---
title: "Parlementaire vraag 1564 · Restaurantkosten. Receptiekosten. Bedrijfsrestaurant. Bezoldigingen personeel"
description: "Restaurantkosten. Receptiekosten. Bedrijfsrestaurant. Bezoldigingen personeel. Parlementaire vraag nr. 1564 van 5 februari 2007 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1564-restaurantkosten-receptiekosten-bedrijfsrestaurant-bezoldigingen-personeel-ce4b"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/1564-restaurant-entreprise-frais-reception-remunerations-0b63"
---

# Restaurantkosten. Receptiekosten. Bedrijfsrestaurant. Bezoldigingen personeel

**Nummer**

1564

**Datum**

5 februari 2007

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

27 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 161, blz. 31396-31398**

*Restaurantkosten - Receptiekosten - Bedrijfsrestaurant - Bezoldigingen personeel*

## **VRAAG**

In het nr. 53/144, tweede lid, van het administratief commentaar en het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 staat vermeld dat salarissen van dienst- en receptiepersoneel die verband houden met het beroepsmatig ontvangen van bezoekers (klanten en leveranciers) eveneens onderworpen zouden zijn aan de fiscale aftrekbeperking waarvan sprake in artikel 53 WIB 1992.

De fiscale juristen kunnen deze administratieve benaderingswijze echter volstrekt niet delen vermits de "wettelijke" beschikkingen van artikel 52, 3°, WIB 1992, die van openbare orde zijn, sowieso imperatief stellen dat beroepsmatige bezoldigingen van personeelsleden in principe een voor 100% aftrekbare beroepskost vormen (zie: legaliteitsbeginsel). Het zou hier veeleer gaan om een cascade van eenvoudige vermoedens.

Ter zake rijzen daarbij de volgende algemene praktische vragen.

1.

a) Geldt die louter administratieve gedachte eveneens voor de salarissen van het dienst- en receptiepersoneel werkzaam in een "bedrijfsrestaurant"?

b) Op grond van al welke wettige motieven, vaststaande rechtspraak of andere deugdelijke rechtsbronnen rechtvaardigt de administratie bij voortdurendheid haar zienswijze of die persoonlijke opinies?

2\. Moeten alle kosten gemaakt met betrekking tot een "bedrijfsrestaurant" zowel op het vlak van de inkomstenbelastingen als op het vlak van de BTW-, nu worden gecatalogeerd als "publiciteit", als "receptiekosten" of als "restaurantkosten", respectievelijk in de zin van de artikelen 49; 53, 8° of 53, 8° *bis* WIB 1992?

3.

a) Hoe moet dit eventueel te verwerpen beroepsmatig bedrag aan salarissen worden bepaald?

b) Gaat het hier om netto-, belastbare of om brutobezoldigingen en in welke precieze mate moet er rekening worden gehouden met de ermede verband houdende sociale lasten zoals onder meer werkgeversbijdragen inzake RSZ?

4\. In welke concrete mate is de BTW op al dergelijke publicitaire bedrijfsrestaurantkosten geheel of gedeeltelijk recupereerbaar?

5\. Kunt u punt per punt uw actuele ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de wettelijke bepalingen van de artikelen 49; 52, 3°; 53, 8°; 53, 8° *bis*; 183; 185 en 340 WIB 1992, het BTW-wetboek, het legaliteitsbeginsel, het arrest van het [Hof van Cassatie van 8 april 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-kosten-onthaal-publiciteitkosten-cassatie-brussel-2005-04-08-50bf) inzake Mediaxis, de voorbereidende parlementaire werkzaamheden en van alle principes van beter, rechtlijnig en behoorlijk taxeren zowel tegelijkertijd op het stuk van de BTW als op het stuk van de directe belastingen?

## **ANTWOORD**

(vice-eersteminister en minister van Financiën, 06.04.2007)

Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden op haar vragen te vinden:

Inzake inkomstenbelastingen

Inzake het begrip "bedrijfsrestaurant" dient vooreerst een onderscheid te worden gemaakt tussen bedrijfsrestaurants die "sociale maaltijden" aanbieden en restaurants binnen de onderneming die zijn voorbehouden aan kaderleden en/of zakenrelaties.

De eigenlijke "bedrijfsrestaurants" verstrekken aan personeelsleden van de onderneming - kosteloos of tegen verminderde prijs - sociale hoofdmaaltijden en de uitbating ervan wordt rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever bekostigd. De kosten die de onderneming maakt voor het verstrekken van deze sociale maaltijden zijn in hoofde van de werkgever aftrekbaar, met uitsluiting van het bedrag dat per verstrekte maaltijd gelijk is aan het positief verschil tussen 1,09 euro en de door de werknemer betaalde prijs, en dit ongeacht de kostprijs van de maaltijd. De in artikel 53, 8° *bis* van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) beoogde aftrekbeperking is alleszins niet van toepassing op de kosten die gedaan zijn om in deze restaurants sociale maaltijden aan het personeel te verstrekken.

Daarnaast baten sommige ondernemingen intern een restaurant uit dat is voorbehouden aan hun kaderpersoneel en/of hun zakenrelaties. Die restaurants bieden geen sociale maaltijden aan en mogen bijgevolg niet worden gelijkgesteld met de voormelde bedrijfsrestaurants. Derhalve moet het aftrekbare gedeelte van de exploitatiekosten van dergelijke restaurants overeenkomstig artikel 53, 8° *bis*, WIB 1992 in de regel worden beperkt tot 69 %, tenzij de volledige kostprijs van de maaltijd als voordeel van alle aard bij de verkrijger wordt belast of door hem wordt gedragen.

Wanneer in de exploitatiekosten van zulke restaurants ook de bezoldigingen van eigen personeelsleden zijn begrepen die in het restaurant zijn tewerkgesteld, blijven deze bezoldigingen overeenkomstig de bepalingen van artikel 52, 3° en 57, 2° WIB 1992 als aftrekbare bezoldigingen aangemerkt, voor zover ten minste deze bezoldigingen op de vereiste individuele fiches en samenvattende opgave worden opgenomen.

Inzake BTW

Wanneer in het bedrijfsrestaurant gratis maaltijden worden aangeboden aan aan het bedrijf vreemde personen (bijvoorbeeld klanten, leveranciers) betreffen de ter zake gemaakte kosten, kosten van onthaal die overeenkomstig [artikel 45, § 3, 4°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) in principe niet aftrekbaar zijn.

In haar arrest van 8 april 2005 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de kwalificatie van kosten van ontspanning en vermaak die worden gemaakt in het kader van een feestelijke bijeenkomst die hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft kopers in te lichten over het bestaan en de hoedanigheid van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen.

De administratie legt zich neer bij de beslissing van het Hof om dergelijke kosten, die worden gemaakt met het oog op de publiciteit voor welbepaalde producten en waarbij het derhalve gaat om uitgaven met een strikt professioneel karakter, niet aan te merken als kosten van onthaal in de zin van [artikel 45, § 3, 4°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45).

Indien evenwel de ter zake gemaakte kosten betrekking hebben op het verschaffen van spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van voornoemd Wetboek - wat uiteraard niet het geval is indien het bedrijf zijn restaurant met eigen personeel uitbaat - is overeenkomstig [artikel 45, § 3, 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), van het Wetboek elk recht op aftrek uitgesloten, zelfs indien het gaat om kosten van publicitaire aard.

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 3 voorkomens
