Taksen. Automobilisten · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1149 3 december 1997

Zoeken

Taksen. Automobilisten

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1149-taksen-automobilisten-duquesne-taks-automobilist-df37

Nummer
1149
Datum
3 december 1997

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

13 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer,1997, nr. 112 , blz. 15206

Taksen - Automobilisten

VRAAG

Uit een door F.E.B.I.A.C. gepubliceerde studie blijkt dat de automobilisten in 1996 332,451 miljard taksen voor de aankoop en het gebruik van hun voertuig hebben betaald: accijnzen en B.T.W. op brandstoffen, B.T.W. op de verkoop van auto's, verkeersbelasting, enz.

1. Kan men bijgevolg zonder te overdrijven stellen dat de automobilisten een belangrijke bron van inkomsten voor de Staat zijn?

2. Vindt u dat de automobilisten, voor de inspanningen die zij doen, voldoende terugkrijgen in de vorm van maatregelen die hen onrechtstreeks ten goede komen, zoals het promoten van niet-vervuilende vervoermiddelen of het veiliger maken van de wegen?

ANTWOORD

1. Een bijzondere studie van de O.E.S.O. gewijd aan het fiscaal stelsel van voertuigen stelt vast dat de belastingen op de autovoertuigen in de meeste landen een belangrijke bron van openbare inkomsten vormen. De belastingen treffen de verwerving en het bezit van het voertuig, zijn gebruik, zijn werking en onderhoud: de fiscaliteit van voertuigen levert aldus een goed voorbeeld van het gebruik van het hele gamma van belastingen op het verbruik (publicatie van de O.E.S.O. van de serie Tendances des impôts sur la consommation, 2e uitgave, 1997, hoofdstuk 4, blz. 49 en volgende).

Ook voor België geldt deze vaststelling. Het past echter het belang van deze fiscale heffingen en de geciteerde cijfers te relativeren door de aandacht van het geachte lid te vestigen op het feit dat de fiscaliteit zelf in menige volledige, gedeeltelijke, forfaitaire of beperkte aftrekken voorziet van de belastingen, taksen en andere bijdragen en dit zowel voor bedrijven als voor particulieren (aftrek inzake B.T.W. door de belastingplichtigen, aftrek inzake inkomstenbelastingen van belastingen en andere heffingen in het kader van de beroepskosten).

Men mag evenmin uit het oog verliezen dat door de fiscaliteit geplande vrijstellingen, verminderingen en teruggaven, in de mate waarin de verschillende begrotingen het toelaten, bepaalde categorieën van belastingplichtigen worden ontzien, zoals invaliden en gehandicapten (in 1996, 550 miljoen voor de B.T.W., 275 voor de verkeersbelasting), onrechtstreeks het openbaar vervoer wordt geholpen (175 miljoen accijnsrechten), de landbouwsector wordt ondersteund (5,5 miljard accijnsrechten), de belasting wordt verlicht van bepaalde voertuigen aangewend tot industrieel en handelsgebruik (3,6 miljard accijnsrechten).

Daartegenover wordt benadrukt dat de automobilisten een gepriviligieerde bron van uitgaven vormen voor de openbare begrotingen. In dit opzicht volstaat het te kijken naar de externe kosten die het verkeer met zich meebrengt (aanleg en onderhoud van de wegeninfrastructuur, uitgaven voor de veiligheid, kosten inzake de sociale zekerheid, luchtvervuiling en verloedering van het milieu en gebouwen, verloren tijd door verkeersopstoppingen, enz.).

Ontegensprekelijk is de auto een maatschappelijk verschijnsel dat door heel wat aspecten zijn stempel zal gedrukt hebben op de tweede helft van de 20e eeuw. Door alle sectoren van het bestaan te raken, beheerst de automobielsector enorme geldsommen die nog stijgen in 1996, hetgeen voor een deel ook het belang van deze fiscaliteit verklaart. Andere economische sectoren worden ook zwaar belast ten bate van de openbare financiën. Globaal genomen mag de fiscaliteit - waarvan de weerslag dienaangaande objectief is - geen favoritisme kennen, noch wie dan ook uitsluiten en dit om welke reden ook. Maar het is duidelijk, zoals trouwens dezelfde studie van de O.E.S.O. opmerkt, dat tot een verzwaring van de fiscaliteit op autovoertuigen reeds werd en nog zal worden overgegaan om redenen van energiepolitiek en van het leefmilieu, teneinde het gedrag van de verbruikers te beïnvloeden met het oog op energiebesparing, vermindering van de luchtvervuiling, het aanzetten tot gebruik van het openbaar vervoer.

2. De niet-aanwendingsregel van de ontvangsten verzet zich in principe tegen het feit dat vastgestelde ontvangsten aangewend worden voor specifieke uitgaven. Afgezien daarvan overtreft de promotie van niet-polluerende middelen of de beveiliging van verkeerswegen ruim de bevoegdheid voorbehouden aan mijn departement en valt onder de algemene politiek zowel van de Federale Staat als van de regio's en de ondergeschikte besturen.