---
title: "Parlementaire vraag 1214 · Verkeersbelasting. Vrijstelling wegens invaliditeit"
description: "Verkeersbelasting. Vrijstelling wegens invaliditeit. Parlementaire vraag nr. 1214 van 16 januari 2003 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1214-verkeersbelasting-vrijstelling-wegens-invaliditeit-schauvliege-0991"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/1214-taxe-circulation-vehicule-handicape-schauvliege-11a2"
---

# Verkeersbelasting. Vrijstelling wegens invaliditeit

**Nummer**

1214

**Datum**

16 januari 2003

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

18 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 155, blz. 19878-19880**

**Bull. nr. 840, pag. 2221-2224**

*Verkeersbelasting - Vrijstelling wegens invaliditeit*

## **VRAAG**

Personen met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en die ten minste 50 % bedraagt, kunnen onder andere de vrijstelling van de verkeersbelasting genieten.

Dit voordeel wordt echter enkel toegekend op voorwaarde dat het voertuig door de invalide persoonlijk gebruikt wordt. Dit wordt heel strikt gei¨nterpreteerd: de persoon met een handicap moet aanwezig zijn in de auto (zelf rijden of passagier).

Dit betekent dat als de partner of andere dichte familieleden de auto gebruiken om boodschappen te doen zonder de aanwezigheid van de persoon met een handicap, dat dit dan onwettig is. Als men dit doortrekt, betekent dit dat gezinnen met een persoon die een blijvende invaliditeit van minstens 50 % aan de onderste ledematen heeft, verplicht worden om twee auto's te komen, en dit terwijl zo'n gezinnen het financieel zo al moeilijker hebben.

Bent u bereid om de erg strikte voorwaarde van het persoonlijk gebruik te versoepelen of te schrappen, zodat ook dichte verwanten van de personen die recht hebben op fiscale voordelen omwille van hun handicap alleen gebruik kunnen maken van het voertuig ?

## **ANTWOORD**

(minister van Financiën, 03.02.2003)

In antwoord op een mondelinge vraag van mevrouw Haegeman, heb ik op 22 oktober 2002 nog een volledig overzicht gegeven van de huidige stand van zaken en van de voorstellen die de werkgroep gedaan heeft (Vraag nr. A111, Integraal Verslag, Kamer, 2002-2003, commissie voor de Financiën en de Begroting, 22 oktober 2002, COM 857, blz. 18).

In dat antwoord heb ik er op gewezen dat in de huidige stand van de wetgeving de vrijstelling van de verkeersbelasting en van de BTW op de aankoop en het onderhoud gelet op de strikte wettelijke bepalingen, slechts in een beperkt aantal gevallen kan worden toegekend en dat de in de wetgeving opgenomen voorwaarden om de vrijstelling te kunnen genieten, aanleiding kunnen geven tot problemen bij het gebruik van het voertuig zonder dat de persoon met een handicap zich in het voertuig bevindt.

Om daaraan te verhelpen heb ik dus inderdaad begin 2001 een werkgroep opgericht, waarvan ook een aantal volksvertegenwoordigers en een vertegenwoordiger van de regeringscommissaris toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken, deel uitmaakten. Deze werkgroep heeft een evaluatie gemaakt van de huidige stand van de wetgeving, van de wijze waarop de voorwaarden om de vrijstelling te kunnen genieten door de administratie worden toegepast en van de mogelijkheden om de wetgeving en de administratieve onderrichtingen aan te passen.

Wat de door u aangehaalde voorbeelden betreft kan ik u evenwel bevestigen dat in de administratieve commentaar reeds een aantal gevallen zijn opgesomd (zoals bijvoorbeeld het wegbrengen van een gehandicapte, het ophalen van medicijnen, enz.) waarin de vrijstelling niet in het gedrang komt wanneer de persoon met handicap niet in het voertuig aanwezig is.

De werkgroep heeft evenwel vastgesteld dat wijzigingen aan de wetgeving op het vlak van de verkeersbelasting niet meer door de federale overheid kunnen worden doorgevoerd aangezien vanaf 1 januari 2002 enkel de gewesten ter zake bevoegd zijn. Omdat die vrijstellingen ook gelden voor de BTW en het wenselijk is om die samenhang ook in de toekomst te behouden, moet voor wijzigingen aan de BTW-wetgeving de instemming van de Europese Commissie gevraagd worden.

Gelet op die bevoegdheidsverdeling moeten de aanpassingen van de administratieve commentaar beperkt blijven tot duidelijk afgebakende situaties, zonder dat de basisprincipes van het wettelijk geregelde gunstregime worden aangetast.

Om die reden was de werkgroep van oordeel dat op dit ogenblik enkel een beperkte aanpassing van de administratieve commentaar mogelijk is. De versoepeling geldt voor gezinnen met gehandicapte minderjarigen of gehandicapte kinderen die onder het stelsel van de verlengde minderjarigheid vallen en zal gehandhaafd worden tot op het ogenblik dat de betrokken invalide in aanmerking komt voor hetzij de inkomensvervangende tegemoetkoming, hetzij de integratietegemoetkoming bedoeld door de wet van 27 december 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten (Belgisch Staatsblad van 1 april 1987).

Tevens vraag ik het akkoord van de gewesten om de administratieve commentaar nog uit te breiden tot gezinnen zonder kinderen maar waarin één van beide echtgenoten gehandicapt is. Bovendien zal ik de aandacht van de gewesten vestigen op het feit dat de categorieën van handicap die thans in de wetgeving zijn opgenomen te beperkt zijn en dat een aanpassing ervan aangewezen is om te beantwoorden aan de maatschappelijke en sociale noden.

Als de gewesten bereid zijn de wetgeving op het vlak van de verkeersbelasting aan te passen, zal ik in 2003 (het Europees jaar van de personen met handicap) aan de Europese Commissie vragen of kan worden ingestemd met een aanpassing van de Belgische BTW-wetgeving.
