Toepassing van het correcte btw-tarief op verwarmingsinstallaties op fossiele brandstoffen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1203 22 mei 2026

Zoeken

Toepassing van het correcte btw-tarief op verwarmingsinstallaties op fossiele brandstoffen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1203-toepassing-correcte-btw-tarief-verwarmingsinstallaties-e3de

Nummer
1203
Datum
22 mei 2026

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

36 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 1203 van de heer Vincent Van Quickenborne d.d. 22.05.2026

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2025‑2026, QRVA 56/54 d.d. 26.06.2026, blz. 372

Toepassing van het correcte btw‑tarief op verwarmingsinstallaties op fossiele brandstoffen

VRAAG

Sinds 2025 geldt een gewijzigde btw-regeling voor verwarmingsinstallaties die werken op fossiele brandstoffen. Volgens de informatie van de FOD Financiën is het verlaagde btw‑tarief van 6 % niet langer van toepassing op het specifieke gedeelte van dergelijke installaties, zoals gas- en mazoutketels en hun specifieke bestanddelen.

Voor werken in onroerende staat in het kader van renovatie en bepaalde gevallen van afbraak en heropbouw is het normale btw‑tarief van 21 % van toepassing vanaf 29 juli 2025. Voor de levering van een heropgerichte woning geldt dit vanaf 1 juli 2025. Er is bovendien een overgangsmaatregel voor bestaande contracten, onder bepaalde voorwaarden en voor btw die uiterlijk op 30 juni 2026 opeisbaar wordt.

In de praktijk blijkt echter dat er bij installateurs en klanten nog heel wat onduidelijkheid bestaat over de correcte toepassing van deze regeling. Sommige ondernemingen zouden de levering en plaatsing van installaties op fossiele brandstoffen nog steeds volledig aan 6 % factureren, terwijl andere ondernemingen de regels strikt toepassen en voor het specifieke gedeelte 21 % aanrekenen. Dat leidt tot verwarring bij consumenten en kan ook aanleiding geven tot concurrentieverstoring tussen ondernemingen die dezelfde werken uitvoeren.

1. Bevestigt u dat voor de plaatsing of vervanging van het specifieke gedeelte van verwarmingsinstallaties op fossiele brandstoffen sinds de toepasselijke data het normale btw‑tarief van 21 % geldt, behoudens de voorziene overgangsmaatregelen?

2. Welke richtlijnen werden hierover verspreid naar de sector, de installateurs, boekhouders en andere betrokken beroepsgroepen?

3. Zijn er sinds de invoering van deze regeling signalen, vragen of klachten ontvangen over een foutieve toepassing van het btw‑tarief bij verwarmingsinstallaties op fossiele brandstoffen? Zo ja, hoeveel meldingen of vragen werden hierover ontvangen en via welke kanalen?

4. Voert de btw‑administratie gerichte controles uit op de correcte toepassing van deze regeling, in het bijzonder wanneer volledige facturen nog aan 6 % worden opgesteld terwijl minstens een deel van de werken aan 21 % onderworpen zou moeten zijn?

5. Welke gevolgen zijn er voor ondernemingen die ten onrechte het verlaagde btw‑tarief van 6 % blijven toepassen?

6. Overweegt u bijkomende communicatie of verduidelijking, bijv. via een praktische FAQ of sectorgerichte toelichting, om te vermijden dat correcte ondernemingen commercieel benadeeld worden tegenover concurrenten die de regeling foutief toepassen?

7. Acht u de huidige opsplitsing tussen "specifieke" en "niet‑specifieke" onderdelen in de praktijk voldoende duidelijk en werkbaar voor installateurs en klanten? Zo niet, bent u bereid om bijkomende voorbeelden of administratieve richtlijnen te publiceren?

ANTWOORD

.d.d. 26.06.2026 (van de vice‑eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen)

1. Het klopt dat de nieuwe uitzondering op de toepassing van het verlaagd btw‑tarief van 6 % ten aanzien van de plaatsing of vervanging van het specifieke gedeelte van centrale verwarmingsinstallaties op fossiele brandstoffen in principe van toepassing is:

•hetzij in het kader van een renovatie (rubriek XXXI, tabel A, koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 inzake btw‑tarieven) en van een regeling afbraak en heropbouw (rubriek XXXVII, § 1, § 2 en § 4 van tabel A, koninklijk besluit nr. 20) vanaf 29 juli 2025 (dit is de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de programmawet);

•hetzij in het kader van de regeling afbraak en heropbouw (rubriek XXXVII, § 3, van tabel A, koninklijk besluit nr. 20) vanaf 1 juli 2025, gezien voormelde § 3 uitdrukkelijk voorziet dat de nieuwe bepalingen van toepassing zijn op de btw die opeisbaar is geworden vanaf 1 juli 2025.

Voor zover de opeisbaarheid van de btw uiterlijk op 30 juni 2026 plaatsvindt, bestaat er een overgangsregeling:

•voor overeenkomsten die betrekking hebben op werk in onroerende staat in het kader van een renovatie en van een regeling afbraak en heropbouw gesloten uiterlijk op 28 juli 2025;

•voor overeenkomsten die betrekking hebben op de levering van een heropgerichte woning in het kader van de regeling afbraak en heropbouw gesloten uiterlijk op 30 juni 2025.

2. De administratie heeft hierover volgende informatie gepubliceerd:

•een actua‑bericht op 6 juni 2025 en op 11 juli 2025;

•een administratieve circulaire 2025/C/47 van 28 juli 2025 betreffende het toepasselijk btw‑tarief voor de levering met plaatsing van een centrale verwarmingsinstallatie die werkt op fossiele brandstoffen bij renovatie of afbraak en heropbouw.

Daarnaast werd de informatiepagina van de FOD Financiën over "bouwen en verbouwen" aangevuld met een FAQ nopens deze maatregel.

3. Vanuit de bouwsector werd de aandacht gevestigd op een specifieke problematiek, met name het btw‑tarief dat van toepassing is op de levering met plaatsing van zogenaamde hybride warmtepompen.

Uit de bepalingen van de tijdelijke regeling beoogd door artikel 1quater/1 van het koninklijk besluit nr. 20 inzake btw‑tarieven (uitbreiding toepassing btw‑tarief van 6 %), blijkt dat zogenaamde "hybride" warmtepompen uitdrukkelijk zijn uitgesloten van deze tijdelijke maatregel. Ik verwijs naar de circulaire nr. 2026/C/19 van 20 januari 2026 betreffende de herinvoering van het verlaagd btw‑tarief voor de levering met plaatsing van warmtepompen.

Daarentegen blijkt uit de bepalingen van de vaste regeling opgenomen de rubrieken XXXI en XXXVII van voormeld koninklijk besluit dat de uitsluiting van het verlaagd btw‑tarief van 6 % met betrekking tot centrale verwarmingsinstallaties enkel betrekking heeft op het specifieke gedeelte van dat verwarmingssysteem dat werkt op fossiele brandstoffen en aldus niet op het niet-specifieke gedeelte dat kan worden geïntegreerd in een centraal verwarmingssysteem dat niet werkt op fossiele brandstoffen. De levering met plaatsing van hybride warmtepompen kunnen onder deze vaste regeling bijgevolg wel het verlaagd btw‑tarief van 6 % genieten, voor zover uiteraard ook de overige gestelde voorwaarden zijn vervuld.

De AAFisc heeft sinds de invoering van deze regeling twee meldingen ontvangen die specifiek betrekking hebben op de onjuiste toepassing van het btw‑tarief op verwarmingsinstallaties op fossiele brandstoffen.

Eén van deze meldingen werd per e‑mail door een belastingplichtige doorgestuurd naar een operationele dienst van de administratie KMO en de andere werd ingediend via het Meldpunt van de FOD Economie en aan de AAFisc toegewezen voor verdere behandeling.

4. De correcte toepassing van de verschillende geldende btw‑tarieven, en meer specifiek het toepasselijke tarief voor centrale verwarmingsinstallaties op fossiele brandstoffen, wordt waar nodig gecontroleerd, als onderdeel van algemene controleacties.

5. Bij het vaststellen van de onterechte toepassing van het verlaagde tarief van 6 % voor werk in onroerende staat voor de levering en de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van het specifieke gedeelte van een installatie voor centrale verwarming die werkt op fossiele brandstoffen (daaronder begrepen de branders en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel) zal de administratie de aanvullende btw van 15 % vorderen.

Bij afwezigheid van ontslag van aansprakelijkheid in hoofde van de installateurs van dergelijke bestanddelen of een gedeelte van dergelijke bestanddelen behoort het tot de mogelijkheid van de administratie om de aanvullende btw te vorderen van bedoelde installateurs in hun hoedanigheid van hoofdschuldenaar van de belasting.

De administratie zal, afhankelijk of de aanvullend verschuldigde btw al dan niet meer is dan 1.250 euro voor een controleperiode van één jaar en voor zover er geen sprake is van het opzet om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, een verminderde proportionele administratieve geldboete toepassen van 5 % of 10 % van de verschuldigde belasting.

Evenwel, de belastingplichtige dient zijn belastingtoestand recht te zetten via zijn btw‑aangifte. Bij een spontane rechtzetting vóór enige tussenkomst van de administratie wordt volledige kwijtschelding van voornoemde geldboete verleend.

6 en 7. Mijn administratie houdt de vinger aan de pols via contacten met stakeholders zoals bijv. de bouwsector zodat de voornoemde communicatie kan bijgestuurd en aangevuld worden wanneer nodig.

Aangehaalde teksten

1