 8 december 2016, A en B, [C-453/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-15-arrest), EU: C:2016:933, punt 25, en van 13 maart 2019, S. k., [C-647/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-647-17-arrest), EU:C:2019:195, punt 29)

De primaire doelstelling heeft daarom betrekking op de juiste plaats van de diensten. Op dit punt blijkt uit de vaste rechtspraak van het EU-Hof dat het nuttigste - en dus het voornaamste - aanknopingspunt voor het bepalen van de plaats van de dienst vanuit fiscaal oogpunt de plaats is waar de belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. Het in aanmerking nemen van een andere inrichting is slechts van belang ingeval die zetel niet tot een rationele oplossing leidt of een conflict met een andere lidstaat doet ontstaan (zie arrest van 16 oktober 2014, W., [C-605/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-605-12-arrest), punt 53). Ook met dit aspect moet dus rekening worden gehouden, en op het eerste zicht lijkt het bijvoorbeeld niet rationeel dat een onderneming haar aankopen van grondstoffen voor de vervaardiging van haar eindproducten en de verkoop van die eindproducten in de ene lidstaat vestigt, en de diensten die zij voor de vervaardiging van haar eindproducten ontvangt, in een ander land, ook al worden die diensten fysiek in datzelfde land verricht.

In [artikel 53, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-53) is bepaald dat wanneer een belastingplichtige een vaste inrichting heeft op het grondgebied van de lidstaat waar de btw is verschuldigd, die vaste inrichting wordt geacht niet betrokken te zijn bij de goederenlevering of dienst in de zin van artikel 192bis, punt b), van Richtlijn 2006/112/EG, tenzij het personeel en het technisch materieel van deze vaste inrichting door deze belastingplichtige worden ingezet voor handelingen die inherent zijn aan het verrichten van de belastbare goederenlevering of dienst in die lidstaat, vóór of tijdens die verrichting.

Wanneer de middelen van de vaste inrichting uitsluitend worden ingezet voor administratieve ondersteunende taken zoals boekhouding, facturering en schuldinvordering, worden zij niet geacht te worden ingezet voor het verrichten van de goederenlevering of dienst.

Wanneer een factuur evenwel wordt uitgereikt onder het btw-identificatienummer dat is toegekend door de lidstaat van de vaste inrichting, wordt die vaste inrichting geacht betrokken te zijn bij de in die lidstaat verrichte goederenlevering of dienst, tenzij het tegendeel is bewezen.

Bij het bepalen van de plaats van belastingheffing van diensten wijst het EU-Hof er ook op dat de in aanmerkingneming van de economische realiteit een fundamenteel criterium vormt voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw en het systematisch toepassen van de oplossing van de zetel van de bedrijfsuitoefening zou overigens tot verstoringen van de mededinging kunnen leiden, aangezien het ondernemingen die activiteiten in een lidstaat verrichten, ertoe dreigt aan te zetten om, teneinde aan belastingheffing te ontsnappen, hun zetel te vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat, die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de betrokken diensten te blijven vrijstellen van btw (Cfr arrest van 20 februari 1997, D., [C-260/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-260-95-arrest), punt 23).

In het arrest van 29 juni 2023 (Zaak [C-232/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-232-22-arrest), C. P. B., punt 36) dat werd aangehaald in uw vraag, wijst het HvJEU erop dat met betrekking tot de omstandigheid dat de dienstverrichter en de dienstontvanger met elkaar verbonden zijn en met name dat de vennootschappen in het hoofdgeding deel uitmaken van hetzelfde concern terwijl zij juridisch gescheiden entiteiten zijn, zij eraan herinnert dat het Hof heeft geoordeeld dat de kwalificatie als "vaste inrichting" dient te worden beoordeeld aan de hand van de economische en commerciële realiteit en niet enkel kan afhangen van het juridische statuut van de betrokken entiteit, en dat het feit dat een vennootschap een dochteronderneming heeft in een lidstaat, op zich niet betekent dat zij daar ook een vaste inrichting heeft (zie ook, arrest van 7 april 2022, B. C. A. M., [C-333/ 20](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-333-20-arrest), EU:C:2022:291, punten 38 en 40).

Er zij ook op gewezen dat het EU-Hof in hetzelfde arrest (punt 38) oordeelt dat het feit dat het personeel en de technische middelen niet aan de dienstontvanger maar aan de dienstverrichter toebehoren, niet als zodanig uitsluit dat de dienstontvanger over een vaste inrichting in België beschikt, mits deze vennootschap daar onmiddellijk en duurzaam toegang heeft tot deze middelen alsof het haar eigen middelen waren. In dit verband kan met name rekening worden gehouden met de omstandigheden, zonder dat zij doorslaggevend zijn, dat - zoals uit het aan het Hof voorgelegde dossier blijkt - de dienstverrichter zich ertoe verbonden heeft haar eigen uitrusting uitsluitend te gebruiken voor de vervaardiging van de in de overeenkomst met de dienstontvanger bedoelde producten, deze overeenkomst sinds 2012 geldt en deze diensten nagenoeg de volledige omzet van de dienstverrichter uitmaken.

Voor de beoordeling van de economische realiteit is met name vereist dat de economische onafhankelijkheid van in België gevestigde dienstverrichters reëel is. Om vast te stellen of een economische activiteit zelfstandig wordt verricht, moet worden nagegaan of de betrokken persoon zijn activiteiten in eigen naam, voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid verricht en of hij het aan die activiteiten verbonden economische risico draagt (arrest van 12 oktober 2016, F. W., C340/15, punt 28).

Nog steeds in deze context moeten de belastingdiensten ook de economische realiteit verifiëren en de afwezigheid van kunstmatige constructies die bestaan in het opsplitsen van de activiteiten tussen verschillende entiteiten, zelfs als deze juridisch onafhankelijk zijn.

Op dit punt stelt het EU-Hof in het bijzonder dat het afhankelijk stellen van het bestaan van een vaste inrichting van de voorwaarde dat het personeel van deze vaste inrichting gebonden is door een arbeidsovereenkomst met de belastingplichtige zelf en dat de materiële middelen hem toebehoren, enerzijds zou neerkomen op een zeer restrictieve toepassing van het criterium in de bewoordingen van [artikel 11, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-11). Voorts draagt een dergelijk criterium niet bij tot een grote rechtszekerheid bij de bepaling van de plaats waar diensten fiscaal moeten worden geacht te zijn verricht, indien het voor de overdracht van belasting over diensten van de ene lidstaat naar een andere zou volstaan dat een belastingplichtige zijn behoefte aan personeel en zijn materiële behoeften dekt door een beroep te doen op verschillende dienstverrichters (Arrest van 07 april 2022, B. C., [C-333/20](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-333-20-arrest), punt 45).

Tot slot heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), naast de richtsnoeren van het EU-Hof, in 2017 ook internationale btw-richtsnoeren uitgevaardigd om met name de risico's van dubbele heffing en niet-heffing in de internationale handel te beperken en de beginselen van neutraliteit en billijkheid in btw-aangelegenheden te herhalen. Zo bepaalt richtsnoer 2.2 dat bedrijven die zich in vergelijkbare situaties bevinden en vergelijkbare transacties verrichten, aan vergelijkbare belastingniveaus moeten worden onderworpen, terwijl richtsnoer 2.4 specificeert dat, wat het belastingniveau betreft, buitenlandse bedrijven niet mogen worden gestraft of bevoordeeld ten opzichte van bedrijven in het rechtsgebied waar de belasting verschuldigd of betaald is.

Een buitenlandse belastingplichtige die een vaste inrichting in België heeft, moet zich daarom met betrekking tot de Belgische btw in dezelfde positie bevinden als een belastingplichtige die zijn maatschappelijk zetel of statutaire zetel in België heeft (btw-commentaar, boek 1, hoofdstuk 1, afdeling 10).

Naast de regels inzake de beperking van het recht op aftrek, mogen de regels inzake wie de btw moet betalen, de voorfinanciering van de btw en de verschillende facturerings- en rapporteringsverplichtingen de concurrentie tussen belastingplichtigen dus geenszins verstoren (zie blz. 40 van het OESO-document).

De maatregel van de administratie is dus niet ingegeven door een rendementsdoelstelling, maar eerder door het eerbiedigen van de reglementaire bepalingen die deze billijkheid tussen Belgische en buitenlandse ondernemingen waarborgen.

Ik verwijs u naar mijn antwoord op uw vraag over hetzelfde onderwerp, nr. 272 van 1 maart 2021, Vragen en antwoorden, Kamer, 2020-2021, nr. 47, blz. 183, punt 4: "De btw-bepalingen betreffende de plaats van de handelingen en betreffende de vaste inrichting zijn communautaire bepalingen die strikt gebaseerd zijn op Richtlijn 2006/112/ EG van de Raad van 28 november 2006 en de voornoemde Uitvoeringsverordening nr. 282/2011 die ter uitvoering van die richtlijn is vastgesteld. Deze bepalingen moeten dus in alle lidstaten van de Europese Unie op dezelfde wijze worden geïnterpreteerd om gevallen van dubbele belastingheffing of niet-heffing te voorkomen. Bij de vaststelling van deze criteria kan derhalve nooit rekening worden gehouden met overwegingen inzake het nut of de budgettaire gevolgen ervan".

## Aangehaalde teksten

9

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 2 voorkomens

[uitvoeringsverordening 282/2011 art. 11](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-11) 1 voorkomen

[uitvoeringsverordening 282/2011 art. 53](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-53) 1 voorkomen

[C-232/22, arrest van 29 juni 2023](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-232-22-arrest) 2 voorkomens

[C-333/20, arrest van 7 april 2022](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-333-20-arrest) 2 voorkomens

[C-260/95, arrest van 20 februari 1997](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-260-95-arrest) 1 voorkomen

[C-453/15, arrest van 8 december 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-15-arrest) 1 voorkomen

[C-605/12, arrest van 16 oktober 2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-605-12-arrest) 1 voorkomen

[C-647/17, arrest van 13 maart 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-647-17-arrest) 1 voorkomen
