---
title: "Parlementaire vraag 167 · Diensten. Plaatsbepaling. Afwijkende criteria. Plaats waar de ontvanger van de dienst gevestigd"
description: "Diensten. Plaatsbepaling. Afwijkende criteria. Parlementaire vraag nr. 167 van 6 augustus 1992 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/167-diensten-plaatsbepaling-afwijkende-criteria-plaats-fb70"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/167-prestations-services-localisation-critere-derogatoire-c6e5"
---

# Diensten. Plaatsbepaling. Afwijkende criteria. Plaats waar de ontvanger van de dienst gevestigd · Diensten. Plaatsbepaling. Afwijkende criteria. Plaats waar de ontvanger van de dienst gevestigd is (W.BTW, art. 21, § 3, 7°). Dienstverricht zonder belasting. Bewijslast. Wettelijk vermoeden (W.BTW, art. 21, § 5). Tegenbewijs. Factuur. Bijkomende inlichtingen gevraagd door de administratie. Beroepsgeheim

**Nummer**

167

**Datum**

6 augustus 1992

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

16 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 1992, nr. 028, blz. 1909**

*Diensten - Plaatsbepaling - Afwijkende criteria - Plaats waar de ontvanger van de dienst gevestigd is (W.BTW, art. 21, § 3, 7°) - Dienstverricht zonder belasting - Bewijslast - Wettelijk vermoeden (W.BTW, art. 21, § 5) - Tegenbewijs - Factuur - Bijkomende inlichtingen gevraagd door de administratie - Beroepsgeheim*

## **VRAAG**

Artikel 21 , § 3, 7°, d, van het BTW-Wetboek voorziet in een vrijstelling van heffing van de Belgische BTW op de erelonen van zelfstandige adviseurs wanneer de ontvanger van de dienst in een ander EG-land is gevestigd en de dienst verband houdt met de behoeften van zijn onderneming.

De BTW-administratie heeft het recht en de plicht na te gaan of een dienstverrichter deze bepaling in zijn facturen gericht aan in het buitenland gevestigde ontvangers niet ten onrechte heeft toegepast. De vrijstelling is namelijk afhankelijk van de band tussen de dienst en de behoeften van de onderneming wanneer de ontvanger in de EG is gevestigd.

De uitleg die de Belgische verrichter van de dienst aan de BTW-administratie verstrekt, is soms moeilijk te verzoenen met het beroepsgeheim waaraan deze verrichter door een wet kan gehouden zijn (bijvoorbeeld bedrijfsrevisor, accountant, fiscaal adviseur).

Wat is uw standpunt ter zake?

## **ANTWOORD**

Het is vanzelfsprekend dat in het door het geachte Lid beoogde geval de dienstverrichter moet kunnen aantonen dat de dienst verricht werd voor een ontvanger handelend voor beroepsdoeleinden.

Immers, behoudens tegenbewijs, wordt de dienst, overeenkomstig [artikel 21, § 5, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21), geacht hier te lande plaats te vinden als één van bij de dienst betrokken partijen er een zetel van beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.

Dit wettelijk vermoeden kan weerlegd worden door alle bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed.

Er wordt hierbij aan herinnerd dat de dienstverrichter, krachtens het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ertoe gehouden is een factuur uit te reiken. Deze moet, inzonderheid, het motief vermelden waarom de belasting niet verschuldigd is. Dit veronderstelt dat, door de vermeldingen op de factuur zelf, de dienstverrichter aantoont dat alle toepassingsvoorwaarden van [artikel 21, § 3, 7°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) vervuld zijn en derhalve hier te lande de belasting niet is verschuldigd. Indien deze vermeldingen onvoldoende blijken, kan de Administratie aan de dienstverrichter bijkomende inlichtingen vragen op grond van artikel 61, § 1 tot § 3, van voornoemd Wetboek.

Er wordt tevens opgemerkt dat de Belgische administratie er zich, op grond van de Richtlijn van de Raad van 6 december 1979 (79/1070/EEG), richtlijn die de wederzijdse bijstand op het stuk van de BTW instelt (z. [artikel 93terdecies van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93terdecies)), mag van vergewissen dat de belasting wel degelijk werd voldaan in de Lid-Staat van de Europese Gemeenschapwaar de medecontractant-ontvanger van de dienst is gevestigd.

Gelet op hetgeen voorafgaat zie ik niet in hoe de verplichting om bewijsmiddelen te leveren met het oog op de juiste toepassing van de BTW, in tegenspraak zou kunnen zijn met de verplichting tot geheimhouding waartoe de personen, die een door het geachte Lid beoogde activiteit uitoefenen, gehouden zijn.

Overigens legt [artikel 93bis van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93bis) het beroepsgeheim op aan de BTW-ambtenaren aan wie deze gegevens zouden worden meegedeeld.

Blijkbaar beoogt het geachte Lid duidelijk een concreet geval. Hij kan mij uiteraard steeds de identificatie van de betrokken persoon meedelen, in welk geval een individueel onderzoek zal ingesteld worden.

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 2 voorkomens

[WBTW art. 93bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 93terdecies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93terdecies) 1 voorkomen
