---
title: "Parlementaire vraag 12387 · Procedure. invordering"
description: "Procedure. invordering. Parlementaire vraag nr. 12387 van 10 juli 2012 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/12387-procedure-invordering-mondelinge-veerle-wouters-08c4"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/12387-procedure-recouvrement-orale-veerle-wouters-4ff3"
---

# Procedure. invordering

**Nummer**

12387

**Datum**

10 juli 2012

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

12 paragrafen

**Beknopt verslag 53, Commissie voor Financiën en de Begroting 537 d.d. 10.07.2012, blz. 2**

*Procedure*

*Invordering*

## **VRAAG**

( van mevrouw Wouters)

In 1999 wou de wetgever de btw-procedureregels afstemmen op die van de inkomstenbelastingen. Dit is niet gelukt omdat de btw geen aanslagtermijnen kent voor het te voeren onderzoek of verjaringstermijnen voor de invordering. De invoering van de trapsgewijze aanslagtermijnen van drie, vijf of zeven jaar als verjaringstermijn in de btw heeft al tot heel wat rechtspraak geleid, waarbij men zich laat leiden door een interpretatie die zich op het gebied van de inkomstenbelastingen heeft ontwikkeld.

Op 27 april 2012 besliste het Hof van Cassatie echter dat de verjaringstermijn enkel zeven jaar bedraagt als de administratie beschikt over bewijzen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat belastingaftrekken ten onrechte werden toegepast. Volgt de minister het Hof van Cassatie en moeten bewijskrachtige gegevens voor de btw niet zo bewijskrachtig als in de inkomstenbelastingen, zodat de btw-administratie nog bijkomende onderzoeksdaden mag stellen? Is hij het ermee eens dat de onderzoekstermijn inzake btw nu drie jaar is, behalve in het geval van fraude? Is dit voldoende om de btw te controleren? Is een onderzoek dat dus vier jaar kan aanslepen nog wel redelijk? Had de wetgever niet beter de eigenheid van beide belastingprocedures erkend en de afzonderlijke procedures behouden?

## **ANTWOORD**

( van de heer Bogaert, Staatssecretaris)

Het arrest van het [Hof van Cassatie van 27 april 2012](https://juriel.be/nl/rechtspraak/invordering-termijnen-verjaring-onregelmatige-aangifte-cassatie-brussel-2012-04-27-221e) kan een belangrijke impact hebben op de procedures en wordt daarom grondig bestudeerd door de administratie. De wet van 15 maart 1999 is het resultaat van een diepgaande studie van tien jaar en heeft gezorgd voor een meer coherente procedure en een grotere rechtszekerheid. Ik ben het er niet mee eens dat het om een mislukte harmonisering gaat.

Uit de conclusies van het openbaar ministerie voor het hof van beroep te Bergen blijkt niet dat de bewijskrachtige elementen ter kennis moeten komen van de administratie binnen de verjaringstermijn van drie of vijf jaar, en dat hun ontdekking die termijn zal verlengen. Het regeerakkoord bevat een diepgaande harmonisatie van de onderzoeks- en procedureregels van de federale belastingen. Gelet op onder meer de strijd tegen de fraude kan het zeker niet de bedoeling zijn om terug te keren naar een onderzoekstermijn van drie jaar.

Ik heb eerder al een lans gebroken voor een vereenvoudiging van de procedureregels voor de belastingen. Ik heb mijn administratie gevraagd om mij voorstellen voor te leggen om de bijzondere verjaringstermijn te herstellen als de btw-invordering berust op bewijskrachtige elementen waarvan de administratie kennis heeft gekregen.

## **CONCLUSIE**

( van mevrouw Wouters)

De minister heeft gezegd dat hij één Wetboek van Invordering wil hebben voor de inkomsten- en de indirecte belastingen. Het lijkt mij aangewezen dat hij deze ambities wat tempert. Tien jaar na de harmonisering loopt het nog altijd niet zo vlot als men had gedacht, wat negatief is voor de belastingplichtige.
