---
title: "27 februari 2025 · Btw-commentaar · Intracommunautaire ketentransacties en intracommunautair driehoeksverkeer (01.02.2025)"
description: "Specifieke topics. Intracommunautaire ketentransacties en intracommunautair. Btw-commentaar van de Belgische belastingadministratie, stand 1 februari 2025."
url: "https://juriel.be/nl/btw-commentaar/specifieke-topics-intracommunautaire-ketentransacties-intracommunautair-ecf5"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/commentaire-tva/topics-particuliers-operations-intracommunautaires-chaine-cf8e"
---

# Intracommunautaire ketentransacties en intracommunautair driehoeksverkeer (01.02.2025), Specifieke topics

**Datum**

27 februari 2025

## Over het document

**Verzameling**

Btw-commentaar

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

516 paragrafen

Btw-Commentaar - Specifieke topics. Intracommunautaire ketentransacties en intracommunautair driehoeksverkeer (01.02.2025)

BOEKWERK VI: Specifieke topics

Hoofdstuk 16. Specifieke topics

## Afdeling 9 - Intracommunautaire ketentransacties en intracommunautair driehoeksverkeer

Bijwerking **01.02.2025** - Vorige versies: \[01.07.2018\] \[01.06.2020\] \[01.07.2021\] \[01.04.2022\] \[15.05.2023\] \[01.03.2024\]

**Inhoud · 48 onderdelen**

1\. Terminologie en opmerkingen

A. Begrip intracommunautaire ketentransacties en intracommunautair driehoeksverkeer

B. Tussenhandelaar

C. Tussenhandelaar in de zin van [artikel 14, § 5, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)

D. Algemene opmerking

2\. Algemene principes van intracommunautair driehoeksverkeer

A. Slechts één levering is een levering met intracommunautair vervoer

B. Levering waaraan het intracommunautair vervoer wordt toegerekend

a. Het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de eerste leverancier (A)

b. Het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de eerste tussenhandelaar (B)

c. Het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de tweede tussenhandelaar (C)

d. Het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de eindafnemer (D)

C. Btw-behandeling van niet-vereenvoudigd driehoeksverkeer

a. België is lidstaat van vertrek van de goederen (Lidstaat 1)

b. België is lidstaat waar de tussenhandelaar is gevestigd (Lidstaat 2)

c. België is de lidstaat van aankomst van de goederen (lidstaat 3)

3\. Vereenvoudigingsmaatregelen voor intracommunautair driehoeksverkeer

A. Vereenvoudigingsmaatregelen in de btw-richtlijn

B. Belgische vereenvoudigingsmaatregelen

C. Werking en voorwaarden van de vereenvoudigingsregeling in België als België de lidstaat van aankomst van de goederen is

a. Situatie waarbinnen de vereenvoudiging kan worden toegepast

b. Werking van de vereenvoudigingsregeling in België

c. Voorwaarden

d. Btw-behandeling indien de voorwaarden vervuld zijn

D. Werking van de vereenvoudigingsregeling in België als België niet de lidstaat van vertrek, noch van aankomst van de goederen is (lidstaat 2)

a. Situatie

b. Werking van de vereenvoudigingsregeling in België

c. Voorwaarden opdat de veiligheidsbepaling niet van toepassing is

d. Btw-behandeling indien de voorwaarden vervuld zijn

4\. Onecht driehoeksverkeer

A. De tussenhandelaar B is gevestigd in de lidstaat van vertrek van de goederen

a. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B)

b. Het vervoer wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C)

B. De goederen blijven in de lidstaat van aankoop

C. De tussenhandelaar is gevestigd in een derde land

a. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B)

b. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C)

5\. Vereenvoudigd driehoeksverkeer in een ketentransactie met meer dan drie partijen

A. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B)

a. Principe

b. Vereenvoudigingsregeling

B. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C)

a. Principe

b. Vereenvoudigingsregeling

C. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de derde levering (C-D)

a. Principe

b. Geen mogelijkheid tot toepassing van de vereenvoudigingsregeling

\[Top\]

### 1. Terminologie en opmerkingen

#### A. Begrip intracommunautaire ketentransacties en intracommunautair driehoeksverkeer

Een **ketentransactie** bestaat uit opeenvolgende leveringen van goederen waarbij de goederen rechtstreeks van de eerste leverancier naar de laatste afnemer worden verzonden of vervoerd, tussen wie er geen rechtstreekse contractuele band bestaat.

Bij een **intracommunautaire ketentransactie** is er sprake van een intracommunautaire verzending of intracommunautair vervoer. De goederen worden dus rechtstreeks van de eerste leverancier in een lidstaat naar de laatste afnemer in een andere lidstaat verzonden of vervoerd door of voor rekening van één van de partijen in de keten.

Het feit dat de partij in de keten die het vervoer op zich neemt, beroep doet op meerdere derde partijen (meerdere transporteurs) die elk een gedeelte van het transport op zich nemen, vormt op zich uiteraard geen beletsel om te kunnen spreken van een rechtstreeks vervoer van de eerste partij naar de laatste partij. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de partij die het vervoer op zich neemt, een gedeelte van het transport via de weg laat gebeuren door een transportfirma en vervolgens een gedeelte via het water laat verlopen door nog een andere firma. Het feit dat meerdere transportmiddelen zijn betrokken bij het vervoer (bijvoorbeeld verschillende vrachtwagens, binnenschip, vliegtuig) vormt op zichzelf geen beletsel om te kunnen spreken van een rechtstreeks vervoer van de eerste partij naar de laatste partij.

**Driehoeksverkeer** is een ketentransactie met drie partijen, waarbij een eerste leverancier A goederen levert aan partij B, die de goederen op zijn beurt doorverkoopt aan partij C, terwijl de goederen rechtstreeks worden vervoerd of verzonden van bij A ter bestemming van C, tussen wie er geen rechtstreekse contractuele band bestaat.

Er is sprake van **intracommunautair** **driehoeksverkeer**, wanneer de drie betrokken partijen gevestigd en/of (in voorkomend geval) voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn in drie verschillende lidstaten. De goederen maken het voorwerp uit van een intracommunautair vervoer of een intracommunautaire verzending. Dat wil zeggen dat de goederen van de eerste leverancier rechtstreeks ter bestemming naar de eindafnemer in een andere lidstaat worden vervoerd of verzonden door of voor rekening van één van de partijen in de keten.

De richtlijn 2006/112/EG van de raad, van 28.11.2006, betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, en het Belgische Btw-Wetboek bevatten een aantal vereenvoudigingsmaatregelen ten aanzien van bepaalde situaties van intracommunautair driehoeksverkeer die hieronder aan bod komen. We spreken dan van **vereenvoudigd intracommunautair driehoeksverkeer**.

#### B. Tussenhandelaar

De **tussenhandelaar** is een andere leverancier in een ketentransactie dan de eerste leverancier.

#### C. Tussenhandelaar in de zin van [artikel 14, § 5, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)

De **tussenhandelaar in de zin van** [**artikel 14, § 5, derde lid, van het Btw-Wetboek**](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) (cf. [artikel 36bis, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-36bis), voornoemd) is een andere leverancier in een ketentransactie dan de eerste leverancier in de keten, die de goederen ofwel zelf verzendt of zelf vervoert ofwel voor zijn rekening door een derde laat verzenden of vervoeren.

#### D. Algemene opmerking

In de uitwerkte **voorbeelden en situaties** in deze afdeling wordt er steeds **verondersteld** **dat** (tenzij anders vermeld):

•de goederen niet onderworpen zijn aan de winstmargeregeling

•er geen sprake is van leveringen met installatie en montage door of voor rekening van de leverancier

•de intracommunautaire levering vrijgesteld is door [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd en [artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis)

•de opeenvolgende leveranciers in de ketting belastingplichtigen zijn die:

•gehouden zijn om periodieke btw-aangiften in te dienen

•gehouden zijn om al hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen

•geen vaste inrichtingen hebben in andere lidstaten dan de lidstaat waar ze gevestigd zijn

•niet de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen genieten.

Hetzelfde geldt voor de eindafnemer in de ketting, tenzij anders bepaald.

In deze afdeling wordt, tenzij anders vermeld, **niet** ingegaan op de complicaties die kunnen voortvloeien uit de toepassing van de **bijzondere regelingen** zoals inzonderheid de regeling voor de nieuwe vervoermiddelen, accijnsproducten, de regeling voor de afstandsverkopen, voor het maakloonwerk of de regeling voor de 'groep van vier'.

De hieronder vermelde toelichting heeft de bedoeling om het standpunt van de Belgische administratie toe te lichten ten aanzien van de leveringen en intracommunautaire verwervingen die overeenkomstig de Belgische regelgeving onder haar bevoegdheid vallen. De Belgische administratie is niet bevoegd om zich uit te spreken over belastbare handelingen die onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallen. De hieronder vermelde toelichting met betrekking tot leveringen of intracommunautaire verwervingen die zouden plaatsvinden in andere lidstaten heeft een louter didactisch doel en is zo veel als mogelijk gebaseerd op ons begrip van de Europese regelgeving terzake, zonder evenwel bindend te zijn (belastingplichtigen dienen zich tot de betrokken lidstaten te wenden).

## \[Top\]

### 2. Algemene principes van intracommunautair driehoeksverkeer

#### A. Slechts één levering is een levering met intracommunautair vervoer

Bij een intracommunautaire ketentransactie (waaronder intracommunautair driehoeksverkeer), kan de intracommunautaire verzending of het intracommunautaire vervoer slechts aan één van de opeenvolgende leveringen worden toegerekend.

Met intracommunautair vervoer wordt bedoeld dat de goederen vanuit een lidstaat ter bestemming van de afnemer naar een andere lidstaat worden verzonden of vervoerd. Slechts die ene levering waarin dat intracommunautair vervoer plaatsvindt, wordt als een levering met vervoer aangemerkt. De andere leveringen zijn noodgedwongen leveringen zonder vervoer (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest EMAG Handel, zaak [C-245/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-245-04-arrest), van 06.04.2006).

#### B. Levering waaraan het intracommunautair vervoer wordt toegerekend

Zoals gezegd kan bij een intracommunautaire ketentransactie (waaronder intracommunautair driehoeksverkeer) slechts aan één levering het intracommunautair vervoer of de intracommunautaire verzending worden toegerekend.

Om te bepalen aan welke levering in de ketentransactie het intracommunautair vervoer moet worden toegerekend, is het belangrijk om te weten **door of voor rekening van welke partij** in de keten het vervoer of de verzending wordt verricht. Normaal gezien is dit de partij die het vervoer of de verzending (zelf of via een derde die voor zijn rekening handelt) organiseert, met andere woorden de persoon die het vervoer zelf voor eigen rekening verricht of hiervoor een contract afsluit met een derde partij.

Volgens de opinie van advocaat-generaal Kokott in de zaak [C-401/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-401-18-conclusie) voor het Hof van Justitie, is de cruciale factor wie in de ketting het risico voor verlies of beschadiging van de goederen draagt gedurende het vervoer (1). Dit criterium kan in bepaalde gevallen evenwel leiden tot praktische moeilijkheden. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat het risico voor verlies of beschadiging is verdeeld tussen de verkoper en koper op bepaalde punten van het vervoer afhankelijk van de gebruikte incoterm. In zulke gevallen zou het moeilijk zijn om één enkele belastingplichtige binnen de keten aan te duiden die het risico van verlies of beschadiging van de goederen draagt tijdens het vervoer. In zulke gevallen zal de belastingplichtige in de keten in aanmerking genomen worden die zelf de goederen vervoert of de nodige regelingen treft en contracteert met een derde partij voor het vervoer van de goederen (2).

*(1) Het is daarbij irrelevant dat die belastingplichtige in kwestie zich zou hebben verzekerd tegen dit risico.*

*(2) Tenzij in die gevallen waarin de belastingplichtige in kwestie tot tevredenheid van de administratie kan aantonen dat het vervoer was verricht of het vervoerscontract was afgesloten voor rekening van een andere belastingplichtige in de keten die in de feiten het risico draagt van verlies of beschadiging van de goederen tijdens het transport.*

Wanneer het vervoer wordt verricht door of voor rekening van de **eerste leverancier** zal het vervoer altijd worden toegerekend aan de **eerste levering**.

Wanneer het vervoer wordt verricht door of voor rekening van de **laatste afnemer** zal het vervoer altijd worden toegerekend aan de **laatste levering**.

Wanneer de goederen worden vervoerd door of voor rekening van een **tussenhandelaar** (zie titel 1, rubriek B) is het moeilijker om te bepalen of het vervoer moet worden toegerekend aan de levering die hij ontvangt of de levering die hij zelf verricht.

Om te voorkomen dat lidstaten een verschillende aanpak volgen die tot dubbele belastingheffing of niet-belastingheffing kan leiden en om de rechtszekerheid voor marktdeelnemers te vergroten heeft de Europese wetgever met ingang van 01.01.2020 nieuwe regels bepaald aan de hand waarvan de levering wordt bepaald waaraan het vervoer wordt toegerekend.

Deze regels werden opgenomen in het nieuwe [artikel 36bis van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-36bis), voornoemd, dat werd omgezet in [artikel 14, § 5, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14).

Deze regels bepalen de levering waaraan het vervoer moet worden toegerekend **wanneer de verzending of het vervoer wordt verricht door de tussenhandelaar of door een derde voor zijn rekening** (of één van de tussenhandelaars indien er meerdere zijn) gebeurt. Die tussenhandelaar wordt dan de 'tussenhandelaar in de zin van [artikel 14, § 5, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)' genoemd (zie titel 1, rubriek C).

[Artikel 14, § 5, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) heeft **uitsluitend** tot doel om te bepalen aan welke levering het vervoer moet worden toegewezen. In dit verband wordt trouwens opgemerkt dat [artikel 14, § 5, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) geen specifieke vereisten oplegt aan het statuut of de hoedanigheid van de laatste afnemer en derhalve niet uitsluit dat die laatste afnemer het statuut van niet-belastingplichtige zou hebben (zie Verslag van 18.03.2021 namens de Commissie voor de financiën en de begroting uitgebracht door de heer Joris Vandenbroucke betreffende het wetsontwerp van 04.03.2021 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten (DOC 55 1820/002), p. 24-27).

[Artikel 14, § 5, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) is niet van toepassing op de in [artikel 13bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-13bis) bedoelde situaties ([artikel 14, § 5, vierde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)). Het betreft meer bepaald de situaties waarin een belastingplichtige via een elektronische interface afstandsverkopen vanuit een derde land ingevoerde goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, of leveringen van goederen binnen de Gemeenschap door een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige aan een niet-belastingplichtige, faciliteert en geacht wordt die goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd.

Hieronder wordt aan de hand van een vereenvoudigd voorbeeld uitgelegd aan welke levering het vervoer in de praktijk moet worden toegewezen ingeval van een intracommunautaire ketentransactie.

A, een in Lidstaat 1 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, verkoopt goederen aan B, een in Lidstaat 2 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, die de goederen doorverkoopt aan C, een in Lidstaat 3 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, die tenslotte de goederen doorverkoopt aan D, een in Lidstaat 4 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige. De goederen worden rechtstreeks van bij A in Lidstaat 1 vervoerd of verzonden naar D in Lidstaat 4.

##### a. Het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de eerste leverancier (A)

Wanneer de intracommunautaire verzending of het intracommunautair vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de eerste leverancier (A), kan het vervoer enkel worden toegerekend aan de eerste levering (A-B) vermits B de enige is waarmee A contracteert.

In dat geval is:

•de eerste levering (A-B) een intracommunautaire levering door A die plaatsvindt in Lidstaat 1 en die in hoofde van B aanleiding geeft tot een intracommunautaire verwerving in Lidstaat 4

•de tweede levering (B-C) een lokale levering zonder vervoer door B die plaatsvindt in Lidstaat 4

•de derde levering (C-D) een lokale levering zonder vervoer door C die plaatsvindt in Lidstaat 4.

##### b. Het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de eerste tussenhandelaar (B)

Wanneer de intracommunautaire verzending of het intracommunautair vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de eerste tussenhandelaar (B), kan het vervoer zowel aan de eerste levering (A-B) als aan de tweede levering (B-C) worden toegerekend.

B is in dit geval de 'tussenhandelaar in de zin van [artikel 14, § 5, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)'. Voor de toepassing van die bepaling, moet B over bewijs beschikken dat de goederen werden vervoerd of verzonden **door hemzelf of door een derde voor zijn rekening**. B moet het transport zelf kunnen aantonen samen met het feit dat het transport is verricht door hemzelf of voor zijn rekening door een derde.

Wanneer België Lidstaat 1 is, wordt opgemerkt dat dit bewijs op zich losstaat van het bewijs van vervoer dat moet worden geleverd in het kader van de vrijstelling van [artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis).

De partij die de vrijstelling toepast en die dezelfde partij kan zijn als de tussenhandelaar in de zin van [artikel 14, § 5, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14), zal van zijn kant het bewijs moeten kunnen leveren dat de voorwaarden voor de vrijstelling zijn vervuld (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 3’).

Indien de hoofdregel van toepassing is (zie hieronder punt i), zal het vervoer worden toegewezen aan levering A-B en zal A moeten aantonen tegenover de administratie dat de voorwaarden van de vrijstelling van [artikel 39bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) zijn voldaan, opdat A de intracommunautaire levering kan vrijstellen. Dit houdt onder meer in dat A over het bewijs zal moeten beschikken dat de goederen buiten België naar een andere lidstaat zijn vervoerd of verzonden en dat het vervoer of de verzending is verricht door of voor rekening van B (aangezien de toepassing van de vrijstelling van [artikel 39bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) onder meer vereist dat de goederen werden vervoerd of verzonden door of voor rekening van de leverancier of de afnemer). Bijgevolg zal B niet alleen het bewijs moeten overmaken aan A dat het vervoer effectief heeft plaatsgevonden, maar ook dat B het vervoer heeft georganiseerd (met andere woorden dat het vervoer of de verzending werd verricht door of voor rekening van B).

##### i. Hoofdregel

Volgens de hoofdregel moet het vervoer worden toegewezen aan de eerste levering (A-B) (zie [artikel 14, § 5, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)).

In dat geval is:

•de eerste levering (A-B) een intracommunautaire levering door A die plaatsvindt in Lidstaat 1 en die in hoofde van B aanleiding geeft tot een intracommunautaire verwerving in Lidstaat 4

•de tweede levering (B-C) een lokale levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 4

•de derde levering (C-D) een lokale levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 4.

## ii. Afwijkende regel

Stel dat B een btw-identificatienummer heeft in Lidstaat 1, en dat hij dit btw-nummer in het kader van de eerste levering (A-B) meedeelt aan A, dan is de tweede levering (B-C) de levering met vervoer in afwijking van de hoofdregel (zie [artikel 14, § 5, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)).

Voor wat betreft de belastbare handelingen die op het Belgische grondgebied plaatsvinden (dit is het geval als België Lidstaat 1 of 4 is), is het standpunt van de Belgische administratie als volgt:

•De mededeling door B van zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 kan gebeuren door om het even welke vorm van communicatie die toelaat te bewijzen dat de mededeling werd ontvangen door A (bijvoorbeeld een uitwisseling van e-mails). Deze mededeling moet niet noodzakelijk bij elke afzonderlijke transactie opnieuw gebeuren. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat B éénmaal zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 meedeelt aan A dat moet worden gebruikt voor alle leveringen naar een bepaalde lidstaat.

•De mededeling door B van zijn btw-identificatienummer moet in principe gebeuren alvorens het belastbaar feit plaatsvindt. Zo niet, is de algemene regel van [artikel 14, § 5, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) in principe van toepassing (zie punt i).

Nochtans is het niet uitgesloten dat de mededeling door B aan A van zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 alsnog na het belastbaar feit plaatsvindt in het kader van een spontane rechtzetting (dit is bijvoorbeeld het geval wanneer B aanvankelijk bij vergissing een btw-nummer van een andere lidstaat heeft meegedeeld). Omgekeerd zou het ook kunnen dat B aanvankelijk per ongeluk zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 heeft meegedeeld aan A, en dit wil rechtzetten door zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 2 mee te delen (de hoofdregel is dan van toepassing). De nodige correcties met betrekking tot de facturatie, aangifte… moeten dan natuurlijk worden doorgevoerd (3).

•A en B moeten het bewijs van die mededeling bewaren en voorleggen aan de administratie wanneer daarom wordt gevraagd. Een bepaalde vorm van geschreven communicatie (al dan niet elektronisch) moet kunnen worden voorgelegd waaruit blijkt dat het btw-identificatienummer werd meegedeeld.

Bij gebrek aan zulk bewijs is de hoofdregel van [artikel 14, § 5, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) van toepassing (zie punt i).

Echter, wanneer A of B niet over dergelijk bewijs beschikken, zal de regel van [artikel 14, § 5, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) alsnog van toepassing zijn voor zover:

•het btw-identificatienummer van B van Lidstaat 1 is vermeld op de factuur die aan hem werd uitgereikt door A, EN

•de verschuldigde btw van Lidstaat 1 werd aangerekend op die factuur (4). Ingeval een verlegging van heffing van de btw van toepassing is, moet de factuur de vermelding 'btw verlegd' bevatten (zie [artikel 226](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226), 11*bis*, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en wanneer België Lidstaat 1 is: zie [artikel 5, § 1, 9°bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa), van het [koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c)). Ingeval van een vrijstelling moet de factuur een verwijzing bevatten naar de toepasselijke bepaling in deze richtlijn of naar de overeenkomstige nationale bepaling of enige andere vermelding dat de goederenlevering of de diensten zijn vrijgesteld (zie artikel 226, 11), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en wanneer België Lidstaat 1 is: zie [artikel 5, § 1, 10°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa), van het [koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c), voornoemd).

*(3) Er wordt aangeraden om na te gaan of de andere betrokken lidstaat (naar gelang het geval Lidstaat 1 of 4 dit standpunt aanvaardt.*

*(4) Dit houdt in dat de boekhouding van A en B (aanrekening btw van Lidstaat 1) consistent moeten zijn met de uitgereikte factuur.*

Bij toepassing van de afwijkende regeling is:

•de eerste levering (A-B) een lokale levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1

•de tweede levering (B-C) een intracommunautaire levering die plaatsvindt in Lidstaat 1 en die in hoofde van C aanleiding geeft tot een intracommunautaire verwerving in Lidstaat 4

•de derde levering (C-D) een lokale levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 4.

##### c. Het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de tweede tussenhandelaar (C)

Wanneer de intracommunautaire verzending of het intracommunautair vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de tweede tussenhandelaar (C), kan het vervoer zowel aan de tweede levering (B-C) als aan de derde levering (C-D) worden toegerekend.

C is in dit geval de 'tussenhandelaar in de zin van [artikel 14, § 5, derde lid van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)'. Voor de toepassing van die bepaling, moet C over bewijs beschikken dat de goederen werden vervoerd of verzonden **door hemzelf of door een derde voor zijn rekening**. C moet het transport zelf kunnen aantonen samen met het feit dat het transport is verricht door hemzelf of voor zijn rekening door een derde.

Wanneer België Lidstaat 1 is, wordt opgemerkt dat dit bewijs op zich losstaat van het bewijs van vervoer dat moet worden geleverd in het kader van de vrijstelling van [artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis).

De partij die de vrijstelling toepast en die dezelfde partij kan zijn als de tussenhandelaar in de zin van [artikel 14, § 5, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14), zal van zijn kant het bewijs moeten kunnen leveren dat de voorwaarden voor de vrijstelling zijn vervuld (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 3’).

Indien de hoofdregel van toepassing is (zie hieronder punt i), zal het vervoer worden toegewezen aan levering B-C en zal B moeten aantonen tegenover de administratie dat de voorwaarden van de vrijstelling van [artikel 39bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) voldaan zijn, opdat B de intracommunautaire levering kan vrijstellen. Dit houdt onder meer in dat B over het bewijs zal moeten beschikken dat de goederen buiten België naar een andere lidstaat zijn vervoerd of verzonden en dat het vervoer of de verzending is verricht door of voor rekening van C (aangezien de toepassing van de vrijstelling van [artikel 39bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) onder meer vereist dat de goederen werden vervoerd of verzonden door of voor rekening van de leverancier of de afnemer). Bijgevolg zal C niet alleen het bewijs moeten overmaken aan B dat het vervoer effectief heeft plaatsgevonden, maar ook dat C het vervoer heeft georganiseerd (met andere woorden dat het vervoer of de verzending werd verricht door of voor rekening van C).

##### i. Hoofdregel

Volgens de regel van [artikel 14, § 5, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) moet het vervoer worden toegewezen aan de tweede levering (B-C).

In dat geval is:

•de eerste levering (A-B) een lokale levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1

•de tweede levering (B-C) een intracommunautaire levering die plaatsvindt in Lidstaat 1 en die in hoofde van C aanleiding geeft tot een intracommunautaire verwerving in Lidstaat 4

•de derde levering (C-D) een lokale levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 4.

## ii. Afwijkende regel

Stel dat C een btw-identificatienummer heeft in Lidstaat 1, en dat hij dit btw-nummer in het kader van de tweede levering (B-C) meedeelt aan B, dan is de derde levering (C-D) de levering met vervoer in afwijking van de hoofdregel (zie [artikel 14, § 5, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)).

Voor wat betreft de belastbare handelingen die op het Belgische grondgebied plaatsvinden (dat is het geval als België Lidstaat 1 of 4 is), is het standpunt van de Belgische administratie als volgt:

•De mededeling door C van zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 kan gebeuren door om het even welke vorm van communicatie die toelaat te bewijzen dat de mededeling werd ontvangen door B (bijvoorbeeld een uitwisseling van e-mails). Deze mededeling moet niet noodzakelijk bij elke afzonderlijke transactie opnieuw gebeuren. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat C éénmaal zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 meedeelt aan B dat moet worden gebruikt voor alle leveringen naar een bepaalde lidstaat.

•De mededeling door C van zijn btw-identificatienummer moet in principe gebeuren alvorens het belastbaar feit plaatsvindt. Zo niet, is de algemene regel van [artikel 14, § 5, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) in principe van toepassing (zie punt i).

Nochtans is het niet uitgesloten dat de mededeling door C aan B van zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 alsnog na het belastbaar feit plaatsvindt in het kader van een spontane rechtzetting (dit is bijvoorbeeld het geval wanneer C aanvankelijk bij vergissing een btw-nummer van een andere lidstaat heeft meegedeeld). Omgekeerd zou het ook kunnen dat C aanvankelijk per ongeluk zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 1 heeft meegedeeld aan B, en dit wil rechtzetten door zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 3 mee te delen (de hoofdregel is dan van toepassing). De nodige correcties met betrekking tot de facturatie, aangifte… moeten dan natuurlijk worden doorgevoerd (5).

•B en C moeten het bewijs van die mededeling bewaren en voorleggen aan de administratie wanneer daarom wordt gevraagd. Een bepaalde vorm van geschreven communicatie (al dan niet elektronisch) moet kunnen worden voorgelegd waaruit blijkt dat het btw-identificatienummer werd meegedeeld.

Bij gebrek aan zulk bewijs is de hoofdregel van [artikel 14, § 5, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) van toepassing (zie punt i).

Echter, wanneer B of C niet over dergelijk bewijs beschikken, zal de regel van [artikel 14, § 5, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) alsnog van toepassing zijn voor zover:

•het btw-identificatienummer van C van Lidstaat 1 is vermeld op de factuur die aan hem werd uitgereikt door B EN

•de verschuldigde btw van Lidstaat 1 werd aangerekend op die factuur (6). Ingeval een verlegging van heffing van de btw van toepassing is, moet de factuur de vermelding 'btw verlegd' bevatten (zie [artikel 226](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226), 11*bis*, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en wanneer België Lidstaat 1 is: zie [artikel 5, § 1, 9°bis, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa), voornoemd). In geval van een vrijstelling moet de factuur een verwijzing bevatten naar de toepasselijke bepaling in deze richtlijn of naar de overeenkomstige nationale bepaling of enige andere vermelding dat de goederenlevering of de diensten zijn vrijgesteld (zie artikel 226, 11), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en wanneer België lidstaat 1 is: zie [artikel 5, § 1, 10°, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa), voornoemd).

*(5) Er wordt aangeraden om na te gaan of de andere betrokken lidstaat (naar gelang het geval lidstaat 1 of 4) dit standpunt aanvaardt.*

*(6) Dit houdt in dat de boekhouding van A en B (aanrekening btw van lidstaat 1) consistent moeten zijn met de uitgereikte factuur.*

Bij toepassing van de afwijkende regeling is:

•de eerste levering (A-B) een lokale levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1

•de tweede levering (B-C) een lokale levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1

•de derde levering (C-D) een intracommunautaire levering die plaatsvindt in Lidstaat 1 en die in hoofde van D aanleiding geeft tot een intracommunautaire verwerving in Lidstaat 4.

##### d. Het vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de eindafnemer (D)

Wanneer de intracommunautaire verzending of het intracommunautair vervoer van de goederen wordt verricht door of voor rekening van de eindafnemer D, kan het vervoer enkel worden toegerekend aan de derde levering (C-D). C is immers de enige waarmee D contracteert.

In dat geval is:

•de eerste levering (A-B) een lokale levering door A zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1

•de tweede levering (B-C) een lokale levering zonder vervoer door B die plaatsvindt in Lidstaat 1

•de derde levering (C-D) een intracommunautaire levering door C die plaatsvindt in Lidstaat 1 en die in hoofde van D aanleiding geeft tot een intracommunautaire verwerving in Lidstaat 4.

#### C. Btw-behandeling van niet-vereenvoudigd driehoeksverkeer

##### a. België is lidstaat van vertrek van de goederen (Lidstaat 1)

A, een in België gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, verkoopt goederen aan B, een in Lidstaat 2 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, die de goederen op zijn beurt doorverkoopt aan C, een in Lidstaat 3 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige. De goederen worden rechtstreeks van bij A in België vervoerd of verzonden ter bestemming van C in Lidstaat 3.

## Het vervoer wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B):

De eerste leverancier (A) verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in België, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis), voor zover de voorwaarden van die vrijstelling voldaan zijn (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 3’), hetgeen inhoudt dat:

•de levering wordt verricht door een belastingplichtige (A) die niet onderworpen is aan de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en de levering valt niet onder de winstmargeregeling

•de levering wordt verricht voor een belastingplichtige (B) die als zodanig handelt in een andere lidstaat en er gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen

•B zijn geldig btw-identificatienummer aan A heeft meegedeeld dat aan hem is toegekend door een andere lidstaat dan België

•de goederen worden naar een andere lidstaat vervoerd door de verkoper, door de afnemer of voor hun rekening

•A de handeling heeft opgenomen in de Belgische btw-opgave van de intracommunautaire handelingen en deze tijdig indient.

De eerste leverancier (A) is verplicht om de handeling op te nemen in zijn periodieke btw-aangifte (rooster 46) en in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen.

De tussenhandelaar (B) verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (zie artikelen 2, lid 1, punt b), i), 20, eerste alinea, en 40 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

B is in principe gehouden om zich op voorhand in Lidstaat 3 voor btw-doeleinden te identificeren en dit door Lidstaat 3 toegekende btw-identificatienummer mee te delen aan A.

Vervolgens verricht de tussenhandelaar (B) een levering zonder vervoer in Lidstaat 3 aan de eindafnemer C (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31)) die in principe in lidstaat 3 aan de btw is onderworpen.

## Het vervoer wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C):

De eerste leverancier (A) verricht een levering zonder vervoer die plaatsvindt in België (zie [artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)) en die in België aan de btw is onderworpen. Hij is als schuldenaar gehouden om de btw over deze levering te voldoen via zijn periodieke btw-aangifte (zie [artikel 51, § 1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

De tussenhandelaar (B) verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in België, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis), voor zover de voorwaarden van die vrijstelling voldaan zijn (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 3’), hetgeen inhoudt dat:

•de levering wordt verricht door een belastingplichtige (A) die niet onderworpen is aan de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en de levering valt niet onder de winstmargeregeling

•de levering wordt verricht voor een belastingplichtige (B) die als zodanig handelt in een andere lidstaat en er gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen

•B zijn geldig btw-identificatienummer aan A heeft meegedeeld dat aan hem is toegekend door een andere lidstaat dan België

•de goederen worden naar een andere lidstaat vervoerd door de verkoper, door de afnemer of voor hun rekening

•A de handeling heeft opgenomen in de Belgische btw-opgave van de intracommunautaire handelingen en deze tijdig indient.

Omwille van de intracommunautaire levering die hij in België verricht, is de tussenhandelaar (B) verplicht om zich op voorhand in België voor btw-doeleinden te identificeren en om de handeling op te nemen in zijn periodieke btw-aangifte (rooster 46) en in de btw-opgaven van de intracommunautaire handelingen, die hij beide moet indienen in België.

De eindafnemer (C) verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) een intracommunautaire verwerving die er in principe aan de btw is onderworpen (zie artikelen 2, lid 1, punt b), i), 20, eerste alinea, en 40 van de richtlijn 2006/112/EG).

##### b. België is lidstaat waar de tussenhandelaar is gevestigd (Lidstaat 2)

A, een in Lidstaat 1 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, verkoopt goederen aan B, een in België gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, die de goederen op zijn beurt doorverkoopt aan C, een in Lidstaat 3 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige. De goederen worden rechtstreeks van bij A in Lidstaat 1 vervoerd of verzonden ter bestemming van C in Lidstaat 3.

## Het vervoer wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B):

De eerste leverancier A verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32)).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, indien de voorwaarden voldaan zijn.

De tussenhandelaar B verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (zie artikelen 2, lid 1, punt b), i), 20, eerste alinea, en 40 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd). Deze is in principe gehouden om zich in lidstaat 3 voor btw-doeleinden te identificeren.

Vervolgens verricht de tussenhandelaar (eerste afnemer en tweede leverancier) B een levering zonder vervoer in Lidstaat 3 aan de eindafnemer C (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31), voornoemd) die in principe in die lidstaat aan de btw is onderworpen.

## Het vervoer wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C):

De eerste leverancier A verricht een levering zonder vervoer die plaatsvindt in lidstaat 1 (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31), voornoemd) en die in Lidstaat 1 aan de btw is onderworpen.

De tussenhandelaar B verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, indien de voorwaarden voldaan zijn.

Omwille van de intracommunautaire levering die hij in Lidstaat 1 verricht, is de tussenhandelaar B verplicht om zich er op voorhand voor btw-doeleinden te identificeren.

De eindafnemer C verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (zie artikelen 2, lid 1, punt b), i), 20, eerste alinea, en 40 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

##### c. België is de lidstaat van aankomst van de goederen (lidstaat 3)

A, een in Lidstaat 1 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, verkoopt goederen aan B, een in Lidstaat 2 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, die de goederen op zijn beurt doorverkoopt aan C, een in België gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige. De goederen worden rechtstreeks van bij A in Lidstaat 1 vervoerd of verzonden ter bestemming van C in België.

## Het vervoer wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B):

De eerste leverancier A verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, indien de voorwaarden voldaan zijn.

De tussenhandelaar B verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (25*ter*, § 1, eerste lid en 25*quinquies*, § 2, van het Btw-Wetboek). B is in principe gehouden om zich op voorhand in België voor btw-doeleinden te identificeren en om zijn Belgisch btw-identificatienummer mee te delen aan A.

B moet de intracommunautaire verwerving opnemen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar wordt.

Vervolgens verricht B een levering zonder vervoer in België aan de eindafnemer C (zie [artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)) die er in principe aan de btw is onderworpen.

Aangezien B niet gevestigd is in België en C een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften (zoals bedoeld in [artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)), wordt de btw over de tweede levering (B-C) verlegd naar C (zie [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)), zodat laatstgenoemde wordt aangeduid als schuldenaar van de btw.

Mocht C een niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn of een belastingplichtige zijn die niet gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen (zij behoren tot de ‘groep van vier’), dan is de verlegging van heffing van [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) niet van toepassing en is B gehouden om een factuur met Belgische btw uit te reiken (die alle vermeldingen bevat van [artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa), voornoemd).

In dit laatste geval dient B zich voor btw-doeleinden te identificeren in België en de verschuldigde btw te voldoen via de periodieke btw-aangifte (handeling in rooster 01, 02 of 03 en de verschuldigde btw in rooster 54) die betrekking heeft op het aangiftetijdperk waarbinnen de btw opeisbaar is geworden (zie artikelen [51, § 1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

## Het vervoer wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C):

De eerste leverancier A verricht een levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1 (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31), voornoemd) en die in Lidstaat 1 aan de btw is onderworpen.

De tussenhandelaar B verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, indien de voorwaarden voldaan zijn.

Omwille van de intracommunautaire levering die hij in Lidstaat 1 verricht, is B verplicht om zich er op voorhand voor btw-doeleinden te identificeren.

De eindafnemer C verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (25*ter*, § 1, eerste lid en 25*quinquies*, § 2, van het Btw-Wetboek). Hij moet deze intracommunautaire verwerving opnemen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar wordt en via die aangifte de verschuldigde btw voldoen (zie [artikel 51, § 1, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

Mocht C een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn die tot de groep van vier behoort en die gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen, dan zou C eveneens een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verrichten (25*ter*, § 1, eerste lid en 25*quinquies*, § 2, van het Btw-Wetboek). C moet dan de btw over de intracommunautaire verwerving van goederen voldoen via een bijzondere btw-aangifte (zie [artikel 53ter van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter)).

Mocht C een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn die tot de groep van vier behoort en niet gehouden is om zijn intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen of accijnsproducten aan de btw te onderwerpen, dan zou de intracommunautaire verwerving van de goederen niet belastbaar zijn (zie [artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter)). De intracommunautaire levering die de tussenhandelaar (B) verricht, zou dan niet vrijgesteld zijn door [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, en zou in principe belast worden met btw in Lidstaat 1. Wanneer het vervoer of de verzending van de goederen wordt verricht door of voor rekening van B, ook wanneer hij indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen (zie [artikel 5bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-5bis)), vindt de levering (ervan uitgaande dat er sprake is van een intracommunautaire afstandsverkoop zoals bedoeld in [artikel 1, § 19, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1)) evenwel plaats in België en wordt ze in België aan de btw onderworpen ([artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15)). Er wordt opgemerkt dat de communautaire drempel van 10.000 euro zoals bedoeld in [artikel 15, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) niet van toepassing kan zijn aangezien de goederen worden verzonden vanuit een andere lidstaat dan die waar B gevestigd is.

\[Top\]

### 3. Vereenvoudigingsmaatregelen voor intracommunautair driehoeksverkeer

#### A. Vereenvoudigingsmaatregelen in de btw-richtlijn

Bij intracommunautair driehoeksverkeer zonder vereenvoudiging is de belastingplichtige tussenhandelaar B in principe steeds verplicht is om zich voor btw-doeleinden te identificeren in de:

•lidstaat van vertrek van de goederen (Lidstaat 1) wanneer het vervoer wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C), omwille van de intracommunautaire levering die hij er verricht

•lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) wanneer het vervoer wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B), omwille van de intracommunautaire verwerving die hij er verricht.

In het laatstgenoemde geval, waarbij het vervoer wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B), heeft de Europese wetgever onder bepaalde voorwaarden vereenvoudigingsmaatregelen voorzien, die vermijden dat B zich in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) voor btw-doeleinden moet identificeren:

•de intracommunautaire verwerving door B in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) is niet belastbaar (zie [artikel 141 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-141))

•de btw die verschuldigd is over de tweede levering (B-C) door B in lidstaat 3, wordt verlegd naar de in Lidstaat 3 voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon eindafnemer (zie [artikel 197 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-197)).

#### B. Belgische vereenvoudigingsmaatregelen

De vereenvoudigingsmaatregelen bepaald in de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, werden in het Belgisch Btw-Wetboek omgezet in:

•artikel 25*ter*, § 1, tweede lid, 3°

•artikel 25*quinquies*, § 3, derde lid

•[artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51).

## [Artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter):

‘(…)

*In afwijking van het eerste lid zijn niet aan de belasting onderworpen:*

*(…)*

*3°* *de intracommunautaire verwervingen van goederen verricht, door een niet in België gevestigde maar voor btw-doeleinden in een andere lidstaat geïdentificeerde belastingplichtige, onder de hieronder volgende voorwaarden:*

*a)* *de intracommunautaire verwerving van goederen wordt verricht met het oog op een volgende levering van deze goederen in België door deze belastingplichtige;*

*b)* *de aldus door deze belastingplichtige verworven goederen worden rechtstreeks uit een*

*andere lidstaat dan die waarin hij voor btw-doeleinden geïdentificeerd is, verzonden of vervoerd naar degene voor wie hij de volgende levering verricht;*

*c)* *degene voor wie de volgende levering is bestemd, is een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor btw-doeleinden in België is geïdentificeerd;*

*d)* *degene voor wie de volgende levering is bestemd, is, overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, aangewezen als tot voldoening van de belasting gehouden persoon uit hoofde van de levering die is verricht door de niet in België gevestigde belastingplichtige;*

(…)’

## [Artikel 25quinquies, § 3, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies):

*‘(…)*

*Onverminderd het bepaalde in § 2 wordt de plaats van een intracommunautaire verwerving van*

*goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, evenwel geacht zich te bevinden op het grondgebied van de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht, voor zover de afnemer niet aantoont dat de belasting op deze verwerving is geheven overeenkomstig § 2.*

*Indien echter op de verwerving op grond van § 2 belasting wordt geheven in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen, nadat de belasting erop is geheven op grond van het eerste lid, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd in de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht.*

*Voor de toepassing van het eerste lid wordt de intracommunautaire verwerving van goederen geacht overeenkomstig § 2 aan de belasting te zijn onderworpen wanneer:*

*1° de intracommunautaire verwerving van goederen is verricht in een andere lidstaat door een*

*belastingplichtige die voor de btw-doeleinden in België is geïdentificeerd;*

*2° de intracommunautaire verwerving van goederen wordt verricht met het oog op een volgende*

*levering van deze goederen in die andere lidstaat door deze belastingplichtige;*

*3° de aldus door deze belastingplichtige verworven goederen worden rechtstreeks uit een andere*

*lidstaat dan België verzonden of vervoerd naar degene voor wie hij de volgende levering verricht;*

*4°* *degene voor wie de volgende levering is bestemd, is een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat van bestemming;*

*5°* *degene voor wie de volgende levering is bestemd, is door de in België voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige aangewezen als tot voldoening van de belasting gehouden persoon uit hoofde van de levering die is verricht door deze belastingplichtige;*

*6°* *de in België voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige heeft, voor de levering die hij verricht onder de hierboven vermelde voorwaarden, naast de verplichting bepaald in 5° hierboven, de aangifteverplichtingen bedoeld in artikel 53sexies, § 1, 2°, nageleefd.*

*(…)’*

## [Artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51):

*‘(…)*

*§ 2. In afwijking van § 1, 1°, is de belasting verschuldigd:*

*…*

*2° door de medecontractant die overeenkomstig artikel 50, voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, wanneer het gaat om leveringen van goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, en voor zover de in artikel 53, § 2, eerste lid, beoogde factuur de door de Koning te bepalen vermeldingen bevat;*

*(…)’*

#### C. Werking en voorwaarden van de vereenvoudigingsregeling in België als België de lidstaat van aankomst van de goederen is

##### a. Situatie waarbinnen de vereenvoudiging kan worden toegepast

A verkoopt goederen aan B, die de goederen op zijn beurt doorverkoopt aan C.

•A is een in Lidstaat 1 voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige.

•B is een in Lidstaat 2 voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige die niet in België gevestigd is.

•C is een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd (belastingplichtige-indiener of lid van de groep van vier met een Belgisch btw-identificatienummer) en die er al dan niet toe gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.

De goederen worden rechtstreeks van bij A in Lidstaat 1 vervoerd of verzonden ter bestemming van C in België.

Het vervoer van de goederen wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B).

In deze situatie van intracommunautair driehoeksverkeer waarbij het vervoer van de goederen wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B), verricht B in de lidstaat van aankomst van de goederen (België):

•Een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen

•en vervolgens een levering zonder vervoer aan de eindafnemer (zie ook titel 2, rubriek C, hierboven).

Bijgevolg moet B zich in principe in België voor btw-doeleinden identificeren, zijn Belgisch btw-identificatienummer meedelen aan A en periodieke btw-aangiften indienen.

##### b. Werking van de vereenvoudigingsregeling in België

De vereenvoudigingsregeling zorgt ervoor dat onder de hierna onder subrubriek c vermelde voorwaarden:

•de intracommunautaire verwerving van goederen die B in België verricht niet belastbaar is ([artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter))

•de btw over de daaropvolgende levering zonder vervoer door B, wordt verlegd naar de eindafnemer C.

C wordt dus aangeduid als schuldenaar van de btw ([artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)) en moet de verschuldigde btw voldoen aan de Schatkist via zijn Belgische periodieke of bijzondere btw-aangifte.

##### c. Voorwaarden

De vereenvoudigingsregeling is van toepassing onder volgende voorwaarden:

•**De intracommunautaire verwerving van goederen in België wordt verricht door een niet in België gevestigde maar voor btw-doeleinden in een andere lidstaat (die bovendien een andere lidstaat is dan die van waaruit de goederen worden vervoerd of verzonden) geïdentificeerde belastingplichtige** (zie [artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, eerste zin en b), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter))**.**

De tussenhandelaar B is niet gevestigd in lidstaat van aankomst van de goederen (België), maar is geïdentificeerd voor btw-doeleinden in een andere lidstaat (Lidstaat 2) (dit geldt ook voor een in Noord-Ierland geïdentificeerde belastingplichtige met een btw-identificatienummer met prefix XI) dan de lidstaat van vertrek (Lidstaat 1) of lidstaat van aankomst (België) van de goederen ([circulaire 2021/C/47 van 21.05.2021 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109-10)](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-47-btw-stelsel-b2b-intracommunautair-handelsverkeer-7dbe), punt 5).

Wanneer B tegelijk in de lidstaat van vertrek van de goederen (Lidstaat 1) en in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek of aankomst van de goederen (Lidstaat 2) is gevestigd en/of geïdentificeerd is voor btw-doeleinden, mag B het hierboven beschreven vereenvoudigd stelsel toepassen op voorwaarde natuurlijk dat alle voorwaarden hiertoe vervuld zijn en het vervoer wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B) (zie in dit verband Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Bühler, zaak [C-580/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-580-16-arrest), van 19.04.2018, punt 42).

Als B niet gevestigd is in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3), maar hij er voor btw-doeleinden geïdentificeerd is dan heeft hij de keuze: hij mag toepassing maken van de gewone regeling (zoals uiteengezet hierboven) of hij mag de vereenvoudigingsregeling toepassen (op voorwaarde dat aan alle andere voorwaarden ter zake is voldaan).

•**De intracommunautaire verwerving van goederen in België wordt verricht met het oog op een volgende levering van deze goederen in België door de tussenhandelaar B** ([artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, a), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter))**.**

De vereenvoudigingsregeling kan dus enkel van toepassing zijn wanneer het intracommunautair vervoer of de intracommunautaire verzending van de goederen van de eerste leverancier A (Lidstaat 1) naar de eindafnemer C in een andere lidstaat (Lidstaat 3) wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B).

Dit betekent dat de vereenvoudigingsregeling nooit van toepassing kan zijn wanneer het vervoer of de verzending van de goederen wordt verricht door of voor rekening van:

•de eindafnemer C

•de tussenhandelaar B, voor zover het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C).

Het feit dat de tweede levering (B-C) zonder vervoer een levering zou betreffen met installatie of montage van de goederen door of voor rekening van B, vormt op zichzelf geen beletsel voor de toepassing van de vereenvoudigingsregeling ([circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109)](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2020-c-50-btw-stelsel-b2b-intracommunautair-handelsverkeer-9af5), punt 7.4.3.3.2).

•**De aldus door de tussenhandelaar B verworven goederen worden rechtstreeks uit een andere lidstaat (Lidstaat 1)** dan die waarin hij voor btw-doeleinden geïdentificeerd is (Lidstaat 2)**, verzonden of vervoerd naar de eindafnemer C, voor wie hij B de volgende levering (B-C) verricht** ([artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, b), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter))**.**

Er moet sprake zijn van intracommunautair driehoeksverkeer, wat betekent dat de goederen het voorwerp uitmaken van twee opeenvolgende leveringen door twee verschillende belastingplichtigen (A en B), waarbij de goederen rechtstreeks worden vervoerd of verzonden van de eerste leverancier A (Lidstaat 1) ter bestemming van de eindafnemer C in een andere lidstaat (Lidstaat 3).

•**De eindafnemer C is een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die in België voor btw-doeleinden geïdentificeerd is** ([artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, c), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter))**.**

De eindafnemer C is met andere woorden:

•een belastingplichtige die gehouden is om periodieke btw-aangiften (zoals bedoeld in [artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)) in te dienen en die in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

•een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die niet gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen, maar die wel in België voor btw-doeleinden geïdentificeerd is (bijvoorbeeld een lid van de groep van vier met een Belgisch btw-identificatienummer).

Voor de toepassing van de vereenvoudigingsregeling volstaat het dat C een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon is die over een Belgisch btw-identificatienummer beschikt. Het is op zich dus niet vereist dat hij in België:

•gevestigd is

•een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft laten erkennen als hij niet in België gevestigd is

•gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.

De verlegging van heffing van [artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) die voorzien is in het kader van vereenvoudigd driehoeksverkeer, heeft op dit punt dus ruimere werking dan de zogenaamde ‘veralgemeende’ verlegging van heffing van [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51). Laatstgenoemde bepaling kan immers slechts van toepassing zijn als de afnemer een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen of een niet in België gevestigde belastingplichtige die een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft laten erkennen.

•**De eindafnemer C, is aangewezen als schuldenaar van de btw over de tweede levering (B-C) die is verricht door de tussenhandelaar B** ([artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, d), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter))**.**

De tussenhandelaar B moet de eindafnemer C aanduiden als schuldenaar van de btw over de tweede levering (B-C) aan de hand van een uitdrukkelijke vermelding op de factuur die hij aan laatstgenoemde moet uitreiken.

Sinds 01.01.2013 moet de factuur overeenkomstig artikel 226, 11*bis*), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, de uniforme vermelding ‘btw verlegd’ bevatten, wanneer de afnemer gehouden is tot voldoening van de btw (zie [artikel 5, § 1, 9°bis, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa), voornoemd, wanneer B niet in de Gemeenschap is gevestigd of ingeval van self-billing).

De vereenvoudiging voor driehoeksverkeer is facultatief. Het is dus de vermelding ‘btw verlegd’ die ervoor zorgt dat de eindafnemer (C) van de levering op de hoogte is van zijn fiscale verplichtingen. De btw-verleggingsregeling houdt immers in dat er geen btw wordt betaald tussen de leverancier (B) en de eindafnemer (C) voor wie een levering wordt verricht (C) omdat het laatstgenoemde is die de belasting voor deze levering verschuldigd is. Er mag daaromtrent dus geen onzekerheid bestaan.

De vermelding ‘btw verlegd’ is dus een materiële voorwaarde voor de toepassing van de vereenvoudigingsregeling inzake driehoeksverkeer.

Bijgevolg is de eindafnemer (C) bij een driehoekstransactie niet geldig als de tot voldoening van de btw gehouden persoon aangewezen en is de vereenvoudiging niet van toepassing, wanneer de factuur van de tussenhandelaar (B) niet de vermelding ‘btw verlegd’ bevat.

Bovendien kan de weglating van de vermelding ‘btw verlegd’ op een factuur niet achteraf worden gecorrigeerd door toevoeging van een vermelding die aangeeft dat de factuur betrekking heeft op een intracommunautaire driehoekstransactie en dat de belastingschuld wordt verlegd naar degene voor wie de levering bestemd is (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Luxury Trust Automobil GmbH, zaak [C-247/21](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-247-21-arrest), van 08.12.2022; [circulaire 2023/C/51 van 04.05.2023 betreffende de aanvulling en wijziging van circulaire 2020/C/50 (nr. E.T. 140.234)](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2023-c-51-aanvulling-wijziging-operation-intracommunautaire-exoneration-9666), randnummer 1).

##### d. Btw-behandeling indien de voorwaarden vervuld zijn

De eerste leverancier A verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32)).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), want:

•de levering wordt verricht door een belastingplichtige (A)

•de levering wordt verricht voor een belastingplichtige (B) die als zodanig handelt in een andere lidstaat en er gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen

•B deelt aan A zijn btw-identificatienummer mee dat aan hem is toegekend door Lidstaat 2

•de goederen worden naar een andere lidstaat vervoerd door de verkoper, door de afnemer of voor hun rekening

•A neemt de levering conform op in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen in Lidstaat 1.

De tussenhandelaar B deelt zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 2 mee aan zijn leverancier A en hij verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die niet belastbaar is (artikelen [25ter, § 1, tweede lid, 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) en [25quinquies, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies), van het Btw-Wetboek). B is niet gehouden om zich in België voor btw-doeleinden te identificeren en is evenmin gehouden om de intracommunautaire verwerving op te nemen in een Belgische periodieke btw-aangifte.

Vervolgens verricht B een levering zonder vervoer in België aan de eindafnemer C (zie [artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)) die aan de btw is onderworpen.

B moet C aanduiden als schuldenaar van de btw over de tweede levering (B-C) aan de hand van de vermelding ‘btw verlegd’ op de factuur die hij aan laatstgenoemde moet uitreiken.

C moet de btw over de tweede levering (B-C) voldoen (zie [artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)) via:

•zijn periodieke btw-aangifte bedoeld in [artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) als hij een belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van zulke aangiften

•zijn bijzondere btw-aangifte bedoeld in [artikel 53ter, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter), als hij een belastingplichtige is die niet gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen of een niet-belastingplichtige rechtspersoon.

#### D. Werking van de vereenvoudigingsregeling in België als België niet de lidstaat van vertrek, noch van aankomst van de goederen is (lidstaat 2)

##### a. Situatie

A verkoopt goederen aan B, die de goederen op zijn beurt doorverkoopt aan C.

•A is een in Lidstaat 1 voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige

•B is een in België voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige die niet in Lidstaat 3 gevestigd is

•C is een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in Lidstaat 3

De goederen worden rechtstreeks van bij A in Lidstaat 1 vervoerd of verzonden ter bestemming van C in Lidstaat 3.

Het vervoer van de goederen wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B).

##### b. Werking van de vereenvoudigingsregeling in België

Indien de voorwaarden voldaan zijn, zal de vereenvoudigingsregeling in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) tot gevolg hebben dat de tussenhandelaar B zich er niet voor btw-doeleinden moet identificeren.

Bij toepassing van de vereenvoudigingsregeling zal B zijn geldig Belgisch btw-identificatienummer meedelen aan zijn leverancier A.

Aan de hand van het door B meegedeelde Belgisch btw-identificatienummer, kan A de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen (zie [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd) toepassen in de lidstaat van vertrek van de goederen (Lidstaat 1), mits ook alle andere voorwaarden voldaan zijn. Voor de toepassing van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen is het immers niet noodzakelijk dat het door de afnemer meegedeelde btw-identificatienummer is toegekend door de lidstaat van aankomst van de goederen.

Wanneer een belastingplichtige onder zijn Belgisch btw-identificatienummer een intracommunautaire verwerving verricht in een andere lidstaat, laat de **veiligheidsbepaling** ([artikel 25quinquies, § 3, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies)) België in principe toe om die intracommunautaire verwerving aan de btw te onderwerpen, ook al worden de goederen niet vervoerd of verzonden naar België. Enkel indien de belastingplichtige kan aantonen dat de intracommunautaire verwerving aan de btw is onderworpen in de lidstaat van aankomst van de goederen, kan hij een teruggaaf van de Belgische btw bekomen (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Facet, gevoegde zaken [C-536/08](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-536-08-arrest) en [C-539/08](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-536-08-arrest), van 22.04.2010) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen, Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 6, titel 1, rubriek B’).

Artikel 25*quinquies*, § 3, derde lid, verhindert evenwel de toepassing van de veiligheidsbepaling ingeval van vereenvoudigd driehoeksverkeer.

##### c. Voorwaarden opdat de veiligheidsbepaling niet van toepassing is

•**De intracommunautaire verwerving van goederen is verricht in een andere lidstaat (lidstaat 3) door een belastingplichtige B die voor de btw-doeleinden in België is geïdentificeerd** ([artikel 25quinquies, § 3, derde lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies)).

België is niet de lidstaat van vertrek van de goederen, noch de lidstaat van aankomst van de goederen.

De tussenhandelaar verricht de intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) onder zijn Belgisch btw-identificatienummer.

•**De intracommunautaire verwerving van goederen wordt verricht met het oog op een volgende levering van deze goederen in die andere lidstaat (Lidstaat 3) door de tussenhandelaar B** ([artikel 25quinquies, § 3, derde lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies))**.**

De vereenvoudigingsregeling kan dus enkel van toepassing zijn wanneer het intracommunautair vervoer of de intracommunautaire verzending van de goederen van de eerste leverancier A (Lidstaat 1) naar de eindafnemer C in een andere lidstaat (Lidstaat 3) wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B).

Dit betekent dat de vereenvoudigingsregeling nooit van toepassing kan zijn wanneer het vervoer of de verzending van de goederen wordt verricht door of voor rekening van:

•de eindafnemer C

•de tussenhandelaar B, voor zover het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C) (zie titel 2, rubriek B).

•**De door de tussenhandelaar B verworven goederen worden rechtstreeks uit een andere lidstaat (Lidstaat 1) dan België verzonden of vervoerd naar de eindafnemer (C) (in Lidstaat 3)** ([artikel 25quinquies, § 3, derde lid, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies))**.**

Er moet sprake zijn van intracommunautair driehoeksverkeer, wat betekent dat de goederen het voorwerp uitmaken van twee opeenvolgende leveringen door twee verschillende belastingplichtigen (A en B), waarbij de goederen rechtstreeks worden vervoerd of verzonden van de eerste leverancier A (Lidstaat 1) ter bestemming van de eindafnemer C in een andere lidstaat (Lidstaat 3).

•**De eindafnemer C is een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat van bestemming (Lidstaat 3)** ([artikel 25quinquies, § 3, derde lid, 4°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies))**.**

Voor de toepassing van de vereenvoudigingsregeling volstaat het dat de eindafnemer C een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon is die over een btw-identificatienummer beschikt dat aan hem is toegekend door de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3).

•**De eindafnemer C is door de tussenhandelaar B aangewezen als schuldenaar van de btw over de door B verrichte levering (B-C)** ([artikel 25quinquies, § 3, derde lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies))**.**

De tussenhandelaar B moet de eindafnemer C aanduiden als schuldenaar van de btw over de tweede levering (B-C) aan de hand van een uitdrukkelijke vermelding op de factuur die hij aan laatstgenoemde moet uitreiken.

Sinds 01.01.2013 moet de factuur overeenkomstig artikel 226, 11*bis*), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, de uniforme vermelding ‘btw verlegd’ bevatten, wanneer de afnemer gehouden is tot voldoening van de btw (zie [artikel 5, § 1, 9°bis, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa), voornoemd, als België de lidstaat is waar de leverancier de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de levering verricht, behalve ingeval van self-billing).

De vereenvoudiging voor driehoeksverkeer is facultatief. Het is dus de vermelding ‘btw verlegd’ die ervoor zorgt dat de eindafnemer (C) van de levering op de hoogte is van zijn fiscale verplichtingen. De btw-verleggingsregeling houdt immers in dat er geen btw wordt betaald tussen de leverancier (B) en de eindafnemer (C) omdat het laatstgenoemde is die de belasting voor deze levering verschuldigd is. Er mag daaromtrent dus geen onzekerheid bestaan.

De vermelding ‘btw verlegd’ is dus een materiële voorwaarde voor de toepassing van de vereenvoudigingsregeling inzake driehoeksverkeer.

Bijgevolg is de eindafnemer (C) bij een driehoekstransactie niet geldig als de tot voldoening van de btw gehouden persoon aangewezen en is de vereenvoudiging niet van toepassing, wanneer de factuur van de tussenhandelaar (B) niet de vermelding ‘btw verlegd’ bevat.

Bovendien kan de weglating van de vermelding ‘btw verlegd’ op een factuur niet achteraf worden gecorrigeerd door toevoeging van een vermelding die aangeeft dat de factuur betrekking heeft op een intracommunautaire driehoekstransactie en dat de belastingschuld wordt verlegd naar degene voor wie de levering bestemd is (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Luxury Trust Automobil GmbH, zaak [C-247/21](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-247-21-arrest), van 08.12.2022; [circulaire 2023/C/51 van 04.05.2023 betreffende de aanvulling en wijziging van circulaire 2020/C/50 (nr. E.T. 140.234)](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2023-c-51-aanvulling-wijziging-operation-intracommunautaire-exoneration-9666), randnummer 1).

•**De tussenhandelaar B heeft voor de levering die hij verricht (B-C) de aangifteverplichtingen bedoeld in artikel 53sexies, § 1, 2°, nageleefd** ([artikel 25quinquies, § 3, derde lid, 6°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies))**.**

De tussenhandelaar B moet de levering (B-C) aan de eindafnemer C opnemen in zijn Belgische btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met vermelding van code ‘T’.

[Artikel 25quinquies, § 3, derde lid, 6°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies) preciseert op welke wijze het bewijs van belastingheffing in de lidstaat van bestemming van het intracommunautaire vervoer of de intracommunautaire verzending moet worden geleverd, door te verwijzen naar de specifieke verplichtingen die de afnemer moet nakomen bij indiening van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen. Dergelijke verplichtingen moeten als formele voorwaarden worden beschouwd.

Overeenkomstig het beginsel van fiscale neutraliteit kan, wanneer een belastingplichtige nalaat te voldoen aan de formele voorwaarde van [artikel 25quinquies, § 3, derde lid, 6°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies), dit niet ertoe leiden dat de toepassing van [artikel 25quinquies, § 3, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies) in gevaar komt indien voor het overige voldaan is aan de materiële voorwaarden van [artikel 25quinquies, § 3, derde lid, 1° tot 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies) (zie in dit verband Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Bühler, zaak [C-580/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-580-16-arrest), van 19.04.2018, punten 44 en verder).

Niettemin kunnen twee gevallen van niet-naleving van een formele voorwaarde rechtvaardigen dat de veiligheidsbepaling niet wordt uitgeschakeld door [artikel 25quinquies, § 3, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies). Dit is zo wanneer:

•de belastingplichtige zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en zo de goede werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in gevaar heeft gebracht (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Bühler, zaak [C-580/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-580-16-arrest), van 19.04.2018, punt 56). Hij kan zich immers niet op het beginsel van de fiscale neutraliteit beroepen om vrijstelling van btw te verkrijgen. Hetzelfde geldt:

•in geval van misbruik (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Maks Pen, zaak [C-18/13](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-18-13-arrest), van 13.02.2014, punt 26)

•wanneer de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met zijn aankoop deelnam aan een handeling die onderdeel is van btw-fraude (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Bonik, zaak [C-285/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-285-11-arrest), van 06.12.2012, punten 38 en 39, Arrest Maks Pen, [C-18/13](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-18-13-arrest), van 13.02.2014, punt 27, Arrest PPUH, zaak [C-277/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-277-14-arrest), van 22.10.2015, punt 48).

•de schending van de formele vereiste het leveren van het zekere bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan, heeft verhinderd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Euro Tyre, zaak [C-21/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-21-16-arrest), van 09.02.2017, punten 38, 39, 42, Arrest Bühler, zaak [C-580/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-580-16-arrest), van 19.04.2018, punt 59).

##### d. Btw-behandeling indien de voorwaarden vervuld zijn

De eerste leverancier A verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

De tussenhandelaar B deelt zijn Belgisch btw-identificatienummer mee aan zijn leverancier A en hij verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3), onder zijn Belgisch btw-identificatienummer, een intracommunautaire verwerving die niet aan de btw is onderworpen (zie [artikel 141 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-141), voornoemd).

Vervolgens verricht B een levering zonder vervoer in de lidstaat van aankomst van de goederen (Lidstaat 3) aan de eindafnemer C (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31), voornoemd) die aan de btw is onderworpen.

B moet C aanduiden als schuldenaar van de btw over de tweede levering (B-C) aan de hand van de vermelding ‘btw-verlegd’ op de factuur die hij aan laatstgenoemde moet uitreiken.

C moet de btw over de tweede levering (B-C) voldoen (zie [artikel 197 van richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-197)).

B moet bovendien:

•de handeling opnemen in zijn Belgische periodieke btw-aangifte bedoeld in [artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53):

•inkomende handeling: maatstaf van heffing in rooster 81, 82 of 83 en rooster 86, er wordt geen verschuldigde btw vermeld in rooster 55

•uitgaande handeling: rooster 46 (7)

•de uitgaande handeling opnemen in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen zoals bedoeld in [artikel 53sexies, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53sexies) met vermelding van code ‘T’ in de kolom ‘Code’.

*(7) Voor deze handelingen moet de opeisbaarheid van de belasting (hetgeen bepaalt in welke aangifte de handeling moet worden opgenomen) in principe worden vastgesteld volgens de wetgeving van de lidstaat waarin de levering plaatsvindt. Het is echter toegelaten om dezelfde regels toe te passen dan deze met betrekking tot de intracommunautaire leveringen van goederen.*

\[Top\]

### 4. Onecht driehoeksverkeer

#### A. De tussenhandelaar B is gevestigd in de lidstaat van vertrek van de goederen

Situatie:

A, een in Lidstaat 1 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, verkoopt goederen aan B, een in Lidstaat 1 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, die de goederen op zijn beurt doorverkoopt aan C, een in België gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige. De goederen worden rechtstreeks van bij A in Lidstaat 1 vervoerd of verzonden ter bestemming van C in België.

##### a. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B)

De regels die bepalen aan welke levering het vervoer wordt toegerekend, worden besproken onder titel 2 rubriek B.

De eerste leverancier A verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, voor zover de voorwaarden vervuld zijn.

De tussenhandelaar B verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (25*ter*, § 1, eerste lid, en 25*quinquies*, § 2, van het Btw-Wetboek). B is in principe gehouden om zich op voorhand in België voor btw-doeleinden te identificeren.

B moet de intracommunautaire verwerving opnemen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar wordt.

Vervolgens verricht B een levering zonder vervoer in België aan de eindafnemer C (zie [artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)) die er in principe aan de btw is onderworpen.

Aangezien B niet gevestigd is in België en C een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften (zoals bedoeld in [artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)), wordt de btw over de tweede levering (B-C) verlegd naar C (zie [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)).

Mocht C een niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn of een belastingplichtige zijn die niet gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen (bijvoorbeeld een lid van de groep van vier), dan is de verlegging van heffing van [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) niet van toepassing.

In dit laatste geval dient de B, die zich in principe reeds voor btw-doeleinden heeft laten identificeren in België omwille van de intracommunautaire verwerving die hij er verricht, de verschuldigde btw te voldoen via de periodieke btw-aangifte die betrekking heeft op het aangiftetijdperk waarbinnen de btw opeisbaar is geworden (zie artikelen [51, § 1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

**Vereenvoudigingsregeling**.

Als B voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in een andere lidstaat dan België of Lidstaat 1, dan kan hij de vereenvoudigingsregeling (zie titel 3, rubriek C, hierboven) toepassen als alle voorwaarden voldaan zijn.

Het feit dat B ook gevestigd is in Lidstaat 1, verhindert de toepassing van de vereenvoudigingsregeling niet. Dit houdt dus onder meer in dat hij de handeling onder zijn btw-identificatienummer van die andere lidstaat verricht en dat btw-identificatienummer meedeelt aan A en dat hij een factuur uitreikt die uitdrukkelijk C aanduidt als schuldenaar van de btw over de tweede levering (levering B-C) door middel van de vermelding ‘btw verlegd’.

Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het voor de toepassing van de vereenvoudigingsregeling volstaat dat C een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon is die in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. Het is dus op zich niet vereist dat hij in België:

•gevestigd is of in België over een aansprakelijk vertegenwoordiger beschikt

•gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.

##### b. Het vervoer wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C)

De regels die bepalen aan welke levering het vervoer wordt toegerekend, worden besproken onder titel 2 rubriek B.

De eerste leverancier A verricht een levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1 (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31), voornoemd) en die in Lidstaat 1 aan de btw is onderworpen.

De tussenhandelaar B verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, wanneer voldaan is aan alle voorwaarden.

De eindafnemer C verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (25*ter*, § 1, eerste lid en 25*quinquies*, § 2, van het Btw-Wetboek). Hij moet deze intracommunautaire verwerving opnemen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar wordt en via die aangifte de verschuldigde btw voldoen (zie artikelen [51, § 1, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

Mocht C een belastingplichtige zijn die geen periodieke btw-aangiften moet indienen of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen, dan zou C eveneens een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verrichten (zie artikelen [25ter, § 1, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) en [25quinquies, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies), van het Btw-Wetboek). C moet dan de btw over de intracommunautaire verwerving van goederen voldoen via een bijzondere btw-aangifte (zie [artikel 53ter van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter)).

Mocht C een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn die tot de groep van vier behoort en niet gehouden is om zijn intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen of accijnsproducten aan de btw te onderwerpen, dan zou de intracommunautaire verwerving van de goederen niet belastbaar zijn (zie [artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter)). De intracommunautaire levering die B verricht, zou dan niet vrijgesteld zijn door [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, en zou in principe belast worden met btw in Lidstaat 1. Wanneer het vervoer of de verzending van de goederen wordt verricht door of voor rekening van B, ook wanneer de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen (zie [artikel 5bis van de uitvoeringsverordening (EU) 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-5bis), voornoemd), en de communautaire drempel van 10.000 euro voor micro-ondernemingen (zie [artikel 15, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15)) niet van toepassing is, vindt de levering (ervan uitgaande dat er sprake is van een intracommunautaire afstandsverkoop zoals bedoeld in [artikel 1, § 19, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1)) evenwel plaats in België en wordt ze in België aan de btw onderworpen ([artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15)).

#### B. De goederen blijven in de lidstaat van aankoop

Situatie:

A, een in België gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, verkoopt goederen aan B, een in Lidstaat 2 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, die de goederen op zijn beurt doorverkoopt aan C, een in België gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige. De goederen worden rechtstreeks van bij A in België vervoerd of verzonden ter bestemming van C in België.

In deze situatie is er geen sprake van een intracommunautair vervoer, aangezien de goederen België niet verlaten. Ongeacht aan welke levering in deze kettingverkoop het vervoer wordt toegerekend (8), zullen beide leveringen in België plaatsvinden en in België aan de btw onderworpen zijn.

*(8) Wanneer het vervoer door of voor rekening van tussenhandelaar B wordt verricht, zijn de regels van* [*artikel 14, § 5, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) *niet van toepassing (zie titel 2, rubriek B) aangezien er geen sprake is van een intracommunautair vervoer. Dit vormt evenwel geen probleem omdat beide leveringen in België plaatsvinden.*

Aangezien de tussenhandelaar B niet gevestigd is in België en de eindafnemer C een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften (zoals bedoeld in [artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)), wordt de btw over de tweede levering (B-C) verlegd C (zie [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)), zodat laatstgenoemde wordt aangeduid als schuldenaar van de btw.

Mocht C een niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn of een belastingplichtige zijn die niet gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen, dan is de verlegging van heffing van [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) niet van toepassing.

In dit laatste geval dient B zich voor btw-doeleinden te identificeren in België en de verschuldigde btw te voldoen via de periodieke btw-aangifte die betrekking heeft op het aangiftetijdperk waarbinnen de btw opeisbaar is geworden (zie artikelen [51, § 1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

#### C. De tussenhandelaar is gevestigd in een derde land

Situatie:

A, een in Lidstaat 1 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, verkoopt goederen aan B, een in een derde land gevestigde belastingplichtige, die de goederen op zijn beurt doorverkoopt aan C, een in België gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige. De goederen worden rechtstreeks van bij A in Lidstaat 1 vervoerd of verzonden ter bestemming van C in België.

##### a. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B)

**Principe**.

De regels die bepalen aan welke levering het vervoer wordt toegerekend, worden besproken onder titel 2 rubriek B.

De eerste leverancier A verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

De tussenhandelaar B verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (25*ter*, § 1, eerste lid, en 25*quinquies*, § 2, van het Btw-Wetboek). Deze is in principe gehouden om zich op voorhand in België voor btw-doeleinden te identificeren.

B moet de intracommunautaire verwerving opnemen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar wordt.

Vervolgens verricht B een levering zonder vervoer in België aan C (zie [artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)) die in principe in die lidstaat aan de btw is onderworpen.

Aangezien B niet gevestigd is in België en C een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften (zoals bedoeld in [artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)), wordt de btw over de tweede levering (B-C) verlegd naar C (zie [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)), zodat laatstgenoemde wordt aangeduid als schuldenaar van de btw.

Mocht C een niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn of een belastingplichtige zijn die niet gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen, dan is de verlegging van heffing van [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) niet van toepassing.

In dit laatste geval dient B, die zich in principe reeds voor btw-doeleinden heeft laten identificeren in België omwille van de intracommunautaire verwerving die hij er verricht, de verschuldigde btw te voldoen via de periodieke btw-aangifte die betrekking heeft op het aangiftetijdperk waarbinnen de btw opeisbaar is geworden (zie artikelen [51, § 1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

**Vereenvoudigingsregeling**.

Mocht B evenwel voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn in een andere lidstaat dan België of Lidstaat 1, dan kan hij de vereenvoudigingsregeling (zie titel 3, rubriek C hierboven) toepassen als alle voorwaarden voldaan zijn.

Dit houdt dus onder meer in dat hij de handeling onder zijn btw-identificatienummer van die andere lidstaat verricht en dat btw-identificatienummer meedeelt aan A en dat hij een factuur uitreikt die uitdrukkelijk C aanduidt als schuldenaar van de btw over de tweede levering (levering B-C) door middel van de vermelding ‘btw verlegd’.

Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het voor de toepassing van de vereenvoudigingsregeling volstaat dat C een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon is die in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. Het is dus op zich niet vereist dat hij in België:

•gevestigd is of in België over een aansprakelijk vertegenwoordiger beschikt

•gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.

##### b. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C)

De regels die bepalen aan welke levering het vervoer wordt toegerekend, worden besproken onder titel 2 rubriek B.

De eerste leverancier A verricht een levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1 (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31), voornoemd) en die in Lidstaat 1 aan de btw is onderworpen.

De tussenhandelaar B verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

Omwille van de intracommunautaire levering die hij in Lidstaat 1 verricht, is B verplicht om zich er op voorhand voor btw-doeleinden te identificeren.

De eindafnemer C verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (25*ter*, § 1, eerste lid en 25*quinquies*, § 2, van het Btw-Wetboek). Hij moet deze intracommunautaire verwerving opnemen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar wordt en via die aangifte de verschuldigde btw voldoen (zie [artikel 51, § 1, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

Mocht C een belastingplichtige zijn die geen periodieke btw-aangiften moet indienen of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen, dan zou C eveneens een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verrichten (artikelen [25ter, § 1, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter), en [25quinquies, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies), van het Btw-Wetboek). C moet dan de btw over de intracommunautaire verwerving van goederen voldoen via een bijzondere btw-aangifte (zie [artikel 53ter van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter)).

Mocht C een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn die tot de groep van vier behoort en niet gehouden is om zijn intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen of accijnsproducten aan de btw te onderwerpen, dan zou de intracommunautaire verwerving van de goederen niet belastbaar zijn (zie [artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter)). De intracommunautaire levering die B verricht, zou dan niet vrijgesteld zijn door [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd en zou in principe belast worden met btw in Lidstaat 1. Wanneer het vervoer of de verzending van de goederen wordt verricht door of voor rekening van B, ook wanneer de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen (zie [artikel 5bis van de uitvoeringsverordening (EU) 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-5bis), voornoemd), vindt de levering (ervan uitgaande dat er sprake is van een intracommunautaire afstandsverkoop zoals bedoeld in [artikel 1, § 19, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1)) evenwel plaats in België en wordt ze in België aan de btw onderworpen ([artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15)). Er wordt opgemerkt dat de communautaire drempel van 10.000 euro zoals bedoeld in [artikel 15, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) niet van toepassing kan zijn aangezien B niet in de Gemeenschap is gevestigd.

\[Top\]

### 5. Vereenvoudigd driehoeksverkeer in een ketentransactie met meer dan drie partijen

Wanneer goederen het voorwerp uitmaken van een kettingverkoop tussen meer dan 3 partijen die allemaal in verschillende lidstaten voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd en de goederen rechtstreeks worden vervoerd van bij de eerste leverancier in de lidstaat van vertrek naar de laatste afnemer in de lidstaat van aankomst door of voor rekening van één van de partijen (behalve de laatste afnemer), stelt zich de vraag of vereenvoudigingsregeling voor driehoeksverkeer kan worden toegepast voor twee opeenvolgende leveringen (waarbij de eerste van die twee leveringen de levering met vervoer is) tussen 3 partijen in de ketting.

De fiscale administraties van de lidstaat van vertrek en van de lidstaat van bestemming bepalen soeverein de verplichtingen waaraan de respectievelijke operatoren zijn onderworpen die er belastbare handelingen verrichten.

Bovendien bepaalt de fiscale autoriteit van de lidstaat van aankomst van de goederen of er voor drie operatoren toepassing gemaakt kan worden van de onder titel 3 beschreven vereenvoudigingsregeling voor driehoeksverkeer.

Uit de richtsnoeren van het 113de btw-comité van 03.06.2019, blijkt dat de meeste lidstaten zulke toepassing aanvaarden voor zover alle voorwaarden van de vereenvoudigingsregeling voor driehoeksverkeer van toepassing zijn.

België aanvaardt op haar grondgebied (9) de toepassing van de vereenvoudigingsregeling inzake driehoeksverkeer voor twee opeenvolgende leveringen (tussen 3 partijen) die deel uitmaken van een langere intracommunautaire ketentransactie, voor zover uiteraard alle voorwaarden zijn voldaan (zie titel 3, rubriek C). Dit wordt toegelicht aan de hand van volgend vereenvoudigd voorbeeld:

*(9) Met andere woorden wanneer België de lidstaat van aankomst van het vervoer of de verzending van de goederen is.*

Situatie:

A, een in Lidstaat 1 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, verkoopt goederen aan B, een in Lidstaat 2 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, die de goederen doorverkoopt aan C, een in Lidstaat 3 gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige, die tenslotte de goederen doorverkoopt aan D, een in België gevestigde en voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige. De goederen worden rechtstreeks van bij A in Lidstaat 1 vervoerd of verzonden naar D in België.

#### A. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de eerste levering (A-B)

##### a. Principe

De regels die bepalen aan welke levering het vervoer wordt toegerekend, worden besproken onder titel 2, rubriek B.

A verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, voor zover de voorwaarden voldaan zijn.

B verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (25*ter*, § 1, eerste lid en 25*quinquies*, § 2, van het Btw-Wetboek). B is in principe gehouden om zich op voorhand in België voor btw-doeleinden te identificeren.

B moet de intracommunautaire verwerving opnemen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar wordt.

Vervolgens verricht B een levering zonder vervoer in België aan C (zie [artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)) die er in principe aan de btw is onderworpen. B moet als schuldenaar, de btw over deze levering voldoen aan de Schatkist ([artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)) via zijn periodieke btw-aangifte (zie [artikel 53, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)). De verlegging van heffing van [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) is niet van toepassing aangezien C niet in België gevestigd is of beschikt over een aansprakelijk vertegenwoordiger zoals bedoeld in [artikel 55, §§ 1 of 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55).

Tenslotte verricht C een levering zonder vervoer in België aan D (zie [artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)) die in principe in België aan de btw is onderworpen.

Aangezien C niet gevestigd is in België en D een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften (zoals bedoeld in [artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)), wordt de btw over de derde levering (C-D) verlegd naar de D (zie [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)), zodat laatstgenoemde wordt aangeduid als schuldenaar van de btw.

Mocht de D een niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn of een belastingplichtige zijn die niet gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen, dan is de verlegging van heffing van [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) niet van toepassing.

In dit laatste geval dient C zich voor btw-doeleinden te identificeren in België en de verschuldigde btw te voldoen via de periodieke btw-aangifte die betrekking heeft op het aangiftetijdperk waarbinnen de btw opeisbaar is geworden (zie artikelen [51, § 1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

##### b. Vereenvoudigingsregeling

Mocht C evenwel voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn in België, dan wordt aanvaard dat de vereenvoudigingsregeling (zie titel 3, rubriek C, hierboven) wordt toegepast tussen de eerste drie operatoren (A-B-C) als alle voorwaarden voldaan zijn.

B moet zich dan niet in België voor btw-doeleinden identificeren. Dit houdt onder meer in dat hij de handeling verricht onder zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 2 en dat btw-identificatienummer meedeelt aan A.

B moet C aanduiden als schuldenaar van de btw over de tweede levering (B-C) aan de hand van de vermelding ‘btw verlegd’ op de factuur die hij aan laatstgenoemde moet uitreiken.

#### B. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de tweede levering (B-C)

##### a. Principe

De regels die bepalen aan welke levering het vervoer wordt toegerekend, worden besproken onder titel 2, rubriek B.

A verricht een levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1 (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31), voornoemd) en die er aan de btw is onderworpen.

B verricht een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, voor zover de voorwaarden voldaan zijn.

Omwille van de intracommunautaire levering die hij in Lidstaat 1 verricht, is B verplicht om zich er op voorhand voor btw-doeleinden te identificeren.

C verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (artikelen [25ter, § 1, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) en [25quinquies, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies), van het Btw-Wetboek). Deze is in principe gehouden om zich op voorhand in België voor btw-doeleinden te identificeren. Hij moet deze intracommunautaire verwerving opnemen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar wordt en via die aangifte de verschuldigde btw voldoen (zie artikelen [51, § 1, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

Tenslotte verricht C een levering zonder vervoer in België aan D (zie [artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)) die in principe in België aan de btw is onderworpen.

Aangezien C niet gevestigd is in België en D een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften (zoals bedoeld in [artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)), wordt de btw over de derde levering (C-D) verlegd naar D (zie [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)), zodat laatstgenoemde wordt aangeduid als schuldenaar van de btw.

Mocht D een niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn of een belastingplichtige zijn die niet gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen, dan is de verlegging van heffing van [artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) niet van toepassing.

In dit laatste geval dient C zich voor btw-doeleinden te identificeren in België en de verschuldigde België btw te voldoen via de periodieke btw-aangifte die betrekking heeft op het aangiftetijdperk waarbinnen de btw opeisbaar is geworden (zie artikelen [51, § 1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

##### b. Vereenvoudigingsregeling

Mocht B evenwel voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn in de lidstaat van vertrek van de goederen (Lidstaat 1), dan kan de vereenvoudigingsregeling (zie titel 3, rubriek C, hierboven) worden toegepast tussen de laatste drie operatoren (B-C-D) als alle voorwaarden voldaan zijn.

C moet zich aldus niet in België voor btw-doeleinden identificeren. Dit houdt onder meer in dat hij de handeling verricht onder zijn btw-identificatienummer van Lidstaat 3 en dat btw-identificatienummer meedeelt aan B.

C moet D aanduiden als schuldenaar van de btw over de derde levering (C-D) aan de hand van de vermelding ‘btw verlegd’ op de factuur die hij aan laatstgenoemde moet uitreiken.

Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het voor de toepassing van de vereenvoudigingsregeling volstaat dat D een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon is die in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. Het is dus op zich niet vereist dat hij in België:

•gevestigd is of in België over een aansprakelijk vertegenwoordiger beschikt

•gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.

#### C. Het vervoer of de verzending wordt toegerekend aan de derde levering (C-D)

##### a. Principe

De regels die bepalen aan welke levering het vervoer wordt toegerekend, worden besproken onder titel 2, rubriek B.

A verricht een levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1 (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31), voornoemd) en die er aan de btw is onderworpen.

B verricht vervolgens een levering zonder vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1 (zie [artikel 31 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31), voornoemd) en die er aan de btw is onderworpen.

C verricht tenslotte een intracommunautaire levering met vervoer die plaatsvindt in Lidstaat 1, namelijk daar waar het vervoer van de goederen aanvangt (zie [artikel 32, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32), voornoemd).

Deze levering kan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen genieten van [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, voor zover de voorwaarden voldaan zijn.

Omwille van de intracommunautaire levering die hij in Lidstaat 1 verricht, is C verplicht om zich er op voorhand voor btw-doeleinden te identificeren.

D verricht in de lidstaat van aankomst van de goederen (België) een intracommunautaire verwerving die in principe aan de btw is onderworpen (25*ter*, § 1, eerste lid en 25*quinquies*, § 2, van het Btw-Wetboek). Hij moet deze intracommunautaire verwerving opnemen in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar wordt en via die aangifte de verschuldigde btw voldoen (zie [artikel 51, § 1, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), en [53, § 1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Btw-Wetboek).

Mocht D een belastingplichtige zijn die geen periodieke btw-aangiften moet indienen of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die gehouden is om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen, dan zou D eveneens een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verrichten (zie artikelen [25ter, § 1, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) en [25quinquies, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies), van het Btw-Wetboek). D moet dan de btw over de intracommunautaire verwerving van goederen voldoen via een bijzondere btw-aangifte (zie [artikel 53ter van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter)).

Mocht D een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon zijn die tot de groep van vier behoort en niet gehouden is om zijn intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen of accijnsproducten aan de btw te onderwerpen, dan zou de intracommunautaire verwerving van de goederen niet belastbaar zijn (zie [artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter)). De intracommunautaire levering die C verricht, zou dan niet vrijgesteld zijn door [artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), voornoemd, en zou in principe belast worden met btw in Lidstaat 1. Wanneer het vervoer of de verzending van de goederen wordt verricht door of voor rekening van C, ook wanneer de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen (zie [artikel 5bis van de uitvoeringsverordening (EU) 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-5bis), voornoemd), , vindt de levering (ervan uitgaande dat er sprake is van een intracommunautaire afstandsverkoop zoals bedoeld in [artikel 1, § 19, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1)) evenwel plaats in België en wordt ze in België aan de btw onderworpen ([artikel 15, § 1, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15)). Er wordt opgemerkt dat de communautaire drempel van 10.000 euro zoals bedoeld in [artikel 15, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) niet van toepassing kan zijn aangezien de goederen worden verzonden vanuit een andere lidstaat dan die waar C is gevestigd.

##### b. Geen mogelijkheid tot toepassing van de vereenvoudigingsregeling

De vereenvoudigingsregeling inzake intracommunautair driehoeksverkeer (zie titel 3, hierboven) kan noch door B, noch door C worden toegepast aangezien het vervoer of de verzending van de goederen wordt toegerekend aan de laatste levering (C-D).

\[Top\]

## Aangehaalde teksten

31

[WBTW art. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) 34 voorkomens

[WBTW art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) 32 voorkomens

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 22 voorkomens

[WBTW art. 25quinquies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies) 18 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 138](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138) 18 voorkomens

[WBTW art. 25ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) 16 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 32](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-32) 13 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 31](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-31) 10 voorkomens

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 9 voorkomens

[WBTW art. 15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) 8 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 7 voorkomens

[WBTW art. 53ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter) 5 voorkomens

[WBTW art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) 4 voorkomens

[uitvoeringsverordening 282/2011 art. 5bis](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-5bis) 4 voorkomens

btw-richtlijn 2006/112 art. 11bis 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 141](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-141) 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 197](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-197) 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 226](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-226) 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 36bis](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-36bis) 2 voorkomens

[WBTW art. 13bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-13bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 53sexies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53sexies) 1 voorkomen

[WBTW art. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55) 1 voorkomen

[C-580/16, arrest van 19 april 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-580-16-arrest) 4 voorkomens

[C-18/13, arrest van 13 februari 2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-18-13-arrest) 2 voorkomens

[C-247/21, arrest van 8 december 2022](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-247-21-arrest) 2 voorkomens

[C-21/16, arrest van 9 februari 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-21-16-arrest) 1 voorkomen

[C-245/04, arrest van 6 april 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-245-04-arrest) 1 voorkomen

[C-277/14, arrest van 22 oktober 2015](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-277-14-arrest) 1 voorkomen

[C-285/11, arrest van 6 december 2012](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-285-11-arrest) 1 voorkomen

[C-401/18, conclusie van de advocaat-generaal van 3 oktober 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-401-18-conclusie) 1 voorkomen

[C-536/08 en C-539/08, arrest van 22 april 2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-536-08-arrest) 1 voorkomen
