Belgische aanpak van BTW-fraudecarrousels · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1416 22 september 2006

Zoeken

Belgische aanpak van BTW-fraudecarrousels

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1416-belgische-aanpak-btw-fraudecarrousels-govaerts-4ba7

Nummer
1416
Datum
22 september 2006

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

26 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 137, blz. 26935-26938

Belgische aanpak van BTW-fraudecarrousels

VRAAG

Een BTW-carrousel is een vorm van belastingfraude waarbij een handelaar BTW ontvangt maar die niet doorbetaalt aan de belastingen. Steeds vaker gebeurt die fraude bij de in- en uitvoer van gemakkelijk te vervoeren, waardevolle goederen zoals gsm's of computerchips. Er is sprake van steeds verfijndere vormen.

Zo wordt zelfs virtueel uit- en ingevoerd met onbestaande goederen waarop dan nooit betaalde BTW gerecupereerd wordt.

De Europese Commissie is een onderzoek begonnen om de precieze omvang van het fenomeen vast te stellen, maar ondervindt daarbij moeilijkheden omdat belastingen - en dus alle vormen van belastingcriminaliteit - nog altijd het domein van de lidstaten zijn.

Begin juli 2006 floot het Europees Hof van Justitie België terug wegens zijn aanpak van de BTW-fraudecarrousels. Wie onwetend betrokken raakt in zo'n carrousel mag zijn recht op BTW-aftrek niet verliezen. Het Belgische Hof van Cassatie had in 2000 bepaald dat ieder bedrijf dat « te goeder of te kwader trouw » in een fraudecarrousel betrokken raakt, zijn recht verliest om betaalde BTW terug te vorderen.

1. Over welk bedrag aan BTW gaat het ?

2. Hoeveel belastingplichtigen zijn «te goeder trouw» betrokken geraakt in zo'n carrousel ?

3.

a) Hoeveel BTW én verwijlinteresten heeft de Belgische Staat al terugbetaald sinds het jaar 2000 ?

b) Hoeveel bedraagt de verwijlinterest ?

4.

a) Hoeveel ten onrechte achtergehouden BTW moet de Staat nog betalen aan BTW-plichtigen die te goeder trouw gehandeld hebben ?

b) Is dit bedrag bepaald in de begroting ?

c) Wanneer gaat de Staat deze achterstal betalen ?

ANTWOORD

(vice-eersteminister en minister van Financiën, 28.09.2006)

Het geachte lid maakt allusie op het arrest van het Europees Hof van Justitie van 6 juli 2006 in de gevoegde zaken C-439/04 (Axel Kittel tegen de Belgische Staat) en C-440/04(Belgische Staat tegen Recolta Recycling BVBA), naar aanleiding van prejudiciële vragen gesteld door het Belgische Hof van Cassatie.

In die zaken wordt de vraag gesteld naar de impact van de absolute nietigheid van een overeenkomst naar nationaal burgerlijk recht wegens ongeoorloofde oorzaak (BTW-fraude) op het recht op aftrek van de BTW die zijn grondslag vindt in de nietige overeenkomst in hoofde van een belastingplichtige die te goeder trouw heeft gehandeld dan wel daarentegen op de hoogte is van de BTW-fraude.

Het HJEG heeft in zijn arrest van 6 juli voor recht verklaard dat het aan de nationale rechter staat om het recht op aftrek te weigeren indien aan de hand van objectieve elementen wordt vastgesteld dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel is van BTW-fraude.

Genoemd arrest levert een interpretatie van de communautaire regelgeving in het kader van een in België voor het Hof van Cassatie aanhangig rechtsgeding. Er moet dus worden afgewacht welke implicaties met name het Hof van Cassatie en desgevallend de bodemrechter aan dit arrest zullen verbinden in de voorliggende zaken.

Gelet op het complexe en verweven karakter van BTW-carrouselconstructies is het vaak zeer moeilijk om de diverse opeenvolgende schakels, die meestal verspreid zijn over meerdere landen, op te sporen, laat staan om te weten of de desbetreffende schakels al dan niet te goeder of te kwader trouw zijn. De administratie beschikt derhalve niet over statistische gegevens aangaande het aantal BTW-belastinplichtigen dat « te goeder trouw» in een carrousel betrokken geraakte noch over de bedragen die daarbij in het spel zouden zijn.

Mijn administratie wendt alle mogelijke wettelijke middelen aan om de organisatoren en de medeplichtigen van fraudecircuits streng aan te pakken.

Door de programmawet van 20 juli 2006 werd het arsenaal van wettelijke mogelijkheden nog uitgebreid met de nieuwe § 4 in het artikel 51 bis van het BTW-Wetboek waarbij de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ingevoerd van BTW-plichtigen die wisten of hadden moeten weten, dat ze betrokken zijn bij BTW-carrouselfraude.

Thans wordt een voorontwerp tot wijziging van artikel 79, § 2, van het BTW-Wetboek bestudeerd, tot invoering in het BTW-Wetboek van een bepaling die rechtstreeks is geïnspireerd door voornoemde rechtspraak om alle middelen te voorzien in de strijd tegen de fraude, belastingontwijking en misbruiken. Dit ontwerp bepaalt dat de persoon die de belasting in aftrek heeft gebracht geheven van de goederen en de diensten die hem werden geleverd, van de goederen die hij heeft ingevoerd en van de intracommunautaire verwervingen die hij heeft verricht, er toe gehouden is de aldus afgetrokken bedragen aan de Staat terug te storten als hij, op het tijdstip waarop hij deze handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de verschuldigde belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd of zal worden gestort aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken.

De voorgenomen en de recente wetswijzigingen in combinatie met de optimalisering van de multidisciplinaire aanpak (Financiën - Justitie - Federale Politie) van de BTW-carrousels waardoor frauduleuze circuits steeds sneller worden opgespoord en buitgericht aangepakt, moet tot een vroegtijdige stopzetting leiden van de Belgische schakels in de internationale constructies zodat er finaal steeds minder geld aan de Schatkist onttrokken wordt als gevolg van BTW-carrouselfraude.

Aangehaalde teksten

3