---
title: "4 juni 2021 · Btw-commentaar · Diensten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding"
description: "Diensten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding. Btw-commentaar van de Belgische belastingadministratie, stand 1 juni 2021."
url: "https://juriel.be/nl/btw-commentaar/vrijstellingen-beoogd-artikel-44-wetboek-e35f"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/commentaire-tva/exemptions-visees-article-44-code-d042"
---

# Diensten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding

**Datum**

4 juni 2021

## Over het document

**Verzameling**

Btw-commentaar

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

31 paragrafen

Btw-Commentaar. Vrijstellingen beoogd door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) - Diensten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding - art. 44, § 2, 3° (01.06.2021)

BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief

Hoofdstuk 9. Vrijstellingen beoogd door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)

## Afdeling 10 - Diensten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding ([artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44))

Bijwerking **01.06.2021** - Vorige versies: \[01.07.2018\] \[01.06.2020\]

Het [artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) stelt vrij de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan. Dit artikel is de omzetting van artikel 132, lid 1, punt m), van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

De toekenning, tegen betaling, van het recht om toegang te hebben tot of gebruik te mogen maken van een sportinrichting is een dienst die in het Wetboek is omschreven ([artikel 18, § 1, tweede lid, 12°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18)). Die dienst is derhalve aan belasting onderworpen.

De dienst wordt evenwel van de belasting vrijgesteld als de drie volgende voorwaarden samen vervuld zijn:

• de dienst moet betrekking hebben op het beoefenen van de sport zelf en verstrekt worden aan personen die actief aan sport komen doen

• de exploitant moet een instelling zijn die geen winstoogmerk nastreeft

• de ontvangsten van de exploitatie moeten uitsluitend worden gebruikt om de kosten ervan te dekken.

[Artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) bedoelt dus alle inrichtingen waar een werkzaamheid wordt uitgeoefend die van die aard is dat ze de lichamelijke ontplooiing bevordert, zoals gymnastiekzalen, zwembaden, rijscholen, sportterreinen, tennisvelden, golfterreinen ...

Recent heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in een zaak betreffende bridge zich uitgesproken over wat onder het begrip sport moet worden verstaan (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest The English Bridge Union, zaak [C-90/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-90-16-arrest), van 26.10.2017). Zo oordeelde het Hof dat het begrip 'sport' in de zin van artikel 132, lid 1, punt m), van de richtlijn 2006/112/EG, betrekking heeft op een activiteit die wordt gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component. Wedstrijdbridge vergt inderdaad de inzet van logica, geheugen, strategie of lateraal denken en is een activiteit die ten goede komt aan de geestelijke en lichamelijke gezondheid van degenen die regelmatig wedstrijdbridge spelen. Maar dat een activiteit de lichamelijke en geestelijke gezondheid bevordert, volstaat op zich niet om te besluiten dat die activiteit moet worden beschouwd als 'sport' in de zin van artikel 132, lid 1, punt m), van de richtlijn 2006/112/EG. Dat die activiteit in wedstrijdverband wordt uitgeoefend, verandert niets hieraan. Bijgevolg valt wedstrijdbridge, dat wordt gekenmerkt door een te verwaarlozen lichamelijke component, niet onder het begrip 'sport' van deze bepaling.

Vroeger aanvaardde de administratie dat voornoemde vrijstelling ook van toepassing was ten aanzien van diensten verstrekt door een vzw aan haar leden in verband met het beoefenen en het bevorderen van het schaken.

Gelet op de recente rechtspraak past de administratie met ingang van 01.01.2019 haar standpunt in die zin aan dat alleen activiteiten die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component onder het begrip sport vallen. Bijgevolg kan schaken, kaarten, gamen en andere gelijkaardige activiteiten niet langer vrijgesteld worden van de btw. Op de toepassing van de vrijstelling in het verleden zal evenwel niet worden teruggekomen ([circulaire 2018/C/84 (nr. E.T. 133.172) van 29.06.2018](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2018-c-84-btw-vrijstelling-sport-exemption-activites-861c)).

De vrijstelling is beperkt tot de diensten die betrekking hebben op het beoefenen van de sport zelf, en die door de exploitanten worden verleend aan personen die aan lichamelijke opvoeding of sport doen, met inbegrip van het ter beschikking stellen van sporttoestellen of -artikelen voor dat doel ([beslissing nr. E.T. 24.946 van 09.03.1978](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-24-946-diensten-btw-dienst-1dd7)) of zelfs een paard in een manège.

De vrijstelling geldt dus niet voor het herbergen en het onderhoud van de paarden, die door de eigenaars aan de exploitant van een rijschool voor bewaking en onderhoud worden toevertrouwd ([beslissing nr. E.T. 100.722 van 22.10.2001](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-100-722-toepasbaar-btw-stelsel-stallen-verzorgen-c64e)). De vrijstelling geldt evenmin voor de door een vereniging zonder winstoogmerk verstrekte diensten die bestaan in het bevorderen van de hondensport en het aanmoedigen van het fokken en houden van honden ([beslissing nr. E.T. 33.044 van 23.03.1981](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-33-044-vzw-hondensport-9a3b), [mondelinge parlementaire vraag nr. 5.515 van de heer Willem-Frederik Schiltz van 13.07.2011](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/5515-belastingplichtige-vrijstelling-diensten-mondelinge-willem-961c)).

Onder ‘exploitant van een sportinrichting’ wordt verstaan inzonderheid iedere sportvereniging die haar leden in de mogelijkheid stelt een bepaalde sport te beoefenen door de terbeschikkingstelling van uitrustingen, het geven van leiding …, ongeacht of die vereniging daartoe al dan niet over een vaste infrastructuur beschikt. Dit is het geval voor een wielertoeristenclub, een wandelclub, en dergelijke, die een organisatie omvatten welke leiding geeft, uitrusting ter beschikking stelt …, om in groepsverband op de weg aan wieler- of wandelsport te doen ([beslissing nr. E.T. 29.112 van 28.03.1980](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-29-112-diensten-sportinrichtingen-btw-sportinrichting-660c)). Zo kan de vrijstelling ook van toepassing zijn, voor zover uiteraard aan de andere gestelde voorwaarden is voldaan, op een watersportvereniging die aan haar leden de mogelijkheid geeft om de zeilsport of de waterskisport te beoefenen en daartoe hun opleiding verzekert (bijvoorbeeld zeillessen, cursussen voor het behalen van brevetten). De vrijstelling gaat evenwel niet zo ver dat zij ook betrekking kan hebben op het ter beschikking stellen van ligplaatsen en van de infrastructuur voor motorjachten met inbegrip van berging ([parlementaire vraag nr. 264 van de heer Volksvertegenwoordiger Koen Bultinck van 13.03.2000](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/264-vzw-watersport-bultinck-9992)).

Wat de andere diensten betreft die door de exploitanten van die inrichtingen worden verleend (bijvoorbeeld het organiseren van sportmanifestaties waarvoor ze entreegelden vragen, de toekenning van het recht op toegang tot de inrichting tegen betaling van een vergoeding aan anderen dan degenen die aan sport komen doen, of het verschaffen van spijzen en dranken om ter plaatse te worden verbruikt) kan in de regel geen aanspraak worden gemaakt op de vrijstelling bedoeld in [artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44).

Er wordt echter aanvaard dat de ontvangsten die de exploitant verkrijgt uit het verlenen van het recht op toegang tot de inrichting niet belastbaar zijn met btw, voor zover het om een betrekkelijk gering bedrag gaat in vergelijking met de gezamenlijke vrijgestelde ontvangsten.

Er wordt eveneens aanvaard dat de uitbating van een drank- of eetgelegenheid van de belasting kan zijn vrijgesteld mits deze uitbating bijkomstig is bij de door een exploitant van een sportinrichting verrichte vrijgestelde handelingen en navolgende voorwaarden **cumulatief** zijn voldaan:

• de uitbating van de drank- of eetgelegenheid gebeurt door een belastingplichtige wiens handelingen worden beoogd in [artikel 44, § 2, 3° van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) (sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding)

• de exploitatie van de drank- of eetgelegenheid geschiedt op de site van de inrichting waar de vrijgestelde handelingen als bedoeld in het eerste puntje hiervoor worden verricht (hierna aangeduid als de betrokken inrichting)

• de in het eerste puntje beoogde vrijgestelde handelingen vormen een overwegend deel van de door de betrokken inrichting verrichte handelingen. Dit impliceert dat het totaalbedrag, per kalenderjaar, van de in dat eerste puntje beoogde vrijgestelde handelingen groter is dan het totaalbedrag van de overige door die betrokken inrichting verrichte handelingen, zijnde zowel de belaste als overige vrijgestelde handelingen (met inbegrip van de drank- of eetgelegenheid)

• de drank- of eetgelegenheid is in principe slechts toegankelijk voor personen die eveneens afnemer zijn van de hiervoor bedoelde vrijgestelde diensten (sporters), hun bezoekers, alsook voor het personeel dat werkzaam is in de betrokken inrichting. Deze voorwaarde is in elk geval voldaan wanneer de drank- of eetgelegenheid niet toegankelijk is buiten de openingsuren van de inrichting én niet rechtstreeks toegankelijk is van buitenaf (men moet met andere woorden eerst de hiervoor bedoelde inrichting betreden, alvorens men toegang heeft tot de drank- of eetgelegenheid). Het voldoen van deze voorwaarde kan evenwel ook worden aangetoond aan de hand van andere feitelijke elementen.

• de ontvangsten uit de uitbating van de drank- of eetgelegenheid bedragen niet meer dan 10% van de omzet van de in het eerste puntje beoogde vrijgestelde handelingen van de betrokken inrichting.

Een éénmalige overschrijding van deze drempel met 10% - tot aldus maximaal 11% - van de omzet van de in het eerste puntje beoogde vrijgestelde handelingen van de betrokken inrichting per periode van vijf opeenvolgende kalenderjaren wordt voor de toepassing van deze voorwaarde buiten beschouwing gelaten.

Noch de aard van de verstrekte maaltijden, noch het feit dat de betrokken inrichting ook belaste werkzaamheden verricht zijn voortaan van belang ([beslissing nr. E.T. 130.298 van 12.09.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-130-298-belastingplicht-exploitatie-drank-eetgelegenheid-vrijstellingen-73c3)).

Wanneer de exploitatie van het restaurant of het café aan een derde in concessie wordt gegeven, heeft deze altijd de hoedanigheid van belastingplichtige met recht op aftrek voor die activiteit en moet hij zijn handelingen aan de belasting onderwerpen. Anderzijds aanvaardt de administratie dat de handeling waarbij de concessie aan die derde wordt verleend niet met btw belastbaar is indien de concessiegever geen andere werkzaamheid uitoefent die aan de belasting is onderworpen.

Tot slot wordt er op gewezen dat in de context van personen die aan sport doen, ook diensten vallen die worden verleend aan rechtspersonen en aan verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover deze diensten nauw samenhangen met de beoefening van sport en onontbeerlijk zijn voor het verrichten ervan, zij worden verleend door instellingen zonder winstoogmerk en de daadwerkelijke ontvangers van deze diensten personen zijn die aan sport doen. Met andere woorden, diensten die worden verleend in het kader van sporten die in groepsverband of in door sportclubs opgezette organisatorische structuren worden beoefend komen eveneens in aanmerking voor de vrijstelling bedoeld in [artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44). Voor de beoordeling van de vraag of diensten zijn vrijgesteld is de identiteit van de formele ontvanger van een dienst en de rechtsvorm waarin deze de dienst ontvangt, niet van belang (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Canterbury Hockey Club, zaak [C-253/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-253-07-arrest), van 16.10.2008, nr. 31).

\[Top\]

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 8 voorkomens

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 1 voorkomen

[C-253/07, arrest van 16 oktober 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-253-07-arrest) 1 voorkomen

[C-90/16, arrest van 26 oktober 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-90-16-arrest) 1 voorkomen
