---
title: "Parlementaire vraag 1004 · Bouwsector. Zelfstandigen in bijberoep. Vrijstelling voor kleinde ondernemingen"
description: "Bouwsector. Zelfstandigen in bijberoep. Vrijstelling voor kleinde ondernemingen. Parlementaire vraag nr. 1004 van 17 mei 2002 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1004-bouwsector-zelfstandigen-in-bijberoep-vrijstelling-bbc0"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/1004-secteur-construction-independants-titre-complementaire-fdf5"
---

# Bouwsector. Zelfstandigen in bijberoep. Vrijstelling voor kleinde ondernemingen

**Nummer**

1004

**Datum**

17 mei 2002

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

20 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 154, blz. 19728**

*Bouwsector - Zelfstandigen in bijberoep - Vrijstelling voor kleinde ondernemingen*

## **VRAAG**

In de bouwsector daalt het aantal zelfstandigen in hoofdberoep, terwijl het aantal zelfstandigen in bijberoep toeneemt. Organisaties als de Nationale Confederatie voor de bouw (NCB) en Nacebo staan met gemengde gevoelens tegenover deze evolutie. Enerzijds verwerpen zij het statuut in bijberoep niet. Het is immers een ideale leerschool en instap naar het statuut van zelfstandige in hoofdberoep. Anderzijds wordt opgemerkt dat deze doorstroming vaak niet plaatsvindt. De vermoedens rijzen dat het statuut van zelfstandige in bijberoep mogelijkheden tot misbruiken biedt. Onder meer zouden bouwvakkers op die manier de controles op het zwartwerk kunnen omzeilen. Volgens de NCB en Nacebo leidt deze evolutie tot marktverstorende prijzen en praktijken omdat geen rekening wordt gehouden met de normale speciale en fiscale lasten, die het reguliere werk juist zo duur maken. Het feit dat de bouwsector uitgerekend een arbeidsintensieve sector is, versterkt dit fenomeen. Tevens wordt ook het feit aangeklaagd dat de instapdrempel van de huidige vestigingswetgeving te laag is en misbruiken zou toelaten. Eén van hun voorstellen om mogelijke misbruiken van het zelfstandigenstatuut in bijberoep tegen te gaan is de afschaffing van de vrijstelling van aanrekening van BTW voor wie minder dan 225 000 frank of 5 578 euro per jaar factureert.

1\. Is uit controles van de Inspectie van financiën bij zelfstandigen in bijberoep al gebleken dat het statuut leidt tot misbruiken, meer bepaald op het vlak van fiscaliteit?

2\. Acht u het noodzakelijk om het fiscaal statuut van zelfstandigen in bijberoep te verstrengen teneinde mogelijke misbruiken tegen te gaan?

3\. Hoe staat u tegenover de denkpiste van de afschaffing van de vrijstelling van aanrekening van BTW voor wie minder dan 5 578 euro per jaar factureert?

## **ANTWOORD**

(27.01.2003)

Overeenkomstig [artikel 24 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-24) van de Raad van 17 mei 1977 voorziet [artikel 56, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) voor de kleine ondernemingen in een vrijstellingsregeling van belasting waarvan de uitvoeringsmodaliteiten het voorwerp uitmaken van het koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992.

Als kleine onderneming voor de toepassing van [artikel 56, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) wordt aangemerkt elke belastingplichtige, natuurlijke of rechtspersoon, die handelingen verricht die niet uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de vrijstellingsregeling van de belasting en waarvan de jaaromzet, exclusief BTW, niet meer bedraagt dan 5 580 euro.

De vrijstellingsregeling ontheft de kleine ondernemingen van de voornaamste verplichtingen die normaliter drukken op BTW-belastingplichtigen. Bijgevolg moeten de begunstigden van de voornoemde regeling noch periodieke BTW-aangiften indienen noch BTW aan de Schatkist doorstorten.

Daarentegen mogen zij in geen geval de BTW die zij aan hun leveranciers hebben betaald in aftrek brengen. Derhalve vormt het bedrag van deze niet-aftrekbare BTW in hun hoofde een kostprijselement dat, ten opzichte van de belastingplichtigen die hun activiteiten uitoefenen in dezelfde sector en in wiens hoofde het aftrekmechanisme volledig speelt, elk concurrentieel voordeel uitsluit dat gelijk zou zijn aan het bedrag van de BTW dat ze niet aan hun klanten in rekening dienen te brengen.

Bovendien laat het door [artikel 56, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) en het koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992 bepaald wettelijk kader de administratie toe de evolutie van de economische activiteiten van de belastingplichtigen, die onderworpen zijn aan de vrijstellingsregeling, te volgen en te controleren. De hoegrootheid van deze activiteiten is noodzakelijk beperkt aangezien de toepassing van deze regeling enkel mogelijk is indien de jaarlijkse omzet, exclusief BTW, de drempel van 5 580 euro niet overschrijdt. Meestal gaat het hier dan ook om bijkomstige activiteiten.

Anders was het vóór 1 januari 1993, datum van inwerkingtreding van de vrijstellingsregeling van belasting. Tot 31 december 1992 werd immers aanvaard dat personen zoals loon- of weddetrekkenden, gepensioneerden, enz., niet als belastingplichtigen dienden te worden aangemerkt ten aanzien van de diensten, zoals werk in onroerende staat, die ze op aanvullende wijze verrichtten voor belastingplichtigen die gehouden waren BTW-aangiften in te dienen. Deze personen waren derhalve niet gekend bij de administratie en konden dan ook fiscaal niet worden gevolgd en gecontroleerd.

Heden laat de vrijstellingsregeling de administratie toe om de bedoelde personen door middel van een verplichte identificatie als BTW-belastingplichtige te volgen en te controleren. Anderzijds worden die personen door de toepassing van de vrijstellingsregeling ontheven van al te zware administratieve verplichtingen die niet naar verhouding zouden zijn met de beperkte omzet welke ze realiseren.

Bovendien dient de kleine onderneming onmiddellijk het diensthoofd van het controlekantoor waaronder zij ressorteert door middel van een aangetekend schrijven in kennis te stellen indien de omzet 5 580 euro overschrijdt. Zodra wordt vastgesteld dat zij niet meer voldoet aan de voorwaarden om de vrijstellingsregeling toe te passen, zal de betrokken kleine onderneming onderworpen worden aan de normale regeling (of aan de forfaitaire regeling) vanaf het verstrijken van de maand waarin de drempel wordt overschreden.

Gelet op de feiten zoals hiervoor uiteengezet, bestaat er geen aanwijzing om de vrijstellingsregeling, voorzien in [artikel 56, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) en het koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992, op te heffen.

Afgezien van het feit dat deze vrijstellingsregeling kadert in de harmonisatie op middellange termijn van de wetgevingen van de lidstaten van de Europese Unie inzake omzetbelasting en beantwoordt aan de zorg om de toepassing van deze wetgevingen voor kleine ondernemingen te vereenvoudigen, ben ik ervan overtuigd dat een oplossing van het door het geachte lid geschetste probleem niet dient te worden gezocht in het ontnemen aan een bepaalde groep van belastingplichtigen van een vereenvoudigde belastingregeling of in het wijzigen van de modaliteiten van deze regeling, maar in de verdere bestrijding van de fiscale en sociale fraude.

In dat opzicht kan ik u mededelen dat de administratie van de BTW meewerkt aan de strijd tegen de fraude op sociaal vlak en inzake het zwartwerk door gebruik te maken van de inlichtingen beoogd in artikel 5 van de wet van 16 november 1972, betreffende de arbeidsinspectie, en door het verstrekken van de inlichtingen of het ter inzage voorleggen van de informatiedragers bedoeld in artikel 6, § 1, van die wet. Bovendien wenden de ambtenaren van de administratie de middelen aan waarover zij beschikken krachtens de artikelen [*93bis*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93bis) et [*93quaterdecies*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93quaterdecies) van het BTW-Wetboek.

Bovendien nemen de opsporings- en documentatiediensten van de BTW deel aan acties gevoerd bij toepassing van het protocol van 30 juli 1993, betreffende de samenwerking tussen de verschillende sociale inspectiediensten tot coördinatie van de controles bij inbreuk op de arbeids- en de sociale wetgeving.

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 56](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) 4 voorkomens

[WBTW art. 93bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 93quaterdecies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93quaterdecies) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 24](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-24) 1 voorkomen
