Vr. en Antw., Senaat
Diensten verstrekt door bedrijfsrevisoren en accountants - Uitreiking van een honorariumnota of een pro forma-factuur - Oorzaak van verschuldigdheid van de BTW - Verschuldigdheid van de belasting naarmate van de incassering van de prijs
VRAAG
Naar ik meen te weten gaat de administratie van de BTW ervan uit dat de beoefenaars van bepaalde vrije beroepen die BTW-plichtig zijn (architecten, bedrijfsrevisoren), aan de Staat de belasting verschuldigd zijn zodra zij door hun cliënt zijn betaald (en niet zodra aan de cliënt een honorariumnota wordt voorgelegd).
Ik kan begrijpen dat een dergelijke algemene maatregel alleen kan slaan op beroepen die bij wet zijn geregeld.
Nu is het beroep van accountant geregeld bij de wet van 21 februari 1985 en ik meen te weten dat de tijd waarbinnen het Instituut opgericht zou worden, inmiddels verstreken is.
Lijkt het u daarom niet aangewezen om voor de accountants die lid zijn van het Instituut, dezelfde regeling toe te passen als die waarvan hierboven sprake is?
Ten einde dit voorstel kracht bij te zetten, wil ik er nog aan toevoegen dat de bedoelde beroepen vergelijkbaar zijn met dat van accountant. De beoefenaar van elk van die beroepen moet immers regelmatig aan zijn cliënten honorariumnota's voorleggen die slechts ramingen zijn voor opdrachten die de cliënt alleen maar overweegt of waarvan de omvang nog niet nauwkeurig omschreven is. De cliënt kan dan afzien van die opdracht en zijn plan laten varen of de opdracht zo wijzigen dat het voorgestelde honorarium erdoor vermindert. In dergelijke omstandigheden lijkt het me niet logisch dat de belasting verschuldigd is op het tijdstip dat de honorariumnota wordt voorgelegd.
ANTWOORD
Overeenkomstig artikel 22 van het BTW-Wetboek is de belasting verschuldigd hetzij op het tijdstip waarop de dienst is voltooid hetzij daaraan voorafgaand, bij de facturering, het ontvangen of het vervallen van de prijs of een gedeelte ervan.
Evenwel is op grond van artikel 22, § 3, van het BTW-Wetboek en artikelen 8 en 15 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de belasting slechts verschuldigd naarmate van de incassering van de prijs in de gevallen waarin de belastingplichtige ervan ontheven is een factuur uit te reiken en werkelijk van die ontheffing gebruik maakt.
Wat de prestaties van architecten, landmeters en ingenieurs, als bedoeld in artikel 18, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek, betreft, werd het stelsel van de incassering uitgebreid tot alle handelingen die, wegens hun aard, binnen het kader vallen van hun beroepswerkzaamheid. Deze maatregel steunt op het feit dat die belastingplichtigen hoofdzakelijk diensten verstrekken aan niet-belastingplichtigen (zie Gedr. St., Senaat, zitting 1968-1969, nr. 455, blz. 125 en 126; aanschr. 50/1971).
Wat de bedrijfsrevisoren, accountants en meer algemeen de andere vrije beroepen betreft, is artikel 22 van het BTW-Wetboek van toepassing daar het gaat om door het Wetboek beoogde handelingen die door belastingplichtigen ten behoeve van, over het algemeen, andere belastingplichtigen worden verstrekt.
Er mag niet uit het oog worden verloren dat eenieder die in een factuur of in een als zodanig geldend stuk een bedrag aanrekent als belasting over de toegevoegde waarde schuldenaar van die belasting wordt, krachtens artikel 54 van het BTW-Wetboek, op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk. Alhoewel die bepaling in de regel van toepassing is op de architecten, landmeters of ingenieurs, wordt op die toepassing geen beroep gedaan indien uit de tekst van de nota duidelijk blijkt dat de medecontractant zijn recht op aftrek niet kan-uitoefenen aan de hand van de nota. Inzonderheid kan de nota het volgende vermelden: «BTW niet aftrekbaar; aftrek eventueel uit te oefenen aan de hand van het ontvangstbewijs voorgeschreven door het ministerieel besluit van 4 februari 1971 of aan de hand van de ereloonnota die u, voorzien van een kwijting, zal worden uitgereikt na betaling van het ereloon» (besl. van 19 juni 1973, nr. E.T. 5.012 Z. Revue nr 14, blz. 135. ).
Overigens is het vanzelfsprekend dat wanneer een belastingplichtige een document of een pro forma-factuur uitreikt die als een bestek kan worden aangemerkt, zodat de beoogde handeling niet zal worden verwezenlijkt indien de ontvanger van dit document zich niet akkoord verklaart met de hem gedane voorstellen, deze uitreiking geen oorzaak van verschuldigdheid in de zin van artikel 22 van het Wetboek uitmaakt.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.