---
title: "Parlementaire vraag 1628 · Bedrijfsleiders. Investeringen en kleine uitgaven op kosten van de vennootschap"
description: "Bedrijfsleiders. Investeringen en kleine uitgaven op kosten van de vennootschap. Parlementaire vraag nr. 1628 van 20 januari 1999 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1628-bedrijfsleiders-investeringen-kleine-uitgaven-kosten-ea96"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/1628-droit-deduction-avantage-social-caractere-390e"
---

# Bedrijfsleiders. Investeringen en kleine uitgaven op kosten van de vennootschap · Bedrijfsleiders. Investeringen en kleine uitgaven op kosten van de vennootschap voor de private woning

**Nummer**

1628

**Datum**

20 januari 1999

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

31 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 176, blz. 23405**

**Bull. nr. 801, pag. 429**

*Bedrijfsleiders - Investeringen en kleine uitgaven op kosten van de vennootschap voor de private woning*

## **VRAAG**

In de praktijk valt het voor dat bedrijfsleiders en/of hun familieleden op kosten van de vennootschap investeringen en kleine uitgaven onder de vorm van meubelen en huisraad, kunstvoorwerpen, schoolgerief en brandstoffen aanschaffen die in werkelijkheid in hun private woonst worden aangewend of opgesteld en derhalve het beroepsrisico van de onderneming niet daadwerkelijk ondergaan.

De factuur wordt door de leverancier met een globale en vage omschrijving opgesteld en betaald door de rechtspersoon, terwijl de leveringsbon en de leveringsplaats spreekt op het privaat adres van de bedrijfsleider.

Naar verluidt bestaat er zowel inzake directe belastingen als inzake BTW blijvende discussie over de mogelijke fiscale gevolgen die deze handelwijze kan hebben.

1.

a) In welke mate kan op activabestanddelen die ingevolge factuur en betaling in principe juridisch eigendom zijn en blijven van de rechtspersoon een fiscale waardevermindering worden aangenomen in de zin van de artikelen 49, eerste lid, 52, 6°, 61, eerste lid, en 183 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992?

b) Moeten inzake vennootschapsbelasting eventuele niet-beroepsmatige afschrijvingen én mogelijke afschrijvingsexcedenten wegens overdreven afschrijving respectievelijk als een "verworpen uitgave" en als een "reservebestanddeel" worden aangemerkt? Zo ja, op grond van welke motieven en in welke concrete mate?

2.

a) In welke precieze mate kan er terzelfdertijd inzake personenbelasting ten belope van de aanschaffingsprijs (BTW-inclusief) of ten belope van de ten laste van de resultaten rekening geboekte waardevermindering of afschrijving en de niet-aftrekbare BTW, sprake zijn van een persoonlijke verrijking of van een belastbaar voordeel van alle aard in de zin van de artikelen 30, 2°, 32 en 36, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992?

b) Is de bijzondere aanslag van 300 % waarvan sprake in artikel 219 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 in samenlezing met artikel 57, 2°, van ditzelfde wetboek wel steeds meteen fiscaal verantwoord en toepasselijk?

c) Vanaf welk precies tijdstip ontstaat er eventueel "belastbaarheid" inzake personenbelasting ? Is het op de balansdatum van de vennootschap al dan niet afsluitend per 31 december, op de datum van de factuur of op de datum van betaling?

d) In welke mate en vanaf welk tijdstip is er eventueel nog bedrijfsvoorheffing op het voordeel van alle aard (BTW-inclusief) verschuldigd en hoe dient de niet-inhouding ten name van de vennootschap en ten name van de betrokken bedrijfsleider fiscaal te worden behandeld?

3\. In welke mate is de BTW op dergelijke aanwervingen en kleine uitgaven recupereerbaar inzake indirecte belastingen?

4\. In welke mate en op welk tijdstip kan inzake vennootschapsbelasting de eventueel niet-aftrekbare BTW op die investeringen en die uitgaven als een beroepskost worden aangemerkt in de zin van de artikelen 49, 62 en 183 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992?

5\. Kan u, puntsgewijze, uw algemene zienswijze meedelen in het licht van de bepalingen van de Grondwet, het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en van het BTW-Wetboek?

## **ANTWOORD**

Inzake directe belastingen

De door het geachte lid in haar vraag verstrekte summiere gegevens betreffen klaarblijkelijk één of meerdere concrete gevallen en laten mij, wegens het ontbreken van de noodzakelijke beoordelingselementen, niet toe met kennis van zaken een eenduidig en definitief standpunt in te nemen omtrent de gestelde problematiek. Ik ben evenwel bereid een grondig onderzoek te laten instellen indien mij de naam en het adres van de betrokken belastingplichtigen, alsmede de noodzakelijke beoordelingselementen worden medegedeeld.

Evenwel, gelet op het tweede lid van de vraag, meen ik te moeten besluiten dat terzake gevallen van manifeste misbruiken worden beoogd met als uitsluitend doel belastingen te ontwijken of te ontduiken, te meer daar de leveringsplaats van de desbetreffende investeringen of goederen, alsmede de uiteindelijke gebruikers of genieters ervan verborgen worden gehouden, door die investeringen en kleine uitgaven volledig ten laste van de betrokken vennootschap te leggen. Die misbruiken zullen dan ook door de taxatiediensten van mijn administratie worden beteugeld door toepassing te maken van de in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) voorziene strafbepalingen.

Zonder een definitief standpunt in te nemen kan ik evenwel mededelen dat de levering van de in de vraag bedoelde activa en goederen aan de bedrijfsleider van de vennootschap in beginsel aanleiding zou kunnen geven tot het belasten van een voordeel van alle aard ten name van die bedrijfsleider (toepassing van artikel 32, lid 2, 2°, WIB 92). Of dit het geval is dient voor elk concreet geval te worden onderzocht aan de hand van de feitelijke en juridische omstandigheden waarin de bedoelde verrichtingen uiteindelijk plaatsvinden.

Immers, uit de algemene draagwijdte van artikel 32, tweede lid, 2°, WIB 92, volgt dat de belastbare bezoldigingen van bedrijfsleiders inzonderheid de voordelen van alle aard omvatten die, ongeacht de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld of toegekend, uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid zijn verkregen. Opdat de door een belastingplichtige-bedrijfsleider verkregen voordelen als belastbare beroepsinkomsten worden aangemerkt, is het immers enkel nodig - en volstaat het - dat deze voordelen voortspruiten uit de uitoefening van de beroepswerkzaamheid door de verkrijger of dat ze daarin hun oorsprong vinden, dat wil zeggen dat ze op de werkzaamheid betrekking hebben en dat ze een rechtstreekse of onrechtstreekse, wezenlijke of bijkomstige opbrengst ervan uitmaken of met andere woorden dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en het verkrijgen van voordelen. Het is daarbij zonder belang dat de voormelde voordelen rechtstreeks of onrechtstreeks zouden zijn toegekend aan de familieleden of aan de leden van het feitelijke gezin van de desbetreffende bedrijfsleider.

Het belastbare bedrag van de voordelen van alle aard moet overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, WIB 92 worden vastgesteld en dat bedrag moet met toepassing van artikel 57, WIB 92, worden vermeld op individuele fiches en een samenvattende opgave. Wanneer dergelijke voordelen niet op de in artikel 57, WIB 92, gestelde wijze zijn verantwoord, worden zij in de vennootschapsbelasting onderworpen aan de afzonderlijke bijzondere aanslag als bedoeld in artikel 219, WIB 92.

Inzake BTW

Op grond van [artikel 45, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en [artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art1) van 10 december 1969, mag de belastingplichtige de aftrek van de BTW die van een goed of een dienst werd geheven niet verrichten wanneer bij voorbaat is geweten dat, volgens de normale gang van zaken in de betrokken onderneming, dat goed of die dienst is bestemd voor de privé-doeleinden van de bedrijfsleider of zijn familieleden, voor de privé-doeleinden van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit of nog, dat het goed of de dienst om niet zal worden verstrekt, tenzij het gaat om een handelsmonster of een handelsgeschenk van geringe waarde.

Anderzijds moet de belastingplichtige krachtens artikel 3, § 1, 1°, van bovengenoemd koninklijk besluit, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een door de leverancier of dienstverrichter uitgereikte regelmatige factuur, die is opgemaakt overeenkomstig [artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) van 29 december 1992.

Zo moet de factuur onder meer de naam en het adres van de medecontractant vermelden, alsmede al de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten.

Een factuur waarin de in het vorige lid bedoelde gegevens ontbreken of op onvoldoende wijze zijn vermeld, kan bijgevolg niet dienen om de uitoefening van de aftrek te rechtvaardigen (zie nr. 37 van de [aanschrijving nr. 5/1976](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/5-1976-aanschrijving-obligation-declaration-facture-deduction-25a3)). Bovendien, behoudens wanneer de overtreding als louter toevallig kan worden aangemerkt, wordt individueel lastens de leverancier of dienstverrichter en zijn medecontractant een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan tweeduizend frank (BTW-Wetboek, artikel 70, § 2).

Tenslotte wens ik het geachte lid erop te wijzen dat de BTW geheven van de aankoop van originele kunstwerken die door een belastingplichtige worden verkregen zonder de bedoeling deze door te verkopen maar als belegging en waarvan de waarde niet door het gebruik vermindert niet voor aftrek in aanmerking komt omdat deze noch als bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 6 van bovengenoemd koninklijk besluit nr. 3, noch, meer algemeen, als goederen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het verrichten van handelingen bedoeld in [artikel 45, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) kunnen worden aangemerkt (zie vraag nr. 88 van 12 december 1984, van senator de Clippele; Vragen en Antwoorden, Senaat, 1984-1985, nr. 16, blz. 667-668).

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen
