Vr. en Antw., Senaat, 2000-2001, nr. 2-35, blz. 1715-1717
BTW-Revue nr. 152, blz. 600
Diensten advocaten
VRAAG
Ik kom terug op mijn vraag om uitleg van 8 februari 2001 waarop de geachte minister antwoordde tijdens de zitting van 15 februari 2001.
Mijn vraag betrof de administratieve aanschrijving nr. 4 van 9 november 2000 betreffende de vrijstelling van belasting voor diensten verricht door advocaten in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid zoals voorzien in artikel 44, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek. Ingevolge voorvermelde administratieve aanschrijving wordt de vrijstelling van artikel 44, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek uitgebreid tot alle diensten verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid door in het buitenland gevestigde advocaten die zijn ingeschreven bij een balie of een gelijkaardige organisatie van een lidstaat van de Europese Unie en die er gerechtigd zijn om een beroepstitel te dragen die overeenstemt met die van advocaat in België. Burgerlijke advocatenvennootschappen gevestigd in België genieten de vrijstelling voor zover de meerderheid van de advocaten vennoten zijn die zijn ingeschreven bij een balie in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie. Het Belgische kantoor van een in het buitenland gevestigde advocatenvennootschap geniet eveneens voornoemde vrijstelling op voorwaarde dat de meerderheid van de advocaten vennoten zijn die zijn ingeschreven bij een balie in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie.
Mijn vraag omvatte vijf onderdelen.
Ten eerste werd gevraagd of België, gelet op de terzake gevestigde rechtspraak van het Hof van Justitie, wel het recht heeft om de bestaande toepassingsvoorwaarden voor de vrijstellingsregeling voorzien in artikel 44, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek, uit te breiden.
Ten tweede werd gevraagd of de invoering van een optionele belastingplicht wordt overwogen voor de buitenlandse advocaten die in België zijn gevestigd of voor de Belgische vestigingen van buitenlandse advocatenkantoren die voorheen aan de BTW waren onderworpen.
Ten derde werd gevraagd of de geachte minister zich bewust is van de discriminatie die ontstaat tussen de Belgische vestigingen van niet-Europese advocatenkantoren en Europese advocatenkantoren.
Ten vierde werd gevraagd of overgangsmaatregelen zijn voorzien om de discriminatie op te vangen die ontstaat tussen de Belgische vestigingen van buitenlandse advocatenkantoren waarvoor de aanschrijving in principe per 1 januari 2001 in werking getreden is, en de individuele advocaten ten aanzien waarvan de inwerkingtreding afhankelijk werd gemaakt van de omzetting van de Europese richtlijn 98/5/EG.
Tenslotte werd gevraagd of een compensatie wordt voorzien voor de financiële last die Belgische vestigingen van buitenlandse advocatenkantoren zullen moeten dragen tengevolge de toepassing van de 5- of 15-jarige herzieningsregeling inzake BTW.
In zijn antwoord wees de geachte minister erop dat "het dan ook voorbarig is nu al de mate van vrijstelling te willen bepalen. De omzetting van de vierde richtlijn (nota: het betreft de richtlijn 98/5/EG van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven) is daarvoor onontbeerlijk. Van zodra de omzetting een feit is, wordt natuurlijk het omgekeerde mogelijk. Een ministerieel besluit zal dan worden gepubliceerd en een uitvoerige omzendbrief zal voor elk nuttig tijdperk aangeven welk BTW-stelsel van toepassing is op de diensten van advocaten. De aanslag zal op geen enkele manier worden gewijzigd vóór de publicatie van dit commentaar".
Ik wil er de geachte minister op wijzen dat zijn antwoord grote onzekerheid heeft doen ontstaan.
Zo heb ik vernomen dat de centrale BTW-administratie zelf aan de geachte minister gevraagd heeft in welke zin zijn antwoord dient geïnterpreteerd te worden. Het is immers blijkbaar ook voor uw administratie niet duidelijk of haar aanschrijving opgeschort moet worden dan wel uitwerking heeft zoals voorzien in de aanschrijving. Ik heb begrepen dat de geachte minister op de vraag van zijn administratie nog niet geantwoord heeft. Thans is het dan ook zo dat, in afwachting van zijn antwoord, de centrale BTW-administratie aan betrokken belastingplichtigen geen antwoord kan geven op de vraag of de aanschrijving al dan niet moet worden toegepast, en zo ja, in welke zin en vanaf welk ogenblik, en derhalve adviseert een afwachtende houding aan te nemen. Het hoeft evenwel geen betoog dat dergelijke toestand geenszins de rechtszekerheid van belastingplichtigen ten goede komt.
Dit is des te meer het geval aangezien blijkt dat bepaalde lokale BTW-kantoren, tot nader order vanwege de centrale BTW-administratie, onverminderd doorgaan met de toepassing van de administratieve aanschrijving en belastingplichtigen verzoeken hun BTW-registratie door te halen en tot herziening van vroeger in aftrek gebrachte BTW over te gaan. Dit heeft tot gevolg dat momenteel bepaalde advocatenkantoren hun diensten verrichten met BTW-facturen terwijl andere dit zonder BTW-facturen doen. Het spreekt voor zich dat dergelijke gang van zaken de betrokken belastingplichtigen alsmede hun cliënten in een niet langer houdbare situatie plaats.
Ik had dan ook graag van de geachte minister vernomen wat zijn standpunt is inzake de toepassing van de administratieve aanschrijving nr. 4 van 9 november 2000. Kan de geachte minister mij meedelen in welke zin hij zijn diensten zal adviseren en wanneer?
ANTWOORD
Artikel 44, § 1, 1°, van het Wetboek van de belasting op de toegevoegde waarde stelt uitdrukkelijk de diensten van advocaten, verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid, vrij van die belasting. Die vrijstelling, in werking getreden op 1 januari 1971, onthoudt de begunstigde, van bij het begin, het recht op aftrek van de voormelde belastingen.
Waar het aldus bepaalt op het haar eigen gebied, rept artikel 44, § 1, 1°, daarentegen met geen woord over de hoedanigheid zelf van advocaat. Dat berust uitsluitend bij artikel 428, oud en nieuw, bij artikelen 477bis tot 477sexies en bij de artikelen 428bis tot 428decies van het Gerechtelijk wetboek. Volgens de bepalingen van die artikelen, die onder de bevoegdheid vallen van de minister van Justitie, kunnen enkel de titel van advocaat voeren en het beroep in België uitoefenen:
•de advocaten van Belgische nationaliteit, die ingeschreven staan bij een Belgische balie;
•de advocaten, onderdanen van een andere lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap, die ingeschreven staan bij een Belgische balie;
•de advocaten, onderdanen van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap, die bij gelegenheid diensten leveren vanuit die andere lidstaat en die ingeschreven staan bij een balie van diezelfde lidstaat;
•de advocaten, onderdanen van een andere lidstaat van de Europese Unie, die het optierecht uitoefenen en slagen in de bekwaamheidsproef die hen toegang verleent tot de inschrijving bij een Belgische balie.
Die bepalingen vloeien voornamelijk voort uit de omzetting in het Belgische rechtsstelsel van drie Europese richtlijnen: nr. 77/ 249/EEG van 22 maart 1997, nr. 89/48/EEG van 21 december 1988 en nr. 92/51/EEG van 18 juni 1992. Een vierde richtlijn nr. 98/5/EU van 16 februari 1998 - moet daarenboven op haar beurt in het Belgisch recht omgezet worden. Die richtlijn behelst het recht van advocaten uit een andere lidstaat om zich definitief in een andere gastlidstaat te vestigen.
De administratieve commentaar waar het geachte lid op doelt, blijft met andere woorden van toepassing, voor zover het zich beperkt tot de hoedanigheid van advocaat zoals die resulteert uit de bundeling van de drie omgezette richtlijnen. Die commentaar is daarentegen echter verkeerd als hij in de praktijk vooruitloopt op de, nog onzekere, gevolgen van de vierde richtlijn, waarvan de omzetting nog moet gebeuren. (Om het daarover eens te zijn hoeft de minister van Financiën niet tussen te komen.)
Zodra de vierde richtlijn zal omgezet zijn, zal een ministeriële omzendbrief natuurlijk, voor elke nuttige tijdspanne, het toepasselijk BTW stelsel bepalen voor de prestaties van advocaten. In de huidige stand van de wetgeving zou een zuivere opheffing van artikel 44, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek de algemene toepassing betekenen van het tarief van 21 % op de erelonen die de betrokkenen ontvangen. De toegang van de burger tot de justitie zou er in dezelfde mate door bestraft worden. Ik hield eraan dit te onderstrepen.
Ik zal ook de vertegenwoordigers van de balie rond dit punt ontmoeten.
Mijn administratie heeft alle nodige inlichtingen gekregen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.