---
title: "Parlementaire vraag 127 · Terbeschikkingstelling van gebouwde onroerende goederen"
description: "Terbeschikkingstelling van gebouwde onroerende goederen, onroerend goed. Parlementaire vraag nr. 127 van 23 november 1999 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/127-terbeschikkingstelling-gebouwde-onroerende-goederen-pieters-7006"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/127-immeubles-batis-mis-disposition-societes-837c"
---

# Terbeschikkingstelling van gebouwde onroerende goederen

**Nummer**

127

**Datum**

23 november 1999

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

40 paragrafen

**Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, nr. 20, blz. 2258**

*Terbeschikkingstelling van gebouwde onroerende goederen*

## **VRAAG**

Bedrijfsleiders stellen ingevolge onderhandse overeenkomsten van onbepaalde duur de kantoorruimten van gedeelten van gebouwen behorende tot hun privaat patrimonium «ter beschikking» van personen- of aandelenvennootschappen waar zij officieel bekleed zijn met de functie van zaakvoerder of bestuurder, fiscaal te catalogeren als bedrijfsleider.

In die eenvoudige overeenkomsten wordt verder uitdrukkelijk gestipuleerd dat het niet gaat om een onroerende verhuring maar dat het alleen gaat om het verlenen van een recht om binnen het gebouw een activiteit te ontplooien in de zin van [artikel 18, § 1, 6°, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18).

Alle kosten vallen daarbij integraal ten laste van de eigenaar. Alle overige clausules zijn zowel juridisch als feitelijk van ondergeschikt belang daar ze slechts loutere vormvoorschriften betreffen.

Uit fiscaal oogpunt rijzen evenwel de volgende algemene vragen met betrekking tot een dergelijke terbeschikkingstelling van beroepslokalen aan rechtspersonen.

**1.** a) Moeten inzake directe belastingen de maandelijks uitbetaalde vergoedingen als een onroerend inkomen, als een beroepsinkomen (winsten) of als een regelmatig divers inkomen worden aangemerkt?

b) Onder welke gecodeerde rubrieken van de aangifte in de personenbelasting over het aanslagjaar 1999 dienen de niet-geïndexeerde kadastrale inkomens en die ontvangen brutovergoedingen te worden ingevuld (nrs. 105, 106, 109, 110, 114, 401 en 600)?

c) Welke forfaitaire of werkelijke uitgaven of beroepskosten zoals onder meer afschrijvingen en grote en kleine onderhouden herstellingskosten kunnen van die brutovergoedingen door de eigenaars fiscaal in mindering worden gebracht op hun aangiften?

**2.** Op grond van welke wettelijke en/of reglementaire bepalingen van het BTW-Wetboek:

a) zijn die brutovergoedingen al dan niet onderworpen of vrijgesteld van BTW;

b) is de eigenaar als een BTW-belastingplichtige aan te merken?

**3.** a) Op grond van welke wettelijke en/of reglementaire bepalingen zijn die onderhandse overeenkomsten al dan niet onderworpen of vrijgesteld van registratierechten?

b) Bij welk registratiekantoor en binnen welke termijn zijn die overeenkomsten tijdig te registreren?

c) Welk bedrag of tarief aan registratierecht is wettelijk verschuldigd?

**4.** a) In welke mate worden die betaalde vergoedingen in aanmerking genomen bij de bepaling en/of de herschatting van de kadastrale inkomens waarvan onder meer sprake is in de artikelen 7, 471, § 2, 477 en 494 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992?

b) Beschouwt de oude administratie van het Kadaster die vergoedingen als een bruto-inkomen met een onroerend karakter van private of beroepsmatige daad?

Zo neen, waarom niet?

**5.** Op grond van welke algemene gezamenlijke feitelijke elementen en juridische omstandigheden zijn die vergoedingen in principe eventueel te herkwalificeren tot bezoldigingen van bedrijfsleiders ingevolge:

a) het attractiebeginsel;

b) artikel 32, tweede lid, 3°, WIB 1992;

c) artikel 344, § 1, WIB 1992?

## **ANTWOORD**

**1** en **5.** De door het geachte lid verstrekte gegevens stellen mij niet in staat om een definitief antwoord te verstrekken omtrent de gevolgen op het vlak van de inkomstenbelastingen van een terbeschikkingstelling van een gebouwd onroerend goed door een zaakvoerder of een bestuurder aan de vennootschap waarin die functie van bedrijfsleider wordt uitgeoefend.

In tegenstelling tot wat het geachte lid meent, hangt de beoordeling van dergelijke verrichting immers in eerste instantie af van het geheel van juridische en feitelijke omstandigheden waarin de verrichting plaatsvindt.

Die omstandigheden moeten dus aan de hand van concrete elementen, zoals een onderhandse overeenkomst en de ingevolge die overeenkomst betaalde bedragen, voor ieder geval afzonderlijk worden onderzocht.

**2.** Op grond van [artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) is de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van [artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) (met uitzondering van de in [artikel 18, § 1, tweede lid, 8° tot 10°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18), van genoemd wetboek bedoelde diensten, de onroerende financieringshuur en de verhuur van safeloketten) van de belasting vrijgesteld.

In de regel is dus van de BTW vrijgesteld iedere overeenkomst waarbij een partij zich verbindt om gedurende een bepaalde periode en tegen vergoeding het genot te verlenen over een uit zijn aard onroerend goed aan een andere partij.

Gelet op hetgeen voorafgaat, is de BTW niet verschuldigd op de huurvergoeding die een zaakvoerder of bestuurder aanrekent aan zijn vennootschap wegens de terbeschikkingstelling van een kantoorruimte en dient hij om die reden evenmin als belastingplichtige te worden geïdentificeerd.

Overigens kan er principieel slechts worden gesproken van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van [artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) wanneer diegene die dat recht verleent, zelf reeds in het kader van zijn economische activiteit gebruik maakt van hetzelfde gebouw als dit waarop bovengenoemd recht betrekking heeft.

De benaming die de contracterende partijen geven aan hun overeenkomst doet hieraan geen afbreuk.

**3.** De registratierechten treffen de ware aard en de werkelijke voorwaarden van de gesloten overeenkomsten.

De onderhandse overeenkomsten waarbij bedrijfsleiders de kantoorruimten van gedeelten van gebouwen behorende tot hun privaat patrimonium tegen het betalen van een vergoeding en voor onbepaalde duur ter beschikking stellen van vennootschappen waar zij officieel bekleed zijn met de functie van zaakvoerder of bestuurder, worden in principe als huurcontracten van onroerende goederen beschouwd.

Op grond van de artikelen [19, 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19), [32, 5°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32), en [39, 5°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39), van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, moeten de onderhandse overeenkomsten houdende verhuring van in België gelegen onroerende goederen verplicht ter registratie aangeboden worden op het registratiekantoor in welk ambtsgebied de onroerende goederen gelegen zijn en dit binnen de vier maanden vanaf de datum waarop deze overeenkomsten worden gesloten.

Op grond van de artikelen [83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) en [84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) van voormeld wetboek geven de onderhandse huurovereenkomsten voor onbepaalde duur van in België gelegen onroerende goederen aanleiding tot de heffing van het evenredig registratierecht van 0,2 % op het tienvoudig bedrag van de jaarlijkse huurprijs en lasten, zonder dat de belastbare som minder mag bedragen dan het samengevoegd bedrag van de huurprijzen en de aan de huurder opgelegde lasten voor de bij deze huurovereenkomsten voorziene minimumduur.

**4.** Het kadastraal inkomen van gebouwde percelen wordt door de administratie van het Kadaster vastgesteld met toepassing van de artikelen 471, § 2, en 477 van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 op grond van de normale netoothuurwaarden op het referentietijdstip bepaald door artikel 486 van hetzelfde wetboek.

De beschreven overeenkomsten vallen buiten het kader van de normale verhuringen, gelet op de bijzondere relatie tussen de verhuurder en de huurder.

Bijgevolg zijn de betaalde vergoedingen geen adequaat gegeven bij de bepaling of de herschatting van de kadastrale inkomens.

Gelet op de bovenstaande uitsluitingsgrond, is nadere kwalificatie van die vergoedingen terzake niet meer dienend.

## Aangehaalde teksten

7

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 3 voorkomens

[WBTW art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) 2 voorkomens

[WBTW art. 32](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) 1 voorkomen

[WBTW art. 39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) 1 voorkomen

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 1 voorkomen

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

## Administratieve doctrine

4

[Fiches van de administratieve commentaar 4](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/127-terbeschikkingstelling-gebouwde-onroerende-goederen-pieters-7006/documenten?type=commentaar)

« … oefenen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek wanneer diegene die dat recht verleent, zelf reeds in het kader van zijn economische activiteit gebruik maakt van hetzelfde gebouw als dit waarop bovengenoemd recht betrekking heeft ( parlementaire vraag nr. 127 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Trees Pieters van 23.11.1999 ). Het idee hierbij is dat er bijvoorbeeld bij de uitbating van een cafetaria een economische band bestaat tussen de twee partijen. De activiteit uitgeoefend door de concessiehouder vult deze van de concessiegever aan door deze aantrekkelijker te maken. de … »

[Diensten (01.07.2026)](https://juriel.be/nl/btw-commentaar/diensten-3da2) Administratieve commentaar 01.07.2026

[Bekijk de 4 documenten](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/127-terbeschikkingstelling-gebouwde-onroerende-goederen-pieters-7006/documenten)
