---
title: "Parlementaire vraag 161 · Waardering van een onroerend goed. Voorafgaande overlegprocedure. Belastingplichtige en ontvanger. Normale waarde"
description: "Waardering van een onroerend goed. Voorafgaande overlegprocedure. Parlementaire vraag nr. 161 van 14 december 1999 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/161-waardering-onroerend-goed-overlegprocedure-belastingplichtige-d943"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/161-valorisation-bien-immobilier-procedure-concertation-4175"
---

# Waardering van een onroerend goed. Voorafgaande overlegprocedure. Belastingplichtige en ontvanger. Normale waarde

**Nummer**

161

**Datum**

14 december 1999

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

23 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, G.Z. 1999-2000, blz. 275**

*Waardering van een onroerend goed - Voorafgaande overlegprocedure - Belastingplichtige en ontvanger - Normale waarde*

## **VRAAG**

Uit het jaarverslag 1999 van het College van de federale ombudsmannen blijkt dat de ombudsmannen regelmatig klachten krijgen inzake waardering van een onroerend goed, en dit bij de berekening van de verschuldigde BTW, registratie- en successierechten. De (her)waardering van het goed door de hiertoe aangestelde ambtenaar leidt niet zelden tot onbegrip bij de belastingplichtige, gedeeltelijk ook omdat het deze laatste niet duidelijk is waarop het vastgestelde bedrag is gebaseerd.

Het College van federale ombudsmannen stelt voor om een voorafgaande, informele overlegprocedure tussen belastingplichtige en ontvanger in te stellen. Op dergelijke wijze zouden vele geschillen kunnen vermeden worden omdat voorafgaand aan de vaststelling van het bedrag, reeds de nodige argumenten aangereikt worden tot een correcte waardering.

1\. Bent u bereid bedoelde overlegprocedure in te stellen ?

2\. Zo neen, waarom niet ?

## **ANTWOORD**

Het geachte Lid vindt hieronder het antwoord.

(...)

b) Inzake BTW.

Bij verkoop van een gebouw met toepassing van de BTW en bij werk in onroerende staat met betrekking tot de oprichting van een gebouw is overeenkomstig [artikel 26 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-26) de BTW verschuldigd over de tegenprestatie van de handeling, dit is in principe naar gelang van het geval de verkoopprijs plus lasten van het gebouw of de prijs van de werken. Evenwel mag overeenkomstig artikel 36, § 1, van datzelfde Wetboek de maatstaf van heffing van de BTW niet lager zijn dan de normale waarde van het met toepassing van de BTW vervreemde gebouw of van het werk met betrekking tot de oprichting van het gebouw.

De normale waarde van een vervreemd gebouw is de verkoopwaarde van dat gebouw. De controletaak van die minimummaatstaf van heffing rust op de ontvanger van de registratie. Ik verwijs hier verder naar het eerste gedeelte, inzake registratie- en successierechten van mijn antwoord.

Ten aanzien van diensten betreffende werk in onroerende staat tot oprichting van een gebouw bepaalt [artikel 36 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-36) een minimummaatstaf van heffing.

Die minimummaatstaf is de normale waarde van die diensten, dit is de prijs die, op het tijdstip van verschuldigdheid van de belasting en in dezelfde handelsfase, kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen een leverancier en een afnemer die van elkaar onafhankelijk zijn ([artikel 32, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)).

[Artikel 64, § 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64), van dat Wetboek bevat bovendien een vermoeden luidens hetwelk, behoudens tegenbewijs, ieder pas opgericht gebouw wordt geacht te zijn geleverd door een belastingplichtige ter uitvoering van een of verschillende diensten betreffende werk in onroerende staat.

Met het oog op de controle van die normale bouwwaarde (zie de artikelen [36](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-36) en [64, § 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64), van het BTW-Wetboek) heeft de administratie ten behoeve van haar ambtenaren eenvormige richtlijnen uitgewerkt.

Die richtlijnen houden rekening met de in de bouwsector algemeen geldende prijzen, met de geplaatste of verwerkte materialen en met de aard van het gebouw.

Verder verplicht [artikel 64, § 4, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) iedere eigenaar van een pas opgericht gebouw om de facturen betreffende de bouw alsmede de plans en de bestekken van dat gebouw te bewaren en ze voor te leggen op elk verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaren.

Ter uitvoering van die wetsbepaling nodigt de administratie iedere eigenaar van dergelijk gebouw uit om de voormelde stukken te voegen bij de aangifte (formulier nr. 106) die hij moet indienen binnen de drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastraal inkomen ([artikel 64, § 4, derde lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64)). Het is ook van belang dat iedere eigenaar het hoofd van het BTW-controlekantoor kennis geeft van de met aannemer(s) gesloten overeenkomsten, dat hij de nodige aanwijzingen verstrekt nopens de geplaatste of verwerkte materialen en dat hij het bewijs levert van de door hem of met de kosteloze hulp van derden uitgevoerde werken. Die handelwijze moet de betrokken ambtenaar in staat stellen om op grond van objectieve criteria de normale bouwwaarde te bepalen en zorgvuldig de door de eigenaar gemaakte bewerkingen en bezwaren betreffende de waarde te onderzoeken, om te komen tot een minnelijke regeling veeleer dan de procedure tot deskundige schatting in te stellen. Richtlijnen in die zin werden dan ook aan de ambtenaren gegeven.

Een overleg betreffende de normale bouwwaarde vσσr de indiening van de hogervermelde aangifte zou er hier eveneens op neerkomen, de controlerende taak van de ambtenaar te ontnemen.

Indien de bouwheer het evenwel niet eens is met de schatting van de administratie, heeft hij het recht zijn bezwaren te laten kennen. Overigens wordt niet zelden de oorspronkelijke vastgestelde vordering verminderd of prijsgegeven nadat de administratie in kennis werd gesteld van gegevens die niet blijken uit de ingediende stukken.

Bovendien hebben, bij gebrek aan minnelijk akkoord, de eigenaar zowel als de administratie het recht om de procedure tot deskundige schatting, bedoeld in 59, § 2, van het BTW-Wetboek en in het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970, in te stellen.

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 4 voorkomens

[WBTW art. 36](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-36) 2 voorkomens

[WBTW art. 26](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-26) 1 voorkomen

[WBTW art. 32](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) 1 voorkomen
