Btw-Commentaar. Vrijstellingen beoogd door artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek - Verlening, bemiddeling en beheer van kredieten (01.02.2025)
BOEKWERK II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief
Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek
Afdeling 26 - Verlening, bemiddeling en beheer van kredieten (artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek)
Bijwerking 01.02.2025 - Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020] [01.06.2021] [01.04.2022] [01.04.2023] [01.04.2024]
Inhoud · 3 onderdelen
1. Algemeen
Overeenkomstig artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek zijn van de btw vrijgesteld ‘verlening van kredieten en bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die ze heeft verleend’.
Deze vrijstelling is de omzetting in Belgisch recht van artikel 135, lid 1, punt b), van richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.
Vooreerst wordt opgemerkt dat de bepalingen van artikel 44, § 3, 5°, van voornoemd Wetboek niet louter betrekking hebben op de door banken en financiële instellingen verleende leningen en kredieten (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs tegen Volkswagen Financial Services (UK) Ltd., zaak C-153/17, van 18.10.2018, punt 35 en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Vega International Car Transport and Logistic – Trading GmbH tegen Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie, zaak C-235/18, van 15.05.2019, punt 44).
De ‘verlening van kredieten’ in de zin van artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek bestaat er onder meer in dat een geldsom tegen vergoeding ter beschikking wordt gesteld. Hoewel deze vergoeding in beginsel bestaat uit de betaling van rente, zijn andere vormen van tegenprestatie niet uitgesloten (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Szef Krajowej Administracji Skarbowej tegen O. Fundusz Inwestycyjny Zamknięty reprezentowany przez O S.A., zaak C-250/21, van 06.10.2022, punten 33 en 34 ; Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest FRANCK d.d., Zagreb tegen Ministarstvo financija Republike Hrvatske, Samostalni sektor za drugostupanjski upravni postupak, zaak C-801/19, van 17.12.2020, punten 36 en 37 en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Companhia União de Crédito Popular SA tegen Autoridade Tributária e Aduaneira, zaak C-89/23, van 18.04.2024, punt 42)).
Het begrip ‘bemiddeling’ waarvan sprake is in artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek beoogt hoofdzakelijk de activiteiten van een tussenpersoon die niet de plaats inneemt van een partij bij een contract en die tot doel heeft het nodige te doen opdat twee partijen een contract sluiten, zonder dat de bemiddelaar een eigen belang heeft inzake de inhoud van het contract. Dit kan onder meer inhouden dat de contractpartij wordt gewezen op gelegenheden om dit contract te sluiten, dat voor hem contact met de wederpartij wordt gelegd, en dat in naam en voor rekening van de cliënt wordt onderhandeld over de details van de wederzijdse prestaties. Van een bemiddelingsactiviteit is daarentegen geen sprake wanneer één van de partijen bij het contract een onderaannemer belast met een deel van de aan het contract verbonden materiële handelingen, zoals onder meer de informatieverstrekking aan de wederpartij (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Commissioners of Customs and Excise tegen CSC Financial Services Ltd., zaak C-235/00, van 13.12.2001, punten 39 en 40 en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest DTZ Zadelhoff vof tegen Staatssecretaris van Financiën, zaak C-259/11, van 05.07.2012, punt 27).
Als ‘beheer van kredieten’ in de zin van het voornoemd artikel 44, § 3, 5° van het Btw-Wetboek dient te worden aangemerkt het geheel van de handelingen die worden verricht nadat een krediet wordt verstrekt en die bestaan uit materiële en administratieve handelingen (onder meer, het opvolgen van de aflossingen, het verzorgen van de communicatie met de kredietnemer, archivering en rapportering van gegevens) die de goede uitvoering van handeling inzake kredietverstrekking beogen, waarbij de persoon aan wie die taken inzake beheer van kredieten worden toevertrouwd geen risico's op zich neemt die inherent zijn aan de handeling inzake kredietverstrekking (zelfs indien deze contractueel verantwoordelijk is voor zijn fouten en vergissingen ten aanzien van zijn opdrachtgever).
De handelingen die voorafgaan aan het verstrekken van het krediet kunnen niet worden aangemerkt als diensten van beheer van kredieten.
2. Overdracht van een kredietportefeuille
In geval van de overdracht van een kredietportefeuille waarbij het beheer ervan wordt toevertrouwd aan de oorspronkelijke verlener van het krediet, geldt de vrijstelling van artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek eveneens voor de diensten van beheer verricht door de oorspronkelijke kredietverlener aan de overnemer.
Wanneer de diensten van beheer, al dan niet na overdracht, worden uitbesteed aan een derde, zijn deze diensten daarentegen niet vrijgesteld en bijgevolg onderworpen aan de btw (zie ook circulaire 2018/C/49 van 24.04.2018 met betrekking tot het beheer van kredieten (nr. E.T. 133.200)).
Indien bij de overdracht van een kredietportefeuille het beheer ervan evenwel zal worden verzorgd door de overnemer, dient te worden geconcludeerd dat deze na de overdracht niet langer als derde in de zin van hetgeen voorafgaat wordt aangemerkt, maar als verlener van het krediet. Zodoende geldt ten aanzien van dit beheer door de overnemer dan ook de vrijstelling van artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek.
De commissielonen die door vennootschappen gespecialiseerd in het uitgeven van kredietkaarten worden verrekend met de bedragen betaald aan de aangesloten handelaars, vormen de vergoeding van diensten verricht ten bate van die handelaars en zijn, als tegenprestaties van door artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek vrijgestelde kredietverrichtingen, niet aan de Btw onderworpen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.099 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 20.05.1994 en schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.222 van de heer Volksvertegenwoordiger Didier Reynders van 21.09.1994).
3. Tankkaartmaatschappijen als kredietverlener
Tot slot wordt verwezen naar circulaire 2024/C/18 van 27.02.2024 betreffende het btw-stelsel van de levering van brandstof in België via een tankkaartsyteem (nr. E.T. 140.636) waarin de gevolgen worden besproken van het arrest Vega International (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Vega International Car Transport and Logistic – Trading GmbH tegen Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie, zaak C-235/18, van 15.05.2019) en de daaruit voortvloeiende richtsnoeren van het btw-comité betreffende de situatie waarbij een tankkaartmaatschappij een tankkaart toekent aan andere partijen, die de tankkaart kunnen gebruiken om brandstof af te nemen ten behoeve van voertuigen met een verbrandingsmotor bij brandstofleveranciers in België.
Middels voornoemde circulaire wordt gesteld dat wanneer de voorwaarden van artikel 13, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek niet zijn vervuld, en betreffende tankkaartmaatschappij aldus niet kan worden beschouwd als een commissionair voor btw-doeleinden, deze tankkaartmaatschappij een kredietverlening verricht naar de tankkaarthouders toe, dewelke overeenkomstig artikel 44, §3, 5°, van het Btw-Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde is vrijgesteld. Desgevallend wordt de brandstof rechtstreeks door de brandstofleveranciers geleverd aan de tankkaarthouders (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Auto Lease Holland BV tegen Bundesamt für Finanzen, zaak C-185/01, van 06.02.2003 en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Vega International Car Transport and Logistic – Trading GmbH tegen Dyrektor Izby Skarbowej w Warszawie, zaak C-235/18, van 15.05.2019).
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.