Fiscale administraties. Informatieverstrekking · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1637 9 februari 1999

Zoeken

Fiscale administraties. Informatieverstrekking

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1637-fiscale-administraties-informatieverstrekking-ghesquiere-administratie-7910

Nummer
1637
Datum
9 februari 1999

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

44 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1999-2000, nr. 167, blz. 22637

Fiscale administraties - Informatieverstrekking

VRAAG

Het vastleggen van het kadastraal inkomen (KI) behoort tot de fiscale opdrachten van de Administratie van het Kadaster van het Ministerie van Financiën.

1.

a) Indien de belastingplichtige uitleg wenst over de berekeningswijze van het KI van het gebouw, de outillering, enz., kan hij dan terecht bij de bevoegde ambtenaar?

b) Mag de ambtenaar weigeren de nodige informatie te verstrekken?

2. Een volgende vraag betreft de informatieverstrekking door de administratie van de BTW.

Moet de bevoegde ambtenaar terzake, op vraag van de belastingplichtige, uitleg verschaffen over de berekening van de BTW in een bouwdossier, meer bepaald over het vastleggen van cijfers zoals:

a) de normale oprichtingsprijs;

b) weerhouden facturen onroerende staat;

c) weerhouden facturen bouwmaterialen;

d) de waarde niet voltooid werk;

e) de waarde eigen werk?

3. De laatste vraag betreft zegelrechten.

Mogen gemeenten zegelrecht vragen voor:

a) gewone fotokopieën van bestuursdocumenten voor privaat gebruik (dus geen voor eensluidend verklaarde, ondertekende en gezegelde afschriften en uittreksels);

b) fotokopieën uit de tienjarige tafels der geboorten, huwelijks- en overlijdensakten;

c) fotokopieën van de akten van de burgerlijke stand?

ANTWOORD

1. Wat betreft de informatieverstrekking door de Administratie van het Kadaster aan de belastingplichtige, al dan niet naar aanleiding van de betekening van een kadastraal inkomen of een bezwaar tegen het kadastraal inkomen.

a) Zoals vermeld in artikel 472, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt de administratie van het Kadaster het kadastraal inkomen door een schatting, en dus niet door een berekening. Het kadastraal inkomen van een gebouw, wanneer het wordt vastgesteld door verschillende schatters, schommelt steeds in plus of in min rond het vermeend "ideaal kadastraal inkomen", dat men in principe zou moeten vaststellen. Dit geldt overigens ook voor de onafhankelijke deskundige die in het kader van een bezwaar inkomen te bepalen. Aangezien men bezwaarlijk een cursus "Schattingen" ten behoeve van de belastingplichtigen kan organiseren, wordt bij elke betekening een brochure 7en geleide" gevoegd én wordt de belastingplichtige uitgenodigd tot een onderhoud vooraleer bezwaar in te dienen. Bij dat onderhoud wordt hem alle nuttige uitleg verstrekt.

Wat betreft het kadastraal inkomen van materieel en outillage, krijgen de betrokken belastingplichtigen jaarlijks een aangifteformulier toegestuurd met een uitvoerige verklarende nota.

Meer in het algemeen werd aan de kadastrale ambtenaren voorgeschreven dat de informatie, verstrekt ter gelegenheid van de ontvangst van het publiek, zich dient uit te strekken tot alle nuttige inlichtingen die de belastingplichtige kan verlangen om zich een correct idee te vormen van de huurmarkt en het bij zijn goed passend kadastraal inkomen.

Aan de belastingplichtige dient de beschrijving van het onroerend goed te worden medegedeeld, alsook alle gegevens waarmee rekening werd gehouden om de huurwaarde vast te stellen, zoals de samenstelling van het goed, het aantal woonplaatsen en kamers op de gelijkvloerse en andere verdiepingen, de kelders en zolders, de garage en de aanwezige comfortelementen die een invloed hebben uitgeoefend op het aangenomen kadastraal inkomen.

Vanzelfsprekend sluit dit ook in dat de kadastrale inkomens van de referentiepercelen ten tijde van de laatste kadastrale perequatie en de beschrijving van deze goederen kunnen worden gemeld en dat de belastingplichtige inzage kan nemen van het fotoalbum om op die wijze een visuele voorstelling van die referentiepercelen te verkrijgen.

b) Artikel 6 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalt in welke gevallen de verplichting tot openbaarheid niet geldt. De wetgever heeft er immers voor gezorgd dat de verplichting tot openbaarheid wijkt voor een aantal andere, meer fundamenteel geachte belangen, zoals onder meer de fundamentele rechten en vrijheden van de burger, het federaal economisch of financieel belang, de munt of het openbaar krediet, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de bij de wet ingestelde geheimhoudingsverplichting.

2 Ten aanzien van diensten betreffende werk in onroerende staat tot oprichting van een gebouw bepaalt artikel 36 van het BTW-Wetboek een minimummaatstaf van heffing.

Die minimummaatstaf is de normale waarde van de diensten, dit is de prijs die, op het tijdstip van verschuldigdheid van de belasting en in dezelfde handelsfase, kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen een leverancier en een afnemer die van elkaar onafhankelijk zijn (artikel 32, tweede lid, van het BTW-Wetboek).

Artikel 64, § 4, van dat wetboek bevat bovendien een vermoeden luidens hetwelk, behoudens tegenbewijs, ieder pas opgericht gebouw wordt geacht te zijn geleverd door een belastingplichtige ter uitvoering van een of verschillende diensten betreffende werk in onroerende staat.

Met het oog op de controle van die normale bouwwaarde ffie artikelen 36 en 64, § 4, van het BTW-Wetboek) heeft de administratie ten behoeve van haar ambtenaren eenvormige richtlijnen uitgewerkt.

Die richtlijnen houden rekening met de in de bouwsector algemeen geldende prijzen, met de geplaatste of verwerkt* materialen en met de aard van het gebouw.

De administratieve richtlijnen schrijven aan de met het toezicht belaste ambtenaren voor om aan iedere eigenaar van een pas opgericht gebouw alle gewenste inlichtingen te verstrekken, onder meer betreffende het algemeen beginsel waarop de wijze van het bepalen van de normale bouwwaarde is gesteund.

Tevens mag de raming van het eigen werk of de waarde toegekend aan het niet-voltooide gedeelte van het gebouw op de datum van de berekening van het kadastraal inkomen, worden medegedeeld aan de eigenaar.

De betrokken controleambtenaar kan de bouwheer ook verduidelijken dat de schatting werd verricht rekening houdende met de aangekochte materialen en met normale lonen die in de streek gangbaar zijn voor de bewuste plaatsings- of installatiewerken.

De prijzen en waarden die in aanmerking dienen te worden genomen voor het vaststellen van de normale waarde van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op de oprichting van een gebouw mogen evenwel niet openbaar worden gemaakt, omdat het onthullen van de controlerichtlijnen uiteindelijk de belastingontduiking zou bevorderen.

Verder verplicht artikel 64, § 4, tweede lid, van het BTW-Wetboek iedere eigenaar van een pas opgericht gebouw om de facturen betreffende de bouw alsmede de plans en de bestekken van dat gebouw te bewaren en ze voor te leggen op eik verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaren.

Ter uitvoering van die wetsbepaling nodigt de administratie iedere eigenaar van dergelijk gebouw uit om de voormelde stukken te voegen bij de aangifte (formulier nr. 1063) die hij moet indienen binnen drie maanden vanaf de datum van de berekening van het kadastraal inkomen (artikel 64, § 4, derde lid, van het BTW-Wetboek) moet indienen. Het is ook van belang dat iedere eigenaar de betrokken ambtenaar kennis geeft van de met de aannemer(s) gesloten overeenkomsten, dat hij de nodige aanwijzingen verstrekt nopens de geplaatste of verwerkte materialen en dat hij het bewijs levert van de door hem of met de kosteloze hulp van derden uitgevoerde werken. Die handelswijze moet de betrokken ambtenaar in staat stellen om op grond van objectieve criteria de normale bouwwaarde te bepalen en zorgvuldig de door de eigenaar gemaakte bemerkingen en bezwaren betreffende die waarde te onderzoeken, om eventueel te komen tot een minnelijke regeling veeleer dan de procedure tot deskundige schatting in te stellen. Richtlijnen in die zin werden dan ook aan de ambtenaren gegeven.

3. Krachtens artikel 8, 22, van het Wetboek der zegelrechten, worden aan een zegelrecht van 200 frank onderworpen, de uitgiften, afschriften of uittreksels uit eender welke akten of bescheiden afgeleverd aan particulieren door de besturen van de Staat, de provincies, de gemeenten en de openbare instellingen, met uitsluiting van die welke van ambtswege ten titel van kennisgeving worden uitgereikt.

Krachtens artikel 8, 13, van hetzelfde wetboek, worden eveneens aan een zegelrecht van 200 frank onderworpen, de aan particulieren afgeleverde uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand en uit de registers gehouden door de ambtenaren van de burgerlijke stand betreffende het verkrijgen, het herkrijgen, het behoud en het verlies van nationaliteit; de door de ambtenaren van de burgerlijke stand, door de burgemeesters of door hun afgevaardigden aan particulieren afgeleverde getuigschriften tot arrestatie van feiten die blijken uit bedoelde registers; de akten van huwelijksafkondiging.

Artikel 22 van het voornoemde wetboek preciseert dat het recht waarvan sprake in deze bepalingen verschuldigd is zodra de geschriften zijn opgemaakt.

Evenwel is krachtens artikel 19 van hetzelfde wetboek, het bij voormelde bepalingen gevestigd recht slechts toepasselijk op de geschriften die de met de hand of anders aangebrachte handtekening of paraaf dragen van hem of van één van hen van wie die geschriften uitgaan.

Bijgevolg is het zegelrecht slechts verschuldigd indien de hierboven bedoelde geschriften ondertekend zijn.

Het behoort evenwel tot de bevoegdheid van de minister van justitie (vraag nr. 1062 van 28 april 1999) en de minister van binnenlandse zaken (vraag nr. 1007 van 28 april 1999) om te bepalen of de in uw vraag bedoelde stukken mogen worden afgeleverd in de vorm van vrije afschriften, zonder te zijn ondertekend en eensluidend te zijn verklaard. Uw vraag werd hen bijgevolg overgemaakt.

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 644 voorkomens
WBTW art. 362 voorkomens
WBTW art. 82 voorkomens
WBTW art. 131 voorkomen
WBTW art. 221 voorkomen
WBTW art. 321 voorkomen