---
title: "Parlementaire vraag 177 · Vennootschappen. Artikel 44, §3, 10° van het BTW-wetboek. Vrijstelling"
description: "Vennootschappen. Artikel 44, §3, 10° van het BTW-wetboek. Vrijstelling. Parlementaire vraag nr. 177 van 23 december 1999 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/177-vennootschappen-artikel-44-btw-wetboek-31be"
lang: "nl"
---

# Vennootschappen. Artikel 44, §3, 10° van het BTW-wetboek. Vrijstelling

**Nummer**

177

**Datum**

23 december 1999

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

15 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 1999, nr. 016 , blz. 1726-1727**

*Vennootschappen -* [*Artikel 44, §3, 10° van het BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) *- Vrijstelling*

## **VRAAG**

Vennootschap A die BTW-plichtig is, levert, wat het verhandelen van effecten betreft, dezelfde diensten als een financiële instelling.

De diensten worden geleverd aan de cliënten van vennootschap B die effecten verhandelt. De contracten worden gesloten tussen de vennootschap B en haar cliënten. De naam van vennootschap A wordt ten aanzien van haar cliënten niet vermeld. Bovendien gaat A geen verplichtingen aan ten aanzien van hen. A stuurt, in naam van B, documentatie en post door naar de cliënten. Aangezien de cliënten met B een contract hebben gesloten, is het ook B die hen die verrichtingen aanrekent. Voor die facturering geniet de cliënt de vrijstelling bepaald in [artikel 44, § 3, 100, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44).

In de zaak [C-2/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-2-95-arrest), - het Sparekassernes Datacenter - besliste het Hof van justitie van de Europese Gemeenschappen dat de BTW-vrijstelling bepaald in [artikel 13B, onder d), punten 3 en 5, van de zesde richtlijn 77/388](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) niet afhankelijk is van de voorwaarde dat de dienst wordt verricht door een instelling die een rechtsbetrekking onderhoudt met de uiteindelijke cliënt.

Voorts besliste het Hof dat tot de diensten met betrekking tot effecten ook de diensten geleverd door een computercentrum behoren, op voorwaarde dat die diensten een afzonderlijk geheel vormen, dat de kenmerkende en essentiële functies van die diensten vervult (arrest van 5 juni 1997, Rec. , I, 3017).

In mijn voorbeeld worden de diensten die vennootschap A aan vennootschap B factureert op grond van [artikel 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), [3, 10°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3) van het BTW-Wetboek, dus vrijgesteld voor zover A het geheel van de dienst verhandeling van de effecten van de diensten van de vennootschap B materieel uitvoert.

1\. Bent u het met mijn interpretatie eens?

2\. Zo neen, blijft het antwoord negatief wanneer de vennootschap B niet over voldoende personeel beschikt om de bewuste diensten uit te voeren?

## **ANTWOORD**

Het is juist dat, zoals het geachte lid opmerkt, het Hof van justitie van de Europese Gemeenschappen, dat verzocht werd om zich uit te spreken over de draagwijdte van de uitzondering van artikel 13, B, sub d), punt 5, van de zesde EG-richtlijn, omgezet in artikel 44, § 3, 10°, van het Belgisch BTW-Wetboek, in haar arrest van 5 juni 1997 (zaak [C-2/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-2-95-arrest), Sparekassernes Datacenter) eraan herinnerd heeft dat de toepassing van de vrijstelling moet worden beoordeeld in functie van de aard van de verstrekte diensten en niet in functie van de dienstverrichter of van de ontvanger van de diensten aangezien deze bepaling nergens verwijst naar laatstgenoemden.

Er dient evenwel opgemerkt te worden dat, anderzijds, het Hof heeft verduidelijkt dat, aangezien [artikel 13, B, sub d) , van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) strikt moet worden geïnterpreteerd, het louter feit dat een onderdeel onmisbaar is om een vrijgestelde handeling te verwezenlijken, niet toelaat te besluiten tot de vrijstelling van de dienst die overeenstemt met dat onderdeel. Aldus oordeelt het Hof dat, om zelf te worden aangemerkt als vrijgestelde verrichting in de zin van artikel 13, B, sub d) , punt 5, de verstrekte dienst over het geheel genomen een afzonderlijk geheel moet vormen, dat de kenmerkende en essentiële functies vervult van de handeling waarvan het een bestanddeel vormt. In dit verband wijst het Hof er op dat de verstrekte dienst tot gevolg moet hebben dat er wijzigingen in de juridische en financiële toestand van de partijen tot stand worden gebracht.

Bijgevolg heeft het Hof besloten dat, om de in de zin van de richtlijn vrijgestelde diensten te onderscheiden van een gewone materiële of technische dienst, in het bijzonder de omvang van de aansprakelijkheid van de dienstverrichter (vennootschap A in het voorbeeld van het geachte lid) tegenover de ontvanger van de dienst (vennootschap B) moet worden onderzocht, en meer bepaald de vraag of deze aansprakelijkheid beperkt is tot de technische aspecten of dat zij zich daarentegen uitstrekt tot de specifieke en essentiële elementen van de handelingen uitgevoerd door de vennootschap B tegenover haar klanten, namelijk de juridische en financiële wijziging die uit deze handelingen volgen.

Het geachte lid zal zeker begrijpen dat de beoordeling van de door de Hof gedefinieerde criteria een grondig onderzoek vergt van de feitelijke en juridische elementen eigen aan elk geval. Indien hij een concreet geval beoogt, nodig ik hem uit het mij mee te delen. Ik zal het ter onderzoek voorleggen aan mijn administratie.

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 3 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) 2 voorkomens

[WBTW art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3) 1 voorkomen

[C-2/95, arrest van 5 juni 1997](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-2-95-arrest) 2 voorkomens
