Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 153, blz. 19609
Aanvraag BTW-nummer - Administratieve formaliteiten
VRAAG
Bij de aanvraag van een BTW-nummer door een belastingplichtige wordt terecht door de belastingdienst nagegaan of er wel terdege sprake is van BTW-activiteiten en "een vaste inrichting" van waaruit de activiteiten worden gevoerd.
Ter bestrijding van frauduleuze praktijken is het sinds 2001 zelfs algemeen gebruik dat een kandidaat BTW-belastingplichtige, onafhankelijk van de schriftelijke aanvraag zelf, wordt uitgenodigd voor een gesprek op het belastingkantoor over zijn voorgenomen activiteiten, investeringen, enzovoort.
Deze nieuwe werkwijze leidt tot onnodige vertragingen bij toekenning van nummers en door de plaatselijke controles worden eigen eisen gesteld aan het bestaan van een vaste inrichting.
1.
a) Wat mag de BTW-dienst verlangen van een startend belastingplichtige wat zijn "vaste inrichting" betreft?
b) Mag de belastingdienst botweg de toekenning van een BTW-nummer weigeren, zo een belastingplichtige niet beschikt over een kantooradres waar hij permanent beschikbaar is? Er zijn immers tal van gevallen denkbaar waar BTW-plichtigen niet de minste behoefte hebben om over een kantooradres te beschikken.
c) Kan het in dergelijk geval geen oplossing bieden dat een belastingplichtige zijn vaste inrichting houdt bijvoorbeeld op het adres van zijn belastingadviseur of accountant die alleszins dan als vast aanspreekpunt kan fungeren voor de BTW-dienst ?
2. Bent u het er mee eens dat de schriftelijke vragenlijst en het bijkomend gesprek een extra administratieve verzwaring betekent voor kandidaat-ondernemers?
ANTWOORD
(23.01.2003)
1. In de verscherpte procedure voor toekenning van de BTW-identificatienummers, die kadert in de bestrijding van de carrouselfraude (cf. actieplan van regeringscommissaris Alain Zenner) is de voornaamste doelstelling na te gaan of de belastingplichtige wel degelijk een economische activiteit opstart.
De inrichting nodig voor de ontplooiing van deze economische activiteit kan zeer verschillend zijn naar gelang van de aard van de uitgeoefende werkzaamheid. In bepaalde gevallen zal deze inrichting veelomvattend moeten zijn met het oog op het aanhouden van voorraden en/of productie van goederen en diensten. In andere gevallen is inrichting niet meer dan een normale behuizing van waaruit de onderneming wordt geleid en bestuurd en waar de kernactiviteit wordt afgehandeld (communicatie met de klanten, leveranciers en de administratie, houden van de boekhouding en administratieve organisatie, enz.).
Essentieel bij het toekennen van een BTW-identificatienummer is de vaststelling of de betrokken belastingplichtige al dan niet een economische activiteit aanvangt in de zin van artikel 4 van het BTW-Wetboek. Het ontbreken van een minimale infrastructuur kan in dat verband een reden zijn die aan de werkelijkheid van de geplande aanvang van activiteit doet twijfelen en die dus een bijkomend onderzoek, en mogelijk uitstel van de toekenning van het BTW-identificatienummer, kan teweegbrengen.
Wat de aard van de zetel betreft die wordt opgegeven door de zaakvoerder van een opgerichte vennootschap (weze het de administratieve of maatschappelijke zetel), dient te worden opgemerkt dat deze aan de werkelijkheid moet beantwoorden en niet fictief mag zijn. Weliswaar kan niet geëist worden dat betrokken zaakvoerder permanent beschikbaar moet zijn op de zetel. Daartegenover staat dat niet als een fiscaal domicilie kan worden aangemerkt, een kantooradres waar de onderneming niet op duurzame wijze de beschikking over heeft en waar de belastingplichtige (of een derde in opdracht van de belastingplichtige) eventueel slechts een doorgeefluik heeft geïnstalleerd voor telefooncommunicatie en/of briefwisseling die vervolgens naar het werkelijke centrum van activiteit en van leiding van de onderneming in België wordt overgemaakt. In die optiek wordt voor de identificatie van BTW-belastingplichtigen de woonplaats van bijvoorbeeld een belastingadviseur of accountant niet als een zetel van de onderneming aanvaard om reden dat de leiding van de onderneming niet vanuit deze plaats wordt gevoerd. Hetzelfde geldt voor loutere postbusadressen en vestigingen met beperkte secretariaatsfuncties (zoals bijvoorbeeld de doorzending van de briefwisseling of het doorschakelen van de telefoongesprekken). Indien de administratie vaststelt dat de onderneming over een werkelijke inrichting of zetel (kantoor, plaats van bestuur en leiding, enz.) op een andere plaats in België beschikt, zal zij deze plaats in aanmerking nemen voor het bepalen van het fiscaal domicilie.
2. Het is inderdaad mogelijk dat bepaalde bijkomende vragen worden gesteld in het kader van het gevoerde onderzoek. Het geachte lid zal het echter met mij eens zijn dat het onverantwoord en ongecontroleerd uitreiken van BTW-identificatienummers de carrouselfraude in de hand werkt die wordt opgezet door malafide personen, die zodoende niet alleen gemeenschapsgelden ontvreemden maar tevens concurrentieverstoringen teweegbrengen op de reguliere markt.
De nakende invoering van KBO (kruispuntbank voor ondernemingen) brengt de administratie ertoe het preventieve controlebeleid inzake de carrouselfraude meer en meer te richten op een strategie gebaseerd op zekere risicoprofielen waaraan de betrokken aanvragers moeten beantwoorden. In die omstandigheden is het mogelijk om niet systematisch alle aanvragen van een BTW-identificatienummer ten gronde door te lichten, maar de controles op een flexibele wijze aan te passen aan het in het geding zijnde risiconiveau.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.