Parlementaire vraag nr. 1210 van de heer Xavier Dubois d.d. 26.05.2026
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2025‑2026, QRVA 56/54 d.d. 26.06.2026, blz. 391
Btw - Terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen - Exclusief karakter van het toegekende recht
VRAAG
In de administratieve commentaar met betrekking tot de btw wordt gesteld dat het begrip terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw‑Wetboek, als uitzondering op de vrijstelling met betrekking tot de onroerende verhuur, louter betrekking heeft op de terbeschikkingstelling van bergruimten waarvoor een exclusief gebruiksrecht is toegekend (Btw‑Commentaar, FOD Financiën, Boekwerk I, Hoofdstuk 3 (Diensten), Afdeling 3 (Diensten die opgesomd zijn in artikel 18, § 1, tweede lid, van het Btw‑Wetboek), 2024, nr 9, A, a), laatste lid, www.fisconetplus.be).
In de commentaar wordt benadrukt dat "het begrip ruimte voor het opslaan van goederen zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw‑Wetboek, als uitzondering op (de vrijstelling van) de onroerende verhuur, een beperktere draagwijdte heeft dan dat bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 9° van het Btw‑Wetboek en slechts de terbeschikkingstelling van bergruimte beoogt waarvoor een exclusief gebruiksrecht is toegekend."
Men kan zich echter afvragen waarop deze eis van een exclusief gebruiksrecht gebaseerd is, aangezien deze niet in de bewoordingen van artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw‑Wetboek terug te vinden is. Die bepaling stelt voor de niet-toepassing van de vrijstelling immers niet uitdrukkelijk de voorwaarde van exclusiviteit van het gebruiksrecht door de afnemer.
De Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van de EU van 15 maart 2011 bepaalt dat de opslag of stockage van goederen in een onroerend goed niet wordt beschouwd als een dienst die verband houdt met onroerend goed, als geen specifiek gedeelte van dat goed voor exclusief gebruik door de afnemer bestemd is (art. 31bis, onder 3., b, zoals ingevoegd bij de richtlijn van 7 oktober 2013; zie besluit nr. E.T. 124.412 van 2 juni 2014, nr. 4.1.1). Deze regel, die met artikel 47 van de btw-richtlijn in verband moet worden gebracht, heeft echter tot doel de plaats van de dienstverrichting vast te stellen, en heeft tot gevolg dat de activiteit, in het bedoelde geval (geen exclusief gebruik), niet plaatsvindt op de plaats waar het onroerend goed is gelegen, zoals het geval is voor diensten die verband houden met een gebouw, maar de algemene regel volgt voor de plaatsbepaling van dienstverrichtingen (d.w.z. in principe op de plaats waar de afnemer van de dienst de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, indien deze afnemer een belastingplichtige is die als zodanig optreedt: cf. art. 21, § 2, van het Belgische Btw‑Wetboek).
Welke btw‑regeling is er van toepassing op de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, die niet exclusief voor gebruik door de afnemer bestemd is: vrijstelling, verplichte belastingheffing of een mogelijkheid tot belastingheffing?
ANTWOORD
d.d. 26.06.2026 (van de vice‑eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen)
Allereerst wordt eraan herinnerd dat het begrip "ruimten gebruikt voor het opslaan van goederen" zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw‑Wetboek, als uitzondering op de (vrijstelling van) onroerende verhuur, enkel betrekking heeft op de terbeschikkingstelling van ruimten waarvoor een exclusief gebruiksrecht wordt toegekend en dus een beperktere draagwijdte heeft dan die welke voorkomt in artikel 18, § 1, tweede lid, 9°, van het Btw‑Wetboek.
Om onder deze uitzondering te vallen, moet de terbeschikkingstelling immers eerst onder het begrip onroerende verhuur vallen zoals gedefinieerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, namelijk een verrichting waarbij de eigenaar van een onroerend goed aan de huurder, tegen betaling van huur en voor een overeengekomen duur, het recht verleent om een onroerend goed te gebruiken alsof hij er eigenaar van is en om ieder ander van dat recht uit te sluiten (zie met name Hof van Justitie van de Europese Unie, C‑284/03, Arrest Temco Europe SA, van 18 november 2004, punt 19).
Dit betekent dat de terbeschikkingstelling van ruimten gebruikt voor het opslaan van goederen zonder dat deze exclusief aan de huurder wordt toegewezen, niet onder artikel 44, § 3, 2°, van het Btw‑Wetboek kan vallen en bijgevolg ook niet onder een van de in dit artikel voorziene uitzonderingen. Zij wordt bijgevolg noodzakelijkerwijs beoogd door de bepalingen van artikel 18, § 1, tweede lid, 9°, van het Btw‑Wetboek en is aldus in België aan btw onderworpen, wanneer zij geacht wordt daar plaats te vinden overeenkomstig artikel 21, §§ 1 en 2, van het Btw‑Wetboek (b2b‑situatie) of artikel 21bis, § 1, van het Btw‑Wetboek (b2c‑situatie) (toepassing van artikel 31bis, lid 3, b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.