BTW-Revue nr. 140, blz. 40
Vr. en Antw., Kamer, 1998-1998, nr. 152, blz. 20752
Airconditioning - Tarief
VRAAG
In de sector van de installatie van airconditioning bestaat nogal wat verwarring over het toepasselijke BTW-tarief, met name of dit 21 % dan wel 6 % bedraagt. Het betreft met name de draagwijdte van artikel 20, § 2, tweede lid, 1°, a), van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Daarin is sprake van iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren. Over die bepalingen bestaat er een richtlijn nr. 1040 "Installaties en toestellen voor klimaatverbetering in vertrekken waar mensen verblijven. Tarief. Handelingen beoogd in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992".
De huidige regeling blijkt een aantal merkwaardige consequenties te hebben wat betreft het toepasselijke BTW-tarief.
1. Uit de tekst blijkt dat het moet gaan om een systeem dat geïntegreerd is in het gebouw en dat derhalve dient voor de klimaatverbetering in meerdere lokalen van het gebouw (normaal gezien de totaliteit of quasi-totaliteit van het gebouw).
a) Betekent dit dat er geen verlaagd BTW-tarief kan worden toegepast wanneer er in de verschillende lokalen van het gebouw afzonderlijke toestellen zijn geïnstalleerd die niet met mekaar zijn verbonden?
b) Indien dit zo is, waardoor wordt dit onderscheid dan verantwoord?
2. Voor kamerkoelers van het type split-systeem geldt in beginsel dat zij niet in aanmerking komen voor een verlaagd BTW-tarief. Dit is echter wel het geval wanneer de binneneenheden van het split-systeem ingelijfd worden in het gebouw. In dit geval gaat de administratie ervan uit dat het split-systeem in zijn geheel onroerend van aard is.
Wat zijn de beweegredenen om voor een gelijkaardig systeem beduidend verschillende tarieven toe te passen naargelang dit al dan niet in het gebouw is ingelijfd?
ANTWOORD
De verduidelijkingen die het geachte lid wenst, hebben betrekking op de administratieve beslissing van 14 juli 1997, nr. ET 84.567, die gepubliceerd werd onder nr. 1040 in de BTW-Revue nr. 131/11-12/1997.
Wanneer in de verschillende lokalen van een gebouw afzonderlijke toestellen voor klimaatverbeteringen worden geïnstalleerd die niet met mekaar zijn verbonden, dit wil zeggen kamerkoelers van het split-systeem of uit één stuk (type "monobloc"), kan de handeling overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 20, inzake BTW-tarieven, slechts onder welbepaalde voorwaarden het verlaagd BTW-tarief van 6 % in de plaats van het normale BTW-tarief van 21 % genieten. Zo moet inzonderheid de handeling bedoeld zijn in het genoemde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, bijlage, tabel A, rubriek XXXI, § 3, 2° (prestaties die erin bestaan een onroerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt) of § 3, 3°, a (iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning,...).
De handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de kamerkoelers waarvan sprake hiervoor is enkel in de volgende twee gevallen bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 2°, van tabel A, van de bijlage bij het voornoemde koninklijk besluit nr. 20:
1° het betreft kamerkoelers van het type split-systeem waarvan de binneneenheden ingelijfd worden in het gebouw (ingewerkt in het plafond of in een speciaal hiervoor uitgespaarde ruimte in de muur; zie punt 2 van voornoemde beslissing).
2° Het betreft kamerkoelers van het type raamunit (zie punt 4 van voornoemde beslissing .
De handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de kamerkoelers waarvan sprake hiervoor, heeft geen betrekking op een installatie voor airconditioning in de zin van rubriek XXXI, § 3, 3° a, van tabel A, van de bijlage bij het voornoemde koninklijk besluit nr. 20, zelfs indien er in elk lokaal van het gebouw een kamerkoeler wordt geïnstalleerd. Om te kunnen spreken van een installatie voor airconditioning in de zin van die bepaling van het koninklijk besluit nr. 20 moeten volgens voornoemde beslissing immers twee voorwaarden vervuld zijn.
Zoals het geachte lid terecht opmerkt is één van die voorwaarden dat het gaat om een systeem dat geïntegreerd is in het gebouw en dat derhalve dient voor de klimaatverbetering in meerder lokalen van het gebouw (normaal gezien de totaliteit of quasi-totaliteit van het gebouw; zie punt 1, eerste lid, 1 , van voornoemde beslissing). Het moet daarenboven echter ook gaan om een installatie die het binnenklimaat volledig controleert en regelt, met andere woorden die gelijktijdig de temperatuur (dat wil zeggen niet alleen afkoelen in de zomer maar ook verwarmen in de winter), de vochtigheidsgraad, de bewegingen en de zuiverheid van de lucht in de lokalen van het gebouw controleert en regelt ten behoeve van de er verblijvende mensen (zie punt 1, eerste lid, 2°, van voornoemde beslissing).
Laatsgenoemde voorwaarde is niet vervuld wanneer in de verschillende lokalen van een gebouw afzonderlijke toestellen voor klimaatverbetering zijn geïnstalleerd die niet met mekaar zijn verbonden. Dergelijke individuele systemen voor klimaatverbetering geven immers geen volledige airconditioning zoals gedefinieerd hiervoor. De levering met aanhechting van die afzonderlijke toestellen in de verschillende lokalen van een gebouw is dan ook niet bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 3°, a, van tabel A, van de bijlage bij het genoemde koninklijk besluit nr. 20, tenzij elk van die toestellen ook uitgerust is met een verwarmingselement derwijze dat het geheel kan dienen voor de verwarming van de totaliteit of de quasi-totaliteit van het gebouw. In dat laatste geval kan het geheel immers beschouwd worden als een installatie voor centrale verwarming in de zin van rubriek XXXI, § 3, 3°, a van tabel A, van de bijlage bij het voornoemde koninklijk besluit nr. 20 (zie punt 3 van voornoemde beslissing).
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.