Gezinsvriendelijke fiscale maatregelen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

182 30 april 1990

Zoeken

Gezinsvriendelijke fiscale maatregelen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/182-gezinsvriendelijke-fiscale-maatregelen-seny-7e04

Nummer
182
Datum
30 april 1990

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

24 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

Gezinsvriendelijke fiscale maatregelen

VRAAG

Kan u mij meedelen:

1. Welke maatregel(en) u of uw bestuur genomen heeft of zal nemen ten gunste van de (al dan niet grote) gezinnen en ter bevordering van de nataliteit;

2. Welke maatregelen ter zake reeds bestonden voordat u de leiding van het departement overnam?

ANTWOORD

Eén van de doelstellingen van het op mijn initiatief neergelegde ontwerp dat de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen is geworden ( Belgisch Staatsblad van 16 december 1988), was de personenbelasting gezins- en kindvriendelijker te maken.

Weliswaar werden door mijn voorgangers reeds verschillende maatregelen in die zin getroffen. Aldus genoten de gehuwde personen een belastingvermindering. Evenzo, gaf het aantal kinderen ten laste aanleiding tot verschillende belastingverminderingen.

De wet van 7 december 1988 evenwel verwezenlijkt deze doelstelling grondiger en bevat specifiekere maatregelen.

Het gelieve het geachte Lid derhalve hierna de voornaamste maatregelen te vinden die sedert mijn aankomst bij het departement ten gunste van de gezinnen zijn uitgewerkt.

Inzake personenbelasting, betreft het inzonderheid:

- het afzonderlijk in aanmerking nemen van de beroepsinkomsten van echtgenoten voor de berekening van de belasting;

- de nieuwe huwelijksquotiëntregeling waarbij in gezinnen waarin slechts één echtgenoot een beroepsinkomen heeft (alleenverdiener), een deel daarvan (nl. 30 pct. met een maximum van 270.000 frank) aan de andere echtgenoot wordt toegerekend en als een eigen inkomen van deze laatste wordt beschouwd (met eigen aftrekmogelijkheden, eigen tarief en eigen belastingvrije som);

- een soepeler regeling voor de toekenning van een deel van de beroepsinkomsten aan de echtgenoot die de andere werkelijk bijstaat in diens beroepsuitoefening, zelfs wanneer die «helper» of «helpster» een persoonlijk beroepsinkomen tot 350.000 frank geniet;

- de aftrek van een deel van de opvangkosten voor kinderen beneden drie jaar die in kinderdagverblijven of bij opvanggezinnen worden ondergebracht, resp. een vervangende verhoging van de belastingvrije som met 10.000 frank voor ouders die hun kinderen beneden drie jaar zelf verzorgen.

Bovendien zijn de verminderingen voor kinderen ten laste vervangen door toelagen op de belastingvrije som.

Inzake onroerende voorheffing:

A. Terwijl vroeger de vermindering van de onroerende voorheffing voor kinderen of gehandicapte personen ten laste van het gezinshoofd ingevolge artikel 162, § 1, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen slechts kon worden verleend op een binnen de normale bezwaartermijnen ingediende aanvraag van de belastingschuldige van deze voorheffing, heeft artikel 277, § 3, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 54 van de wet van 4 augustus 1986, het mogelijk gemaakt ambtshalve de ontheffing te verlenen die overeenstemt met het bedrag van de vermindering, voor zover het tot die vermindering aanleiding gevende feit door de administratie is vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie is bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar.

Deze laatste bepaling heeft vooral talrijke huurders in de gelegenheid gesteld om, zonder enige bemiddeling van de eigenaar, de vermindering te genieten waarop zij wettelijk aanspraak hadden.

B. Vanaf aanslagjaar 1990 bepaalt artikel 6, § 7, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen dat inzake de vermindering van onroerende voorheffing, het begrip «kind» overeenstemt met datgene dat geldt inzake personenbelasting, hetgeen een ruimere notie inhoudt dan de vorige.

Om volledig te zijn voeg ik er nog aan toe dat de Wetboeken der registratie-, successie- en zegelrechten en het BTW-Wetboek eveneens bepalingen bevatten die het bevoordeligen van de gezinnen beogen.

Onder deze bepalingen vernoem ik, enkel bij wijze van voorbeeld, het artikel 44, § 2, 1°, 2° en 5°, van het BTW-Wetboek tot toekenning van bepaalde vrijstellingen. Genieten aldus vrijstelling van BTW de diensten voor gezinshulp en de diensten die in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid verstrekt worden door kinderbewaarplaatsen enzuigelingentehuizen, door instellingen erkend door de bevoegde overheid en die, ingevolge hun statuten, in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben, alsook bepaalde er nauw mee samenhangende leveringen van goederen. De dienstverrichtingen betreffende de gezinsvoorlichting zijn eveneens vrijgesteld van de belasting.

Tenslotte wens ik het geachte Lid erop te wijzen dat naderhand initiatieven zullen genomen worden in het kader van een programma ter verbetering van de voorlichting van de belastingplichtigen in verband met de fiscale bepalingen waarop zij aanspraak kunnen maken.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 441 voorkomen