Werk in onroerende staat. verlegging van de heffing. sociale huisvestingsmaatschappijen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

12890 10 juli 2012

Zoeken

Werk in onroerende staat. verlegging van de heffing. sociale huisvestingsmaatschappijen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/12890-werk-in-onroerende-staat-verlegging-affc

Nummer
12890
Datum
10 juli 2012

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

13 paragrafen

Beknopt verslag 53, Commissie voor Financiën en de Begroting 537 d.d. 10.07.2012, blz. 10

Werk in onroerende staat

Verlegging van de heffing

Sociale huisvestingsmaatschappijen

VRAAG

( van de heer Vercamer)

Op 20 maart 2012 heeft de FOD Financiën beslist dat vanaf 1 juli 2012 de bestaande uitzonderingen op de verlegging van heffing van de btw op bouwwerken, opgeheven worden.

Een van de uitzonderingen gold voor de sector van de sociale huisvesting. De sociale huisvestingsmaatschappijen zullen vanaf nu eigen periodieke btw-aangiftes moeten indienen, wat heel wat extra werk met zich meebrengt.

Waarom werd deze uitzondering opgeheven? Is er geen uitstel mogelijk om de administratieve organisatie rond te krijgen?

ANTWOORD

( van de heer Bogaert, Staatssecretaris)

De verrichter van werken in onroerende staat kan, aan de hand van het btw-nummer door de medecontractant die periodiek aangiften indient, vaststellen dat de verlegging van de heffing toegepast moet worden op die diensten, zonder dat hij de bestemming van de werken moet nagaan. Op die manier geldt er slechts één regel, zonder uitzonderingen, en worden betwistingen vermeden.

Mijn administratie heeft die beslissing reeds op 20 maart 2012 gepubliceerd, zodat de belastingplichtigen voldoende tijd hadden om de nodige aanpassingen te verrichten. Mijn administratie heeft evenwel begrip voor bepaalde belastingplichtigen die de zaken organisatorisch nog niet in orde hebben kunnen brengen. Zij zal dan ook geen kritiek uitoefenen, indien na 30 juni 2012 facturen voor werken in onroerende staat worden ontvangen waarop de verlegging van de heffing ten onrechte niet werd toegepast. De voorwaarde is evenwel dat de afnemer van de diensten moet kunnen aantonen dat de dienstverrichter de aangerekende btw aan de Schatkist heeft voldaan. De overgangsperiode moet wel zo kort mogelijk worden gehouden.

CONCLUSIE

( van de heer Vercamer)

Het is positief dat er een overgangsperiode wordt ingelast.