Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 118, blz. 22923-22925
Nieuwbouw particulieren - Eigen werk en kosteloze hulp van derden - Bewijslast
VRAAG
In vak IV van het BTW-aangifteformulier nr. 106.3 moet normaliter een gedetailleerde opgave worden verstrekt van alle werken in onroerende staat die door de private eigenaar (bouwheer) werden uitgevoerd met kosteloze medewerking van derden.
Naar verluidt schenkt de BTW-administratie daarbij vooral aandacht aan de graad van bloed- en aanverwantschap en aan het feit of die helpers beroepshalve daarnaast nog een of andere (zelfstandige) beroepsactiviteit uitoefenen die enigszins rechtstreeks verband houdt met de bouw- of immobiliënsector.
In de praktijk rijzen voor de particuliere bouwheer, die in principe blijkbaar toch geen eigenlijke BTW-belastingplichtige is in de zin van artikel 4 van het BTW-Wetboek, daarbij evenwel toch de volgende algemene praktische en pertinente vragen.
1.
a) Moet er bij het fiscaal onderzoek van de gegevens van die ingediende BTW-aangifte nr. 106.3 en de vergelijking met de normale nieuwbouwwaarde eveneens effectief rekening worden gehouden met de kosteloze hulp, met inbegrip van de geregelde opkuis van de bouwwerf, verricht door de volgende personen:
•vrienden;
•kennissen;
•samenwonende levenspartner (ongehuwd, weduwe, weduwnaar);
•kinderen en kleinkinderen van die samenwonende levenspartner;
•buren ?
b) Zo neen, waarom telkens niet en/of in welke precieze mate ?
2. Op wie rust niet alleen de «bewijslast» maar ook de «uitdrukkelijke motivering» bij de bepaling van de twee volgende beoordelingselementen:
a) de totale oprichtingsprijs van de private woning;
b) de reële waarde of de normale particuliere kost- of marktprijs van de kosteloos verleende hulp door familieleden, schoonfamilie en andere derden ?
3.
a) Aan de hand van al welke concrete bewijsmiddelen, attesten en/of verklaringen kan of moet de private bouwheer-eigenaar eventueel de waarde van die kosteloze hulp van zijn familie, schoonfamilie en van derden naar voldoening van fiscaal recht zelf staven ?
b) Moet de particuliere bouwheer eventueel zelf reeds onmiddellijk een redelijke schatting maken van de normale waarde van zijn eigen werk en van dat van zijn familie, schoonfamilie of van derden en moet hij dat geraamd bedrag ook meteen spontaan opnemen in het beoogde aangifteformulier nr. 106.3 ?
4. Kan u punt per punt uw huidige algemene ziens en handelwijze meedelen ondermeer zowel in het licht van de bepalingen van het BTW-Wetboek, artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 1315 en 1349 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen als in het kader van een klantvriendelijk en behoorlijk fiscaal bestuur ?
ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Financiën, 18.04.2006)
Voor werk in onroerende staat geleverd door een belastingplichtige en dat betrekking heeft op de oprichting van een gebouw bepaald artikel 36, § 1, b) , van het BTW-Wetboek dat de maatstaf van heffing niet lager mag zijn dan de normale waarde van die dienst.
Onbezoldigde hulp van familie en vrienden is niet aan de BTW onderworpen, behoudens indien de persoon die de kosteloze hulp verleent een BTW-belastingplichtige is die werk in onroerende staat uitvoert en het werk behoort tot de werkzaamheid waarvoor hij belastingplichtige is (BTW-Wetboek, artikel 2, eerste lid, en artikel 19, § 2, 2°).
Artikel 64, § 4 van het BTW-Wetboek bevat echter een vermoeden dat, behoudens tegenbewijs, ieder pas opgericht gebouw geacht wordt door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van één of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat.
Het gaat hier om een vermoeden juris tantum, zodat de eigenaar van het gebouw door alle middelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, kan bewijzen dat hij zelf of met de kosteloze medewerking van derden het gebouw geheel of gedeeltelijk heeft opgericht.
Wanneer het voornoemde tegenbewijs voor bepaalde werken werd geleverd, worden die werken niet in aanmerking genomen voor het vaststellen van de maatstaf van heffing en in die mate zal de heffing beperkt worden tot de BTW die eventueel werd geheven van de geleverde bouwmaterialen.
Schriftelijke verklaringen van personen die zelf kennis hebben van het verrichte werk omdat zij van dat werk ooggetuige zijn geweest, kunnen als een bewijsmiddel van gemeen recht worden aangemerkt.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.