Vr. en Antw., Senaat, 1972-1973, nr. 8 , blz. 301
Forfaitaire regelingen inzake BTW en directe belastingen
VRAAG
In bepaalde bedrijfssectoren werden inzake BTW forfaitaire grondslagen van aanslag vastgesteld.
Naar verluidt werden voor sommige van die sectoren ook forfaitaire akkoorden afgesloten inzake inkomstenbelastingen, maar op een verschillende basis.
Graag vernam ik van de geachte Minister of dit juist is en hoe deze verschillen te verklaren zijn.
Dient hier niet gestreefd naar eenvormigheid?
ANTWOORD
Ten aanzien van de bedrijfssectoren waarvoor zowel inzake BTW als inzake inkomstenbelastingen forfaitaire regelingen zijn ingesteld, wordt het onderzoek van die regelingen toevertrouwd aan een college dat is samengesteld uit vier hogere ambtenaren van elk der administraties van de BTW en van de Directe Belastingen. Dit college tracht in de mate van het mogelijke de door het geachte lid gewenste eenvormigheid tot stand te brengen.
De geringe verschillen die kunnen ontstaan tussen de inzake BTW ingestelde forfaitaire grondslagen en die welke inzake inkomstenbelangen van toepassing zijn, zijn inherent aan het verschil in de wijze waarop die twee belastingen worden geheven.
Inderdaad, inzake BTW worden ieder jaar in de loop van het vierde kwartaal voorlopige forfaitaire grondslagen vastgesteld voor het berekenen van de belasting die in de loop van het volgend jaar zal moeten worden betaald door de belastingplichtigen die aan de forfaitaire regeling onderworpen zijn. In de loop van het jaar waarin ze van toepassing zijn wordt er nagegaan of die grondslagen met de werkelijkheid overeenstemmen, aan de hand van vaststellingen die zowel door de BTW-administratie als door de administratie der Directe Belastingen worden verricht. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de wijzigingen, die sinds het vaststellen van de voorlopige grondslagen in de samenstellende elementen van het forfait zijn ingetreden, de forfaitair berekende omzet niet met ten minste 2 pct. verhogen of verminderen, worden de voorlopige grondslagen als definitief beschouwd (zie koninklijk besluit nr. 2, van 7 november 1969, art. 7). In dit geval moet er dus niet worden overgegaan tot een herziening van de BTW-aangiften die werden ingediend door de belastingplichtigen die aan de forfaitaire regeling onderworpen zijn.
De bovenbedoelde vaststellingen worden eveneens aangewend voor het bepalen van de forfaitaire barema's inzake inkomstenbelastingen. Daar die barema's evenwel opgemaakt worden na het verstrijken van het jaar waarin de te belasten inkomsten zijn verkregen houden zij steeds rekening met die vaststellingen en kunnen ze bijgevolg de werkelijkheid dichter benaderen dan de forfaitaire grondslagen die voor dezelfde sektoren inzake BTW werden toegepast.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.