---
title: "Btw-commentaar · Inleiding (01.08.2021)"
description: "Btw-commentaar van de Belgische belastingadministratie, stand 1 augustus 2021."
url: "https://juriel.be/nl/btw-commentaar/inleiding-0e30"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/commentaire-tva/introduction-4afa"
---

# Inleiding (01.08.2021)

**Datum**

1 augustus 2021

## Over het document

**Verzameling**

Btw-commentaar

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

1267 paragrafen

Btw-Commentaar - Inleiding (01.08.2021)

## Inleiding

Bijwerking **01.08.2021** – Vorige versies: \[01.07.2018\] \[01.09.2020\]

**Inhoud · 144 onderdelen**

Afdeling 1 – Principe, kenmerken en mechanisme van de btw

1\. Beknopte historiek

A. Afschaffing van cumulatieve belastingstelsels

B. Invoering van een gemeenschappelijk btw-stelsel

a. Eerste stap: de eerste en tweede richtlijn

b. Tweede stap: de zesde richtlijn

c. Derde stap: afschaffing van de fiscale grenzen binnen de Gemeenschap

d. Het huidige Gemeenschapsrecht

2\. Principe van het gemeenschappelijk stelsel van de btw

3\. Kenmerken van de btw

A. Opsomming van de essentiële kenmerken van de btw

B. De btw is een eenmalige verbruiksbelasting die door middel van gefractioneerde betalingen wordt voldaan

C. De btw is neutraal

D. De btw is doorzichtig

E. De btw is geen kostprijselement

F. De btw is geen belasting op de brutowinst

4\. Mechanisme van de btw

A. Principe van het mechanisme

B. Het zogenaamde ‘inhaaleffect’

C. Toepassing in de praktijk

D. Intracommunautaire en extracommunautaire handel van goederen

a. Intracommunautaire aankoop van hout

b. Invoer van hout

c. Intracommunautaire levering van de planken

d. Uitvoer van de planken

5\. Rol van de belastingplichtige

6\. Maatregelen met het oog op de voldoening van de belasting via gefractioneerde betalingen

A. Recht op aftrek

B. De factuur: spil van het aftrekmechanisme

C. De boekhouding aangepast aan de economische activiteit van de belastingplichtige

D. De periodieke btw-aangifte: debet-/ creditsaldo

a. Uitgaande handelingen

b. Inkomende handelingen

c. Saldo van de periodieke btw-aangifte

7\. De btw-rekening-courant

Afdeling 2 – Invoering van de belasting

1\. Wettelijk kader – Uittreksel uit de bepalingen van het Btw-Wetboek

2\. Btw: belasting op de omzet of verbruiksbelasting?

3\. De vier belastbare handelingen

A. Opsomming

B. De leveringen van goederen en de diensten ([artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2))

a. De levering van goederen

b. Diensten

c. De bezwarende titel

d. Plaatsbepaling van de handeling in België

e. De belastingplichtige

f. De als zodanig handelende belastingplichtige

g. De failliete belastingplichtige

C. De invoer van goederen ([artikel 3 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3))

D. De intracommunautaire verwervingen van goederen ([artikel 3bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3bis))

4\. De belastingplichtige

A. Doorslaggevende factoren

a. De uitoefening van een zelfstandige economische activiteit

b. Het bestaan van directe tegenprestaties die inkomsten genereren

B. Niet doorslaggevende factoren

5\. Het toepassingsgebied van de btw

A. Essentieel onderscheid

B. In het Btw-Wetboek bedoelde handelingen

C. In België belastbare handelingen

D. Vrijgestelde handelingen

6\. Het territoriaal toepassingsgebied

7\. Plaats van de handeling, vrijstelling en aftrek

A. Belang van de plaatsbepaling in België

B. Combinatie plaatsbepaling/ vrijstelling

C. Combinatie vrijstelling/ aftrek

8\. Vragen in verband met de voldoening van de btw

A. Relevante elementen

B. Datum van opeisbaarheid van de btw

a. Belastbaar feit en opeisbaarheid van de btw

b. Toepassing op de levering van goederen en op diensten

C. Belastbare basis en tarieven

D. De schuldenaar van de btw

a. De verrichter van de handeling

b. De verlegging van heffing

9\. Tegenstellingen en interacties tussen de basisbegrippen van de btw

A. Belastingplicht en voorwaarden voor de belasting

B. Belastingplichtige en belastbare handelingen

C. Belastingplichtige, belastbare handelingen en economische activiteit

D. Belastingplichtige zonder economische activiteit (toevallige)

E. Privaatrechtelijke en publiekrechtelijke lichamen

F. Belastingplichtige en identificatie

G. Belastingplichtige en schuldenaar

H. Leveringen van goederen en diensten

I. Leveringen van goederen en diensten onder bezwarende titel en om niet

a. Beperking van het toepassingsgebied

b. Belasting van de onttrekking van een goed

c. Belasting op het gebruik van een goed

J. Intracommunautaire verwervingen van goederen en leveringen van goederen

K. De intracommunautaire leveringen en intracommunautaire verwervingen van goederen

a. Mechanisme

b. Intracommunautaire leveringen van goederen in België

c. Intracommunautaire verwervingen van goederen in België

L. Uitvoer en invoer van goederen

a. Mechanisme

b. Export van goederen buiten de Gemeenschap

c. Invoer van goederen in België

M. Belastbare handelingen uit hun aard of door gelijkstelling

N. Belastbaar feit, opeisbaarheid van de belasting en opeisbaarheid van de betaling

a. Begrippen

b. Toepassing op de leveringen van goederen en op diensten

c. Belang van de datum van opeisbaarheid van de belasting

O. Belastbare handelingen en belaste handelingen

P. Vrijstelling en plaatsbepaling van de handeling

Q. Belastingplichtige en recht op aftrek

a. De aftrek, exclusief recht van de belastingplichtige

b. De volledige belastingplichtige

c. De ‘vrijgestelde’ belastingplichtige

d. De gemengde belastingplichtige

e. De gedeeltelijke belastingplichtige

f. De belastingplichtige onderworpen aan een bijzondere regeling

g. De toevallige belastingplichtige

R. Opeisbaarheid van de btw en recht op aftrek

S. Tijdstip van opeisbaarheid van de belasting en ontstaan van het recht op aftrek

T. Vrijstelling en recht op aftrek

a. Vrijstellingen met recht op aftrek

b. Vrijstellingen zonder recht op aftrek

c. Interacties tussen de vrijstellingen

d. Verplichte en optionele vrijstellingen

10\. Definities vermeld in [artikel 1, §§ 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) tot [20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20), van het Btw-Wetboek

A. Intracommunautair vervoer van goederen

B. Accijnsproducten

C. Reisbureaus

D. Beleggingsgoud

E. Gebouw en bijhorend terrein

F. Misbruik

a. Het begrip misbruik

b. Basisprincipe

c. Voorwaarden voor het bestaan van een misbruik

d. Bewijs van het bestaan van een misbruik

e. Gevolgen van de vaststelling van een misbruik

G. Leveringen en restaurant- en cateringdiensten verricht aan boord van schepen, vliegtuigen of treinen bij passagiersvervoer in de Gemeenschap

H. Belastbaar feit en opeisbaarheid van de belasting

a. Met betrekking tot leveringen van goederen

b. Met betrekking tot diensten

c. Met betrekking tot de invoer van goederen

d. Met betrekking tot intracommunautaire verwervingen van goederen

I. Factuur en elektronische factuur

J. Kans- en geldspelen en loterijen

K. Vouchers, voucher voor enkelvoudig gebruik of voucher voor meervoudig gebruik

L. Aangetekende zending, eBox en geavanceerd elektronisch zegel

M. Intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen

11\. Overzicht van de belangrijkste bepalingen met betrekking tot de vier belastbare handelingen: verwijzingen naar de artikelen van het Btw-Wetboek

12\. Taxatievoorwaarden met betrekking tot de leveringen van goederen en diensten

\[Top\]

## Afdeling 1 – Principe, kenmerken en mechanisme van de btw

### 1. Beknopte historiek

#### A. Afschaffing van cumulatieve belastingstelsels

Voor de invoering van de btw werden de met het zegel gelijkgestelde taksen afzonderlijk en cumulatief geheven bij ieder van de rechtshandelingen waaruit een productie- en distributieketen bestond.

Zij maakten deel uit van de kostprijs van de goederen en de diensten, zodat in de eindprijs daarvan het totaal van de opeengestapelde taksen - de belastingdruk - sterk schommelde naargelang de lengte van de doorlopen keten.

**Dergelijk cumulatief stelsel was niet neutraal** want het beïnvloedde op kunstmatige wijze de economische kringlopen. Om tot zo min mogelijk taksheffingen te komen werden immers de kringlopen ingekort door integratie en uitschakeling van tussenhandelaars, ten nadele van specialisatie en rationalisatie.

**Het cumulatief stelsel was ook** **niet doorzichtig** omdat niet precies kon worden berekend hoeveel de gecumuleerde belastingdruk, schommelend naar gelang van de lengte van de keten, in iedere schakel van die keten bedroeg. Voor het internationale handelsverkeer, dat uit een fiscaal oogpunt wordt beheerst door het beginsel dat de belasting toekomt aan het land van het verbruik, vloeiden daaruit de navolgende twee ernstige gevolgen voort:

• bij de invoer moesten de goederen niet enkel worden onderworpen aan de heffing van de overdrachttaks die voor de transactie zelf gold, maar bovendien aan een compenserende heffing gelijk aan de onderstelde belastingdruk op soortgelijke binnenlandse goederen in de onderscheiden fasen van hun productie

• bij de uitvoer konden de goederen slechts worden ontlast door middel van forfaitaire teruggaven die, berekend op grond van gemiddelden, ondersteld werden de belastingdruk te vertegenwoordigen die op die goederen rustte in de fase van hun uitvoer.

Zowel in het ene als in het andere geval waren de toegepaste gemiddelde tarieven ontoereikend of overdreven en konden ze tot protectionistische doeleinden dienen.

#### B. Invoering van een gemeenschappelijk btw-stelsel

##### a. Eerste stap: de eerste en tweede richtlijn

De voornaamste doelstelling van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het zogenaamde Verdrag van Rome, was de invoering, in het kader van een economische unie, van een **gemeenschappelijke markt waarin een gezonde mededinging bestaat en waarvan de kenmerken analoog zijn aan die van een binnenlandse markt**.

Om die doelstelling te verwezenlijken op het stuk van de indirecte belastingen, heeft de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen, inzonderheid op grond van de artikelen 99 en 100 van het Verdrag van Rome (thans artikelen 113 en 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), richtlijnen vastgesteld betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelastingen, waarvan de belangrijkste dateren van 11.04.1967 en die tot doel hebben de neutraliteit bij de mededinging te verwezenlijken door de invoering van een neutraal en doorzichtig omzetbelastingstelsel.

Het betreft de eerste richtlijn nr. 67/227/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (Publicatieblad nr. 71 van 14.04.1967, pagina’s 1.301-1.303) en de tweede richtlijn nr. 67/228/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Publicatieblad nr. 71 van 14.04.1967, pagina’s 1.303-1.312).

Die richtlijnen, die bindend zijn voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat:

• verbieden de toepassing van cumulatieve belastingstelsels en de daarmee gepaard gaande compenserende heffingen bij de invoer en forfaitaire teruggaven bij de uitvoer

• vervangen de cumulatieve stelsels door een gemeenschappelijk btw-stelsel

• bepalen de voornaamste toepassingsmodaliteiten van dat stelsel maar laten voorlopig aan de lidstaten een grote autonomie, onder meer bij de vaststelling van tarieven en vrijstellingen.

Het is ter uitvoering van die richtlijnen dat op 01.01.1971 de btw in België werd ingevoerd door de wet van 03.07.1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 17.07.1969, pagina 7.046 en volgende).

##### b. Tweede stap: de zesde richtlijn

Terwijl de derde, vierde en vijfde richtlijn er uitsluitend toe strekten de datum van inwerkingtreding van de twee eerste richtlijnen uit te stellen, maakt de Zesde richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17.05.1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (Publicatieblad nr. L 145 van 13.06.1977, pagina’s 1 – 40) het mogelijk een nieuwe belangrijke stap te zetten in de zin van de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake omzetbelasting en derhalve in de zin van de gemeenschappelijke markt.

Met de Zesde richtlijn nr. 77/388/EEG, voornoemd wordt evenwel ook nog een tweede doel nagestreefd: het vastleggen van een uniforme grondslag die het mogelijk maakt de eigen middelen van de Gemeenschappen te heffen voortkomende uit de belasting over de toegevoegde waarde. Een besluit van de Raad van 21.04.1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de lidstaten door eigen middelen van de Gemeenschappen, heeft immers bepaald dat die eigen middelen onder meer de ontvangsten uit de belasting over de toegevoegde waarde zullen omvatten, verkregen door de toepassing van een gemeenschappelijk percentage op een grondslag welke op uniforme wijze volgens communautaire voorschriften wordt vastgesteld.

Om die reden bevat de richtlijn nr. 77/388/EEG, voornoemd, dit in tegenstelling tot de twee eerste richtlijnen, een gedetailleerde reglementering op het stuk van de basisbegrippen en van de basismechanismen van de belasting over de toegevoegde waarde.

De richtlijn nr. 77/388/EEG, voornoemd werd een eerste keer in de Belgische wetgeving omgezet door de wet van 27.12.1977 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 30.12.1977, pagina’s 15.582 en volgende). Die wet is op 01.01.1978 in werking getreden.

##### c. Derde stap: afschaffing van de fiscale grenzen binnen de Gemeenschap

De totstandkoming van de interne markt zoals gedefinieerd in artikel 8A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, vereist dat de fiscale grenzen voor alle handelingen tussen de lidstaten worden afgeschaft met ingang van 01.01.1993. De belastingheffing bij invoer en de ontheffing van belasting bij uitvoer mogen bijgevolg alleen nog plaatsvinden bij handelingen met gebieden die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de gemeenschappelijke regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Het stelsel van de intracommunautaire handelingen, dat in werking is getreden op 01.01.1993, bepaalt dat de handelingen die worden verricht door belastingplichtigen in principe moeten worden belast in de lidstaat van bestemming op basis van de tarieven en voorwaarden van die lidstaat.

Die regeling werd ingevoerd door de richtlijn nr. 91/680/EEG van de Raad van 16.12.1991 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging, met het oog op de afschaffing van de fiscale grenzen, van richtlijn 77/388/EEG (Publicatieblad nr. L 376 van 31.12.1991, pagina’s 1 – 19).

De omzetting in de Belgische wetgeving gebeurde door de wet van 28.12.1992 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek van de registratie-, hypotheek- en griffierechten (Belgisch Staatsblad van 31.12.1992, eerste editie, pagina’s 27.577 en volgende).

##### d. Het huidige Gemeenschapsrecht

De richtlijn nr. 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde heeft de richtlijn nr. 77/388/EEG ingetrokken en de bepalingen ervan herschikt (Publicatieblad nr. L 347 van 11.12.2006, pagina’s 1 - 118).

Tot slot is het de doelstelling van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, om te zorgen voor een eenvormige toepassing van het bestaande btw-stelsel door maatregelen vast te stellen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG, met name betreffende de belastingplichtigen, de levering van goederen en diensten en de plaats van de belastbare handelingen. De eenvormigheid van de toepassing wordt het best gegarandeerd door een verordening, aangezien die bindend en rechtstreeks toepasselijk is in alle lidstaten.

## \[Top\]

### 2. Principe van het gemeenschappelijk stelsel van de btw

‘Het gemeenschappelijke BTW-stelsel berust op het beginsel dat op goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven die strikt evenredig is aan de prijs van de goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal handelingen dat tijdens het productie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvond.

Bij elke handeling is de BTW, berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt, verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de BTW waarmede de onderscheiden elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast’ ([artikel 1, § 2, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-1), voornoemd).

Wat zegt deze essentiële tekst?

• In het eerste lid wordt het principe van het stelsel uiteengezet, met als doel: **neutraliteit van de mededinging** te bereiken

• Het tweede lid verduidelijkt de toepassingsmodaliteiten: de te verrichten aftrek, niet op basis van de grondslag maar **op basis van de belasting**, op voorwaarde dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de voorbelasting (op de aankopen) en de btw op de output (op de verkopen).

\[Top\]

### 3. Kenmerken van de btw

#### A. Opsomming van de essentiële kenmerken van de btw

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), voorheen Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ-EG) (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest N.B.S., zaak [C-712/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-712-19-arrest), van 25.02.2021, punt 48 en geciteerde rechtspraak) zijn er vier essentiële kenmerken van de btw (teneinde deze te onderscheiden van andere belastingen die worden geheven van het verkeer van goederen en diensten):

• de belasting is **algemeen van toepassing** op transacties betreffende goederen of diensten

• het bedrag ervan is **evenredig aan de prijs** die de belastingplichtige voor zijn goederen of diensten ontvangt

• de heffing vindt plaats **in elke fase** van het productie‑ en distributieproces, met inbegrip van de kleinhandelsfase, ongeacht het aantal transacties dat eraan voorafging

• de belastingplichtige kan de in eerdere fasen van het productie‑ en distributieproces voldane **btw in mindering brengen** van de verschuldigde belasting, zodat de belasting telkens slechts over de in een bepaalde fase toegevoegde waarde wordt geheven en de last uiteindelijk op de consument drukt.

#### B. De btw is een eenmalige verbruiksbelasting die door middel van gefractioneerde betalingen wordt voldaan

In een economische kringloop waarvan alle schakels belast zijn, wordt de btw zodoende door iedere belastingplichtige teruggewonnen, totdat het goed of de dienst in het finale verbruik terechtkomt. De verbruiker, die niet kan aftrekken, draagt uiteindelijk een belasting berekend over de hele prijs van het goed of van de dienst die hij verbruikt volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt.

**De gefractioneerde betalingen die in iedere schakel door de belastingplichtige worden gedaan, zijn dus niets anders dan voorschotten die de Staat ontvangt** op een belasting die hem slechts voor het geheel zal toekomen als het goed of de dienst het finale verbruik bereikt.

In een btw-stelsel waarin alle schakels van de economische kringloop belast zijn en waarin het aftrekmechanisme zonder enige beperking speelt, moet het totaal van de gefractioneerde betalingen die in iedere schakel werden gedaan, globaal overeenstemmen met het totaal van de btw die bij het eindverbruik verschuldigd is over de definitieve prijs die voor het goed of de dienst wordt gevraagd.

De gefractioneerde heffing geeft elke belastingplichtige een duidelijke rol:

• als leverancier/belastinginner, moet hij de opbrengst van de belastinginning verantwoorden

• als koper/aftrekker, moet hij zijn recht op aftrek verantwoorden.

Het is interessant om op te merken dat er is gekozen voor het systeem van gefractioneerde betalingen in plaats van één enkele inning op het niveau van de detailhandel, omdat dit systeem de naleving ervan bevordert door het opvolgen van transacties gedurende de hele economische cyclus. Meer in het algemeen bevat het op zich al controlekenmerken (zelfcontrole).

#### C. De btw is neutraal

In een economische kringloop waarvan alle schakels belast zijn, treft de btw, dankzij het aftrekmechanisme, de finale prijs van een goed of van een dienst steeds met dezelfde druk, **ongeacht het aantal handelingen die de levering aan de eindverbruiker zijn voorafgegaan**.

De lengte van de economische kringloop heeft zodoende geen invloed op het btw-bedrag dat aan de Staat verschuldigd is. De productie- en distributieketen kan dus naar zuiver economische imperatieven worden opgebouwd, zonder dat de rendabiliteit ervan, zoals onder een cumulatief stelsel, door procedés geïnspireerd door overwegingen van fiscale aard zou worden vervalst. De algemene heffing draagt bij tot de neutraliteit van de btw en voorkomt zo dat men zich zorgen moet maken over de hoedanigheid van de klant of de bestemming van de goederen of diensten.

Het principe van de neutraliteit verzet er zich tegen dat twee leveringen of twee dienstverrichtingen die gelijk of soortgelijk zijn, en die dus met elkaar concurreren, voor de heffing van de btw verschillend worden behandeld (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest W.T., zaak [C-449/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-449-19-arrest), van 17.12.2020, punt 48 en geciteerde rechtspraak).

#### D. De btw is doorzichtig

In een btw-stelsel is het **bedrag van de voorbelasting geen onbekende meer** zoals dat onder een cumulatief stelsel wel het geval was.

De btw is een belasting waarvan het bedrag **evenredig** is aan de prijs van de goederen en de diensten. Iedereen kent dus precies het btw-bedrag dat op de aankoop van een goed of de uitvoering van een dienst rust.

De neutraliteit en de doorzichtigheid voor de internationale handel is verzekerd, voor zover de belastingheffing gebaseerd is op **het bestemmingsbeginsel**.

De leveringen van uitgevoerde goederen, gelokaliseerd op de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer, zijn vrijgesteld in de lidstaat van de plaats van vertrek met recuperatie van de voorbelasting, dankzij het behoud van het recht op aftrek. De belastingontheffing is dus volledig transparant (zie Afdeling 2, titel 9, rubriek L, van deze Inleiding).

Bovendien wordt de invoer van goederen belast in de lidstaat van aankomst in de Gemeenschap of van onttrekking aan bepaalde douaneregelingen ([artikel 23, §§ 3 en 4, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-23)), onder soortgelijke voorwaarden als die welke gelden voor binnenlandse handelingen. Zo wordt de neutraliteit gewaarborgd (zie Afdeling 2, titel 9, rubriek L, van deze Inleiding).

Het bestemmingsbeginsel blijft van toepassing op de intracommunautaire handel van goederen. De intracommunautaire levering van goederen is vrijgesteld in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer (met aftrek van de voorbelasting), terwijl de intracommunautaire verwerving van goederen aan de btw is onderworpen in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer (zie Afdeling 2, titel 9, rubriek K, van deze Inleiding).

#### E. De btw is geen kostprijselement

**In de mate dat ze aftrekbaar is**, maakt de btw die aan een belastingplichtige is gefactureerd geen deel uit van zijn kostprijs. Inderdaad, via de belasting die hij aan zijn klanten in rekening brengt recupereert de belastingplichtige de btw die hij betaalt aan zijn leveranciers of die hij rechtstreeks aan de Schatkist voldoet (bijvoorbeeld bij een invoer of een intracommunautaire verwerving van goederen).

#### F. De btw is geen belasting op de brutowinst

Ofschoon de btw per belaste handeling verschuldigd en berekend wordt, dient ze slechts globaal en na aftrek aan de Staat te worden betaald door middel van periodieke stortingen.

Dat **systeem van globale aftrek ‘belasting van belasting’** vermijdt elke boekhoudkundige vaststelling van de brutowinst van een onderneming of van de waarde die door de exploitatie wordt toegevoegd.

De btw is overigens geen belasting die, zelfs onrechtstreeks, de brutowinst van een onderneming treft. Iedere gefractioneerde betaling die een belastingplichtige, in de fase waar hij zich bevindt, doet is uiteindelijk immers slechts een deel van de eenmalige verbruiksbelasting die:

• de finale prijs van een goed of een dienst treft op het ogenblik en voor zover dat goed of die dienst de eindverbruiker bereikt

• en die dan volledig door de eindverbruiker wordt gedragen.

\[Top\]

### 4. Mechanisme van de btw

#### A. Principe van het mechanisme

De btw is betaalbaar bij iedere levering van goederen of bij iedere dienst onder bezwarende titel ([artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) ; zie Afdeling 2, titel 3, rubriek B, van deze Inleiding) en werkt dus volgens een **mechanisme van gefractioneerde betalingen**: de opeenvolgende leveranciers binnen de economische kringloop, met name de **belastingplichtigen** ([artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4); zie Afdeling 2, titel 4, van deze Inleiding) kunnen in principe de btw geheven van hun aankopen in aftrek brengen en moeten de btw op hun verkopen innen. Het resultaat hiervan is dat het bedrag dat door de Staat over de volledige keten wordt geïnd gelijk moet zijn aan de btw die door de eindverbruiker wordt betaald aan de laatste verkoper.

## Voorbeeld

Een houthandelaar/houtzagerij koopt hout op stam in België van een bosexploitant voor een bedrag van 600 euro, exclusief btw. Er worden planken vervaardigd die vervolgens aan een schrijnwerker worden verkocht voor 800 euro, exclusief btw. Laatstgenoemde vervaardigt een meubel en verkoopt dit aan een meubelhandelaar voor 1.500 euro, exclusief btw. De meubelhandelaar verkoopt het meubelstuk aan een eindverbruiker voor 2.000 euro, exclusief btw. Dit zijn uitsluitend nationale of binnenlandse handelingen (zie ook rubriek D, van deze titel).

De door de bosexploitant gedragen kosten worden hier buiten beschouwing gelaten.

Veronderstel, hypothetisch, dat het btw-tarief van 21% in elke schakel van toepassing zou zijn (zie ook rubriek B, van deze titel).

|  | Prijs exclusief btw | Verschuldigde btw | Aftrekbare btw | Btw te voldoen aan de staat |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Bosexploitant | 600 | 126 | - | 126 |
| Houthandelaar/ Houtzagerij | 800 | 168 | 126 | 42 |
| Schrijnwerker | 1.500 | 315 | 168 | 147 |
| Meubelhandelaar | 2.000 | 420 | 315 | 105 |
|  |  |  |  | 420 |

Dit voorbeeld in de houtsector toont aan dat het wel degelijk de eindverbruiker is die de totale last van de belasting draagt aangezien hij 21% btw betaalt, zijnde 420 euro, die hij vervolgens niet kan aftrekken. De Staat int die 420 euro evenwel niet in één keer op het einde van de economische kringloop maar wel via gedeeltelijke betalingen op vier verschillende tijdstippen die overeenstemmen met de vier stappen van de economische kringloop van het verkochte goed (126 euro, 42 euro, 147 euro en 105 euro).

Kortom, het totaalbedrag van de belastingen die, doorheen de verschillende schakels, aan de Staat moet worden betaald is exact gelijk aan het totaalbedrag van de belasting, berekend tegen het tarief van 21% over de prijs die door de eindverbruiker moet worden betaald.

#### B. Het zogenaamde ‘inhaaleffect’

Het btw-tarief dat geldt voor een goed of een dienst in de eerste fase of in een tussenfase van de productie- en distributieketen, oefent geen invloed uit op het uiteindelijke belastingrendement indien dat btw-tarief niet wordt gehandhaafd tot in de finale verbruiksfase. **Uiteindelijk telt enkel het btw-tarief dat in die laatste fase wordt toegepast op het goed dat of de dienst die naar de eindverbruiker gaat**.

Inderdaad, de toepassing van een verlaagd btw-tarief bij inkoop wordt in een systeem van aftrek ‘belasting van belasting’ automatisch teniet gedaan door de toepassing van een verhoogd btw-tarief op de verkoop. Indien de belastingplichtige voor zijn inkomende handelingen een lagere belasting heeft gedragen vermindert het bedrag van de uit dien hoofde uit te oefenen aftrek in dezelfde mate, en het saldo dat aan de Staat moet worden betaald voor de uitgaande handelingen wordt automatisch verhoogd met het bedrag van die vermindering. Die rechtzetting noemt men ‘inhaaleffect’.

Een rechtzetting van dezelfde aard vindt plaats maar dan in tegengestelde zin, wanneer het toegepaste btw-tarief bij aanvang groter is dan dat op het einde. In dat geval vergroot het bedrag van de aftrek en vermindert automatisch het aan de Staat te betalen saldo.

Het voorbeeld in de houtsector, in rubriek A, van deze titel, gaat uit van de hypothese dat het normale btw-tarief van 21% van toepassing is in elke fase van de economische kringloop.

Overeenkomstig [rubriek VII, nummer 12, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3), is het btw-tarief van 6% evenwel van toepassing op de levering van hout op stam, hout, onbewerkt, ook indien ontschorst of ruw behakt of ontdaan van het spint.

De toepassing van dat tarief op de levering van hout op stam door de bosexploitant aan de houthandelaar/houtzagerij heeft evenwel geen invloed op het uiteindelijke rendement van de belasting, zoals weergegeven in onderstaande tabel.

|  | Prijs exclusief btw | Verschuldigde btw | Aftrekbare btw | Btw te voldoen aan de staat |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Bosexploitant | 600 | 36 | - | 36 |
| Houthandelaar/ Houtzagerij | 800 | 168 | 36 | 132 |
| Schrijnwerker | 1.500 | 315 | 168 | 147 |
| Meubelhandelaar | 2.000 | 420 | 315 | 105 |
|  |  |  |  | 420 |

Weer wordt vastgesteld dat het totaalbedrag aan belastingen dat, over de verschillende fasen, aan de Staat moet worden betaald gelijk is aan de belasting berekend tegen het btw-tarief van 21% op de prijs die door de eindverbruiker moet worden betaald. Het bedrag dat door de Staat wordt geïnd wordt bovendien niet beïnvloed door de toepassing van een verlaagd btw-tarief in de beginfase.

Het enige verschil met het oorspronkelijke voorbeeld is dat:

• de bosexploitant een lager btw-bedrag aan de Staat stort ingevolge de toepassing van het btw-tarief van 6%

• de houthandelaar/houtzagerij een hoger btw-bedrag aan de Staat stort aangezien het aftrekbare btw-bedrag verminderd is en dit in verhouding tot het verschil tussen de toepassing van het btw-tarief van 6% en dat van 21% op de aankoopprijs van het hout op stam van de bosexploitant.

#### C. Toepassing in de praktijk

In werkelijkheid wordt de aftrek niet levering per levering verricht. De belastingplichtige moet de btw die hij betaalde op aan hem geleverde goederen niet in aftrek brengen op de dag waarop hij die goederen aan de eindverbruiker levert.

Hij oefent integendeel zijn recht op aftrek onmiddellijk uit via een globale rekening opgenomen in zijn periodieke btw-aangifte die betrekking heeft op het tijdvak van de aankoop. **Wat hij uiteindelijk aan de Staat stort** **is slechts een saldo** dat het verschil vertegenwoordigt tussen:

• het totaalbedrag van de belastingen die tijdens een bepaalde periode verschuldigd is geworden ter zake van de door hem verrichte belaste handelingen en

• het totaalbedrag van de belastingen die tijdens dezelfde periode werden geheven van de uitgaven die hij voor de uitoefening van zijn werkzaamheid als belastingplichtige heeft gedaan.

Er wordt opgemerkt dat er sprake is van een creditsaldo indien het aftrekbare btw-bedrag groter is dan het bedrag van verschuldigde belasting. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een bedrijf belangrijke investeringen heeft gedaan. Er bestaat immers geen afschrijvingsstelsel voor de btw. De aftrek gebeurt onmiddellijk.

Het specifieke geval van een meubelhandelaar is het voorwerp van het voorbeeld opgenomen in rubriek B, van deze titel.

Veronderstel dat de meubelhandelaar gehouden is tot het indienen van maandelijkse periodieke btw-aangiften en dat hij de btw volledig in aftrek kan brengen (hij verricht enkel handelingen die hem een volledig recht op aftrek verlenen).

Gedurende de maand X verricht hij, naast de aankoop van het meubel van de schrijnwerker voor 1.500 euro exclusief btw en de wederverkoop ervan aan een klant voor 2.000 euro, exclusief btw, diverse handelingen waarvoor het btw-tarief van 21% geldt:

• aankoop andere meubels voor 9.000 euro, exclusief btw

• verkoop van die andere meubels voor 11.500 euro

• ontvangst van reclamediensten voor de promotie van zijn activiteit voor 200 euro

• aankoop van een gsm voor beroepsdoeleinden voor 500 euro.

In de periodieke btw-aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand X, in te dienen uiterlijk de 20 e van de maand X+1, zal hij aan de Staat de btw verschuldigd op de verkoop van al die meubels moeten voldoen. Hij zal hiervan de btw kunnen aftrekken die hij betaald heeft voor de aankoop van die meubels maar ook de btw geheven van de reclamekosten en van de aankoop van de gsm voor beroepsdoeleinden.

| Inkomende handelingen | Prijs exclusief btw | Aftrekbare btw |
| --- | --- | --- |
| Aankoop meubels | 10.500 | 2.205 |
| Reclamekosten | 200 | 42 |
| Gsm | 500 | 105 |
| Totaal | 11.200 | 2.352 |

| Uitgaande handelingen | Prijs exclusief btw | Verschuldigde btw |
| --- | --- | --- |
| Verkoop meubels | 13.500 | 2.835 |

Ten laatste de 20 e van de maand X+1 zal de meubelhandelaar slechts 483 euro aan de Staat storten (2.835 euro - 2.352 euro).

#### D. Intracommunautaire en extracommunautaire handel van goederen

In de voorbeelden opgenomen in de rubrieken A en B, van deze titel, vindt de economische kringloop enkel plaats in België.

De economische kringloop kan ook:

• beginnen in een andere lidstaat van de Gemeenschap (vervoer naar België, afkomstig uit een andere lidstaat) (Zie subrubriek a, van deze rubriek)

• beginnen in een derde land of gebied (aankomst van een goed in de Gemeenschap en invoer in België) (zie subrubriek b, van deze rubriek)

• eindigen in een andere lidstaat van de Gemeenschap (vervoer van België naar een andere lidstaat) (zie subrubriek c, van deze rubriek)

• eindigen in een derde land of gebied (goederen verlaten de Gemeenschap en uitvoer vanuit België) (zie subrubriek d, van deze rubriek).

##### a. Intracommunautaire aankoop van hout

In plaats van het hout in België aan te kopen, wordt verondersteld dat de handelaar het hout op stam in Frankrijk aankoopt en de stammen van Frankrijk naar België laat vervoeren.

Het vervolg van de economische kringloop wijzigt niet in vergelijking met het oorspronkelijke voorbeeld. Dezelfde totale fiscale ontvangst (420 euro) moet dus verkregen worden door de Belgische Staat, het land van eindverbruik.

In dit geval wordt de btw geïnd in vier belastbare handelingen, maar slechts met drie belastingschuldenaars.

De eerste belastbare handeling in België is de intracommunautaire verwerving van hout door deze handelaar, gevolgd door drie leveringen van goederen in België, zoals voorgesteld in onderstaande tabel.

|  | Prijs exclusief btw | Verschuldigde btw | Aftrekbare btw | Btw te voldoen aan de staat |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Bosexploitant (Frankrijk) | 600 | - | - | - |
| Houthandelaar/ Houtzagerij | Aankoop 600 | 36 (1) | 36 | - |
|  | Verkoop 800 | 168 (2) | - | 168 |
| Schrijnwerker | 1.500 | 315 | 168 | 147 |
| Meubelhandelaar | 2.000 | 420 | 315 | 105 |
|  |  |  |  | 420 |

*(1) verschuldigde btw op de intracommunautaire verwerving van goederen, hierna genoemd ICV*

*(2) verschuldigde btw op de levering van de planken aan de schrijnwerker*

In tegenstelling tot het voorbeeld in rubriek B, van deze titel, waarin de houthandelaar 132 euro betaalt, moet hij aan de Staat het volledige btw-bedrag betalen dat hij op de binnenlandse verkoop van de planken aan de schrijnwerker heeft geïnd, dit is 168 euro, aangezien hij geen btw van dit bedrag kan aftrekken.

De factuur met betrekking tot de verkoop van hout op stam vermeldt geen btw.

De houthandelaar is twee keer schuldenaar van de belasting, als:

• koper van het hout: hij voldoet de btw op de ICV van het hout en trekt deze tegelijkertijd af (6% van 600 euro, dit is 36 euro). In termen van btw is de ICV neutraal

• leverancier van de planken: hij betaalt de Staat 168 euro (21% van 800 euro, de prijs van de planken)

##### b. Invoer van hout

In dit voorbeeld betreffende de invoer, vergelijkbaar met dat van de ICV (zie subrubriek a, van deze rubriek), moet de Belgische Staat, het land van eindverbruik, dezelfde totale fiscale ontvangst verkrijgen, eveneens in vier belastbare handelingen met drie belastingschuldenaars.

De factuur betreffende de verkoop van hout op stam vermeldt geen btw.

De houthandelaar is ook twee keer schuldenaar van de belasting, maar als:

• bestemmeling van het hout bij de invoer: hij voldoet de btw op deze invoer en kan deze aftrekken indien hij bewijst dat hij de btw bij invoer heeft betaald:

o aan de douane, door middel van een aangifte ten verbruik

o door verlegging van de heffing naar de periodieke btw-aangifte, mits hij beschikt over een vergunning vanwege de administratie. De aftrek wordt dan gelijktijdig uitgeoefend, volgens hetzelfde mechanisme als dat van de ICV (zie subrubriek a, van deze rubriek)

• leverancier van de planken: de btw is verschuldigd op de levering van de planken aan de schrijnwerker

##### c. Intracommunautaire levering van de planken

Aangezien de houthandelaar de planken verkoopt aan een in Frankrijk gevestigde schrijnwerker, verlaten de planken België voorgoed. Door de toepassing van het bestemmingsbeginsel mogen de belastingontvangsten niet ten goede komen aan de Belgische staat, aangezien het eindverbruik niet in het binnenland plaatsvindt.

De btw die de bosexploitant in de eerste fase aan de Staat heeft betaald (36 EUR), wordt in de tweede fase door de houthandelaar in aftrek gebracht.

De houthandelaar, die de btw-vrijstelling voor de intracommunautaire levering van de planken kan genieten, vermeldt geen btw op de factuur die aan de Franse belastingplichtige wordt uitgereikt.

|  | Prijs exclusief btw | Verschuldigde btw | Aftrekbare btw | Btw te voldoen aan de staat |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Bosexploitant | 600 | 36 | - | 36 |
| Houthandelaar/ houtzagerij | 800 | 0 | 36 | -36 |
|  |  |  |  | 0 |

##### d. Uitvoer van de planken

Door toepassing van het bestemmingsbeginsel is het resultaat identiek aan dat verkregen in het geval vermeld onder subrubriek c, van deze rubriek, uiteraard met andere toepassingsvoorwaarden en formaliteiten.

De uitvoerende handelaar geniet een btw-vrijstelling voor de levering van de planken aan een derde land of gebied met behoud van de aftrek, voor een bedrag van 36 euro.

\[Top\]

### 5. Rol van de belastingplichtige

Om het mechanisme van de btw toe te passen, hebben de lidstaten van de Gemeenschap **tussenpersonen** nodig die belast zijn met het innen van de btw voor hun rekening. Deze belastinginners worden ‘**belastingplichtigen’** genoemd.

In het btw-stelsel speelt de belastingplichtige een essentiële rol, niet alleen bij de bepaling van de belastbare handeling op zich, en aldus als eventuele ontvanger van de belasting, maar ook bij de goede werking van het btw-mechanisme dat berust op het recht op aftrek.

Zoals aangetoond middels bovengenoemd voorbeeld in de houtsector, opgenomen in titel 4, rubriek B, van deze Afdeling, krijgt de belastingplichtige die recht op aftrek heeft een **essentiële** **rol als belastinginner** toebedeeld. **In geen geval draagt hij de btw**. In elke schakel van de economische kringloop int de belastingplichtige van zijn klanten de btw die hij vervolgens aan de Schatkist moet doorstorten, na aftrek van de over zijn aankopen verschuldigde of betaalde btw. Het is uiteindelijk de eindverbruiker die de btw-kost draagt aangezien hij de enige is die geen recht op aftrek heeft van de door hem betaalde btw.

De belastingplichtige is, in het algemeen, tegenover de Schatkist gehouden tot voldoening van de btw verschuldigd ter zake van de belaste leveringen van goederen en diensten die hij hier te lande verricht. Hij berekent die btw, handeling per handeling, over een door de wet bepaalde maatstaf van heffing (in beginsel de prijs van de handeling) en volgens het btw-tarief dat op het geleverde goed of de verstrekte dienst van toepassing is. Hij brengt de aldus berekende btw afzonderlijk van de prijs aan zijn klant in rekening door middel van een factuur die hij verplicht is uit te reiken in een Business to Business-situatie en zelfs, in bepaalde gevallen, in een Business to Consumer-situatie (zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdelingen 4 en 10’).

In bepaalde situaties kan gedeeltelijk of volledig worden afgeweken van deze procedure:

• volledig: self-billing en verlegging van heffing

De koper/afnemer reikt een factuur uit (zonder btw) en voldoet zelf de verschuldigde btw aan de Staat

• gedeeltelijk:

o self-billing:

De koper/afnemer reikt een factuur uit (met btw) maar de leverancier/dienstverrichter moet de verschuldigde btw voldoen aan de Staat

o verlegging van heffing:

De koper/afnemer ontvangt de factuur (zonder btw) van de leverancier/dienstverrichter maar moet zelf de verschuldigde btw voldoen aan de Staat.

Wat evenwel de btw fundamenteel doet verschillen van een cumulatief stelsel is het mechanisme van de aftrek en de wijze van betaling van de belasting aan de Staat (zie titel 6, van deze Afdeling).

\[Top\]

### 6. Maatregelen met het oog op de voldoening van de belasting via gefractioneerde betalingen

#### A. Recht op aftrek

De verschuldigde btw van de hier te lande door de belastingplichtige verrichte belaste goederenleveringen en diensten, waarvan hij in principe tegenover de Schatkist schuldenaar is, wordt niet integraal aan de Staat betaald.

Ingevolge [artikel 45, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), kan door het mechanisme van de globale aftrek de belastingplichtige immers eerst de belasting terugwinnen die hem door zijn leveranciers werd aangerekend of die hij zelf rechtstreeks aan de Schatkist heeft voldaan (bijvoorbeeld bij een invoer of intracommunautaire verwerving van goederen).

**Aftrek wordt toegepast voor alle belastbare bestanddelen die de vorming van de prijs van de goederen en diensten hebben beïnvloed** (grondstoffen, afgewerkte producten en halffabricaten, hulpstoffen, energie, investeringen, algemene onkosten …) **maar is beperkt tot de uitgaven die betrekking hebben op de uitoefening van de economische activiteit die recht op aftrek verleent.**

**Het recht op aftrek behoort uitsluitend toe aan de belastingplichtige** die handelingen verricht waarvoor recht op aftrek bestaat. De belastingplichtige wordt als ‘volledige belastingplichtige’ aangemerkt wanneer hij enkel dergelijke handelingen verricht. De niet-belastingplichtige (bijvoorbeeld een passieve holdingmaatschappij) kan de btw niet recupereren. Daarnaast hebben ook bepaalde belastingplichtigen geen recht op aftrek, met name de kleine ondernemingen die de belastingvrijstelling van [artikel 56bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56bis) genieten. Ten slotte hebben sommige belastingplichtigen slechts een gedeeltelijk recht op aftrek. Dit zijn de gemengde en de gedeeltelijke belastingplichtigen (zie Afdeling 2, titel 9, rubriek Q, subrubrieken d en e, van deze Inleiding).

#### B. De factuur: spil van het aftrekmechanisme

De titels 2 en 3, rubriek B alsook titel 4, rubriek A, van deze afdeling hebben aangetoond dat de btw een eenmalige verbruiksbelasting is die, door toepassing van het aftrekmechanisme, aan de Staat wordt voldaan via gefractioneerde betalingen door elke belastingplichtige die tussenkomt in de economische kringloop.

Voor een correcte inning van de btw is het van essentieel belang om de omzet van de belastingplichtige in elk van de tussenliggende fasen te kennen.

Steeds zal deze omzet in een B2B-situatie en soms zelfs in een B2C-situatie voortvloeien uit de facturen die door de leveranciers en de dienstverrichters aan hun medecontractanten moeten worden uitgereikt.

Dankzij de uitgaande facturen (uitgereikt aan de klant), rechtvaardigt de belastingplichtige de btw waarvan hij de schuldenaar is ingevolge door hem verrichte leveringen of diensten.

Wat de inkomende facturen betreft, deze helpen het bedrag van de btw te bewijzen die de belastingplichtige kan recupereren (voorbelasting) door deze van de door hem verschuldigde btw af te trekken. De factuur staat centraal in het aftrekmechanisme.

Onder bepaalde voorwaarden kunnen belastingplichtigen de facturatie uitbesteden aan een derde of aan de klant (self-billing).

De factuur moet overeenstemmen met een werkelijk uitgevoerde levering van een goed of verrichting van een dienst (overweging 10, van de richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13.07.2010 tot wijziging van de richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van de toegevoegde waarde wat de factureringsregels betreft). Het is overigens inherent aan het mechanisme van de btw dat een fictieve transactie geen recht op aftrek van die belasting kan doen ontstaan ([Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.19.0009.N van 29.01.2021](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-materiele-voorwaarde-btw-cassatie-brussel-2021-01-29-0dbd)).

Ongeacht of de factuur op papier of elektronisch is, moet het volgende worden verzekerd:

• de **authenticiteit** van de herkomst

• de **integriteit** van de inhoud

• de **leesbaarheid** (zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 4, titel 1’).

#### C. De boekhouding aangepast aan de economische activiteit van de belastingplichtige

De factuur is het belangrijkste bewijsmiddel dat in de boekhouding wordt opgenomen:

• het boek voor inkomende facturen

• het boek voor uitgaande facturen

De belastingplichtige moet een dagboek van ontvangsten bijhouden indien hij gebruik maakt van de door de btw-reglementering verleende mogelijkheid geen facturen uit te reiken.

**De belastingplichtigen moeten een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de btw te kunnen toepassen en controleren**. (zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 7’)

De inschrijvingen in de boekhouding zullen dienen voor het vervullen van de aangifte-verplichtingen van de belastingplichtige, hoofdzakelijk:

• de periodieke btw-aangifte ([artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) ; zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 6, titel 2’)

• de jaarlijkse opgave van de handelingen met afnemers-belastingplichtigen ([artikel 53quinquies van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53quinquies) ; zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 8’)

• de opgave van de intracommunautaire handelingen ([artikel 53sexies van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53sexies) ; zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 9’)

Enkel de periodieke btw-aangifte wordt hieronder besproken.

#### D. De periodieke btw-aangifte: debet-/ creditsaldo

In beginsel is de belastingplichtige gehouden tot de indiening van een periodieke btw-aangifte die betrekking heeft op een **tijdvak van een maand**. Onder welbepaalde voorwaarden echter kan een belastingplichtige worden gemachtigd om slechts **om de drie maanden** een aangifte in te dienen ([artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde).

Deze aangifte moet, voor het tijdvak waarop zij betrekking heeft (maand of kwartaal), in hoofdzaak volgende gegevens bevatten:

• het bedrag van de uitgaande handelingen (verkopen, diensten…) (Kader II)

• het bedrag van de inkomende handelingen (aankopen…) (Kader III)

• het totaal bedrag van de verschuldigde belasting tijdens de periode van de aangifte (Kader IV)

• het totaal bedrag van de aftrekbare belasting tijdens dezelfde periode (Kader V)

• het debet-/ creditsaldo (Kader VI)

##### a. Uitgaande handelingen

Het bedrag van de leveringen van goederen en diensten (zie Afdeling 2, Titel 3, rubriek B, van deze Inleiding) die de aangever heeft verricht tijdens het tijdvak van de aangifte is afkomstig van:

• het boek voor uitgaande facturen (zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 7, titel 4’)

• het dagboek van ontvangsten voor de handelingen waarvoor geen factuur moet worden uitgereikt en niet is uitgereikt. Als de belastingplichtige over meerdere bedrijfszetels beschikt, moet hij voor elke bedrijfszetel een dagboek van ontvangsten houden en een centralisatieboek ([circulaire 2020/C/20 van 27.01.2020 met betrekking tot het digitaal gehouden dagboek van ontvangsten en centralisatieboek (nr. E.T. 112.577](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2020-c-20-betrekking-digitaal-gehouden-dagboek-ontvangsten-868a)) - zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 7, titels 5 en 6’).

De aan te geven handelingen beperken zich niet tot leveringen en diensten waarop btw verschuldigd is, hetzij door de aangever, hetzij door de medecontractant (verlegging van heffing). Vrijgestelde handelingen of buitenlandse handelingen moeten ook opgenomen worden voor zover ze recht op aftrek van voorbelasting geven. Er wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde handelingen die in rooster 00 moeten worden aangegeven, en die niet onder subrubriek a, van deze rubriek zullen worden behandeld.

Voor dit specifieke rooster van de periodieke aangifte, maar ook voor alle die opgenomen zijn in onderstaande tabel, wordt verwezen naar de toelichting voor het invullen van de periodieke btw-aangifte, van 01.01.2014, beschikbaar op ‘Fisconetplus’, onder ‘Berichten’.

De onderstaande tabel verwijst ook naar de wettelijke en reglementaire bepalingen die de schuldenaar van de btw aanduiden.

|  |  |  | Bedoelde handelingen | Maatstaf van heffing | Btw |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Btw verschuldigd | Door de aangever | Belgische btw | Levering van goederen Diensten | 01 (6 %) 02 (12 %) 03 (21 %) | 54 (3) |
|  | Door zijn medecontractant | Btw verschuldigd in een andere lidstaat van de Gemeenschap (4) | Intracommunautaire diensten | 44 |  |
|  |  | Belgische btw (5) | Hoofdzakelijk werken in onroerende staat (6) | 45 |  |
| Btw niet verschuldigd (7) |  |  | Vrijgestelde intracommunautaire levering (VIL) (8) | 46 |  |
|  |  |  | Andere vrijgestelde handelingen dan VIL (9) Handelingen in het buitenland behalve intracommunautaire diensten (rooster 44) | 47 |  |

*(3)* [*artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)

*(4)* [*artikel 196 van de Richtlijn 2006/112/EG*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-196)*, voornoemd*

*(5)* [*artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)

*(6)* [*artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) *;* [*artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d)*, voornoemd*

*(7) Handeling opent recht op aftrek ingevolge* [*artikel 45, § 1, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)

*(8)* [*artikel 39bis van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis)

*(9) artikels 39 tot 42 (behalve 39bis) en 44 van het Btw-Wetboek met toepassing van* [*artikel 45, § 1, 4° en 5°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) *en* [*44bis*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis)*, van het Btw-Wetboek*

##### b. Inkomende handelingen

Het totale bedrag van de verkregen goederen en ontvangen diensten tijdens de aangifteperiode moet door de aangever worden aangegeven.

Een onderverdeling is nodig:

• de handelsgoederen, grond- en hulpstoffen (rooster 81)

• diensten en diverse goederen (algemene kosten) (rooster 82)

• bedrijfsmiddelen (rooster 83)

Alle aftrekbare btw wordt samengenomen in rooster 59.

De aankopen bij leveranciers zijn opgenomen in het boek voor de inkomende facturen (zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 7, titel 3’).

Worden bedoeld:

• de nationale leveringen van goederen met btw verschuldigd door:

o de leverancier (in de regel)

o de aangever/verwerver (uitzondering)

• diensten in België met btw verschuldigd door:

o de dienstverrichter (in de regel)

o de aangever/afnemer (uitzondering)

• de invoer van goederen

• de intracommunautaire verwervingen van goederen

Aangezien de aangever voor bepaalde in de hierboven genoemde roosters opgenomen aankopen schuldenaar is van de btw, worden deze een tweede keer in de periodieke aangifte opgenomen in de roosters voor de maatstaf van heffing van de belastbare handeling en voor het bedrag van de verschuldigde btw.

De betreffende roosters worden in de tabel hieronder vermeld met een verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepaling die de schuldenaar van de btw aanduidt.

| Bedoelde handelingen | Maatstaf van heffing | Verschuldigde btw | Aftrekbare btw |
| --- | --- | --- | --- |
| Intracommunautaire verwervingen van goederen (10) | 86 | 55 | 59 |
| Invoer van goederen met vergunning tot voldoening van de verschuldigde btw in de periodieke aangifte (11) | 87 | 57 | 59 |
| Handelingen (behalve die hieronder) met verlegging van heffing naar de verwerver/afnemer (12) (voorbeeld, werken in onroerende staat) (13) | 87 | 56 | 59 |
| Intracommunautaire diensten (14) | 88 | 55 | 59 |

*(10)* [*artikel 51, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)

*(11) artikel 5, § 3, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29.12.1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde*

*(12)* [*artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)

*(13)* [*artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) *;* [*artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d)*, voornoemd*

*(14)* [*artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)

##### c. Saldo van de periodieke btw-aangifte

Het saldo van de periodieke aangifte is:

• ofwel een aan de Staat verschuldigde belasting (rooster 71)

• ofwel een door de Staat verschuldigde belasting (rooster 72).

Het saldo van de periodieke aangifte wordt ingeschreven in de btw-rekening-courant (zie titel 7, van deze afdeling).

**•** **Debetsaldo**

Indien het verschil tussen de verschuldigde en aftrekbare belasting positief is (in het voordeel van de Staat) wordt de belastingplichtige **schuldenaar** tegenover de Staat tot beloop van dat verschil. Hij voldoet die schuld uiterlijk op het tijdstip bepaald voor de indiening van de aangifte (zie voorbeeld van de meubelhandelaar onder titel 4, rubriek C, van deze afdeling).

**•** **Creditsaldo**

Indien het bedrag van de verschuldigde belasting kleiner is dan het bedrag van de aftrekbare belasting beschikt de belastingplichtige over een schuldvordering tegen de Staat. Dat door de Staat verschuldigde bedrag kan **worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode of worden teruggegeven**, volgens het onderscheid dat wordt gemaakt in [artikel 76 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) en [artikel 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art81) van het [koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) (zie [circulaire 2021/C/41](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-41-betrekking-verlaging-minimumbedragen-opgenomen-in-d74e) van 04.05.2021 met betrekking tot de verlaging van de minimumbedragen opgenomen in [artikel 81, van het koninklijk besluit nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art81) van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde (nr. E.T. 138.269)).

\[Top\]

### 7. De btw-rekening-courant

Het **periodieke karakter** van het stelsel van de btw-heffing heeft tot gevolg dat er regelmatig een **verrekening** moet gebeuren tussen de bedragen die door en aan de belastingplichtige verschuldigd zijn.

Om deze verrekeningen te kunnen uitvoeren, wordt een rekening-courant bijgehouden voor elke belastingplichtige die periodieke aangiften moet indienen ([artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 24](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-artikel-780c) van 29.12.1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde).

Naast het saldo van de periodieke aangifte wordt ook het bedrag van de door de belastingplichtigen uitgevoerde betalingen, de verschuldigde interesten, de fiscale boetes… opgenomen.

Samengevat komen de bovengenoemde verrekeningen op twee niveaus voor:

• ten eerste in de periodieke btw-aangifte

• vervolgens in de rekening-courant.

\[Top\]

## Afdeling 2 – Invoering van de belasting

### 1. Wettelijk kader – Uittreksel uit de bepalingen van het Btw-Wetboek

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3bis

### 2. Btw: belasting op de omzet of verbruiksbelasting?

[Artikel 1, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt dat : *‘Onder de naam belasting over de toegevoegde waarde wordt een omzetbelasting ingevoerd, die geheven wordt onder de voorwaarden en met inachtneming van de regelen bepaald in dit Wetboek’.*

Zoals dat artikel vaststelt is de btw een omzetbelasting terwijl artikel 1, lid 2, eerste alinea, van de voornoemde richtlijn 2006/112/EG de btw als een verbruiksbelasting definieert.

**Deze twee benamingen zijn allebei even correct.** Alles hangt af van het standpunt waarop men zich plaatst.

De richtlijn 2006/112/EG verwijst naar het doel: economisch, het eindverbruik bereiken.

Het Btw-Wetboek legt het accent op de gebruikte techniek om het gestelde doel te bereiken, namelijk het belasten van de omzet.

In de eerste plaats is het inderdaad de wil van de wetgever een verbruiksbelasting in te stellen bij de eindverbruiker, met name degene die een goed of dienst verwerft voor persoonlijk gebruik, niet zijnde een economische activiteit, en uit dien hoofde de belasting draagt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Commissie t. Ierland, zaak [C-415/85](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-415-85-arrest), van 21.06.1988, punt 18 en Arrest Commissie t. Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, zaak [C-416/85](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-416-85-arrest), van 21.06.1988, punt 17).

\[Top\]

### 3. De vier belastbare handelingen

#### A. Opsomming

De handelingen onderworpen aan de omzetbelasting btw omvatten ‘uitgaande handelingen’ verricht onder bezwarende titel:

• de leveringen van goederen ([artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2))

• de dienstverrichtingen ([artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2)).

De volgende ‘inkomende handelingen’ zijn eveneens aan de btw onderworpen om het belasten van de goederen in het land van verbruik mogelijk te maken:

• de invoer van goederen **afkomstig** van elk land of elk grondgebied dat geen deel uitmaakt van de Gemeenschap, dit wil zeggen een derde land of derdelandsgebied ([artikel 3 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3))

• de intracommunautaire verwervingen van goederen onder bezwarende titel **afkomstig** van een andere lidstaat dan die van de aankomst van het vervoer ([artikel 3bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3bis)).

#### B. De leveringen van goederen en de diensten ([artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2))

[Artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) bepaalt dat: ‘*De leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, zijn aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden*’.

Het nagaan of er sprake is van een contract onder bezwarende titel is de eerste stap in de redenering die leidt tot de opeisbaarheid van de belasting over een goederenlevering of dienstprestatie. Het voorwerp van het contract wordt hieronder verduidelijkt (zie subrubrieken a en b, van deze rubriek – zie ook titel 9, rubriek I, van deze Afdeling). Voor de gelijkgestelde handelingen wordt verwezen naar titel 9, rubriek M, van deze Afdeling.

##### a. De levering van goederen

Om het eindverbruik te kunnen belasten via de handel, dienst het begrip ‘levering’ zeer ruim te zijn. Hiertoe definieert [artikel 10, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-10): ‘*Als een levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of de overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijk goed te beschikken*’.

Deze definitie heeft een **communautair karakter** (letterlijke omzetting van het [artikel 14, § 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-14), voornoemd) met als doel om dubbele belasting of niet-belasting te vermijden.

De levering wordt bepaald als een handeling die de overdracht tot gevolg heeft van alle voorrechten van een eigenaar (recht om het goed te gebruiken, ervan te genieten en erover te beschikken).

Door die overdracht maakt de ene partij het voor de andere mogelijk om zich effectief ten aanzien van het lichamelijk goed als een eigenaar te gedragen.

Die laatste persoon kan dus concreet:

• hetzij het lichamelijk goed bestemmen voor eigen verbruik of gebruik

• hetzij het lichamelijk goed overdragen voor eigen rekening, dit wil zeggen het laten overgaan naar een ander stadium van de economische kringloop.

Er dient te worden benadrukt dat het begrip ‘levering’ van goederen **objectief van aard** is. Het is van toepassing ongeacht het oogmerk en het resultaat van de betrokken handelingen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest U.s.z., zaak [C-653/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-653-18-arrest), van 17.10.2019, punt 22).

Terwijl het eerste lid van [artikel 10, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-10), voornoemd een algemene definitie geeft die niet verwijst naar de eigendomsoverdracht in het nationale recht, bepaalt het tweede lid van dit artikel, subsidiair, dat: ‘*Hier wordt onder meer bedoeld de terbeschikkingstelling van een goed aan de verkrijger of de overnemer ingevolge een contract tot overdracht of aanwijzing*’.

Het begrip ‘goed’ dekt alle roerende en onroerende lichamelijke goederen ([artikel 9, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9)); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 3’).

##### b. Diensten

Om principieel alle verbruik te omvatten wordt elke uitgaande handeling die geen levering van een lichamelijk goed is aangemerkt als een dienst.

In [artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) die de letterlijke omzetting is van [artikel 24, § 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-24), voornoemd wordt daarom een **negatieve definitie** gegeven. Die bepaalt juist: ‘*Als een dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek’.*

De handelingen die niet als ‘leveringen van goederen’ worden aangemerkt hebben tot voorwerp, met name:

• ten aanzien van een **lichamelijk goed**:

o een intellectueel of materieel werk

o het genot van het goed naar aanleiding van:

\* een persoonlijk roerend of onroerend recht, bijvoorbeeld bij een huurcontract

\* een ander roerend zakelijk recht dan het eigendomsrecht, bijvoorbeeld een roerend vruchtgebruik terwijl het vruchtgebruik van een onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een levering van een goed (er wordt opgemerkt dat de onroerende zakelijke gebruiksrechten in de zin van [artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9), als lichamelijke goederen worden aangemerkt, bijvoorbeeld: het vruchtgebruik van een onroerend goed of, behoudens uitzondering, het recht van erfpacht).

• ten aanzien van een **onlichamelijk goed**: de overdracht van de eigendom of van het genot op een goed (bijvoorbeeld de overdracht van of het verlenen van licenties op een octrooi); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 3, titel 7’).

Normaal gesproken moet elke prestatie als een onderscheiden en zelfstandige prestatie worden beschouwd ([artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-1)). Bij wijze van uitzondering op deze algemene regel geldt echter ten eerste dat een handeling die economisch gezien één prestatie vormt, niet kunstmatig uit elkaar mag worden gehaald omdat anders de functionaliteit van het btw-stelsel zou worden aangetast. Daarom is er sprake van één enkele prestatie wanneer meerdere elementen of handelingen die de belastingplichtige verricht voor de klant, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn.

Ten tweede vormt een economische handeling één enkele prestatie wanneer een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer nevenprestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest F.-U.L., zaak [C-581/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-581-19-arrest), van 04.03.2021, punten 38 en 40 – zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 2, titel 6’).

##### c. De bezwarende titel

Een dienst wordt niet verricht onder bezwarende titel en is bijgevolg niet belastbaar tenzij er tussen de dienstverrichter en de begunstigde een rechtsbetrekking bestaat waarin **wederzijdse prestaties** worden uitgewisseld. De tegenprestatie ontvangen door de dienstverrichter vormt dan de werkelijke tegenwaarde in ruil voor een individualiseerbare dienst aan de begunstigde. Dit is het geval indien er een **rechtstreeks verband** bestaat tussen de gepresteerde dienst en de ontvangen tegenwaarde. Dezelfde vereiste bestaat op het vlak van de leveringen van goederen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest M. – S. d C. e M. S., zaak [C-295/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-295-17-arrest), van 22.11.2018, punt 39 en Arrest Q., zaak [C-288/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-288-19-arrest), van 20.01.2021, punt 29 - zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 2, titel 5’).

Er bestaat een rechtstreeks verband wanneer twee prestaties van elkaar afhankelijk zijn (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest S.D.V.S., zaak [C-94/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-94-19-arrest), van 11.03.2020, punt 26 en de er geciteerde rechtspraak).

Is zonder gevolg voor de beoordeling van het al dan niet bezwarende karakter van de activiteit:

• het bestaan van een wettelijke verplichting (onder andere, Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Commissie t. Finland, zaak [C-246/08](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-246-08-arrest), van 29.10.2009, punten 40 en 42)

• het bestaan van een tegenprestatie lager dan de kostprijs. Dit mag er evenwel niet toe leiden dat de economische realiteit van de transactie in twijfel wordt getrokken (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest L. M. N. K., L. C. N. K., zaak [C-263/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-263-15-arrest), van 02.06.2016, punt 45).

• het feit dat de klant geen gebruik maakt van zijn recht, dat het voorwerp van de prestatie is (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest V.P. – C.P.S., zaak [C-43/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-43-19-arrest), van 11.06.2020, punt 32).

##### d. Plaatsbepaling van de handeling in België

Dit is het **territorialiteitsbeginsel van de belasting**.

De plaats van de handeling wordt bepaald volgens verschillende criteria inzake de levering van goederen (artikelen [14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14), [14bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14bis) en [15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) van het Btw-Wetboek) en de verrichting van diensten (artikelen 21 (B2B-situatie) en 21*bis (*B2C-situatie) van het Btw-Wetboek), vandaar het belang van de juiste kwalificatie van de handeling.

##### e. De belastingplichtige

De belastingplichtigen worden vertegenwoordigd door alle onafhankelijke marktdeelnemers, producenten, handelaren en dienstverleners, ongeacht hun toepassingsgebied of motivatie.

Juridisch gezien is een belastingplichtige, eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in het Btw-Wetboek zijn omschreven ([artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) ; Zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 3’).

##### f. De als zodanig handelende belastingplichtige

Een belastingplichtige handelt als zodanig wanneer hij handelingen verricht in het kader van zijn belastbare activiteit (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest J.P., zaak [C-24/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-24-15-arrest), van 20.10.2016, punt 31).

##### g. De failliete belastingplichtige

[Artikel 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) bepaalt: ‘*De handelingen verricht door de curator van een gefailleerde belastingplichtige ter uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht, of door een derde onder toezicht van de curator, worden geacht door de gefailleerde zelf te zijn verricht*’. (zie ook [artikel 53undecies van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53undecies)).

Vanaf 05.12.2019 werd paragraaf 8 toegevoegd aan [artikel 18, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05), voornoemd, waarin de aangifte- en betalingsverplichtingen van de curatoren worden vastgelegd.

Er wordt verwezen naar ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 4, titel 2, *in fine*’.

#### C. De invoer van goederen ([artikel 3 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3))

[Artikel 3 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3) bepaalt: ‘*De invoer van goederen, door wie ook, is eveneens aan de belasting onderworpen wanneer de invoer in België plaatsvindt*’.

Zijn dus aan de btw onderworpen (belastbaar) in België, de invoeren in België van lichamelijke roerende goederen door elke persoon, al dan niet belastingplichtig, zelfs door een particulier. Er worden echter wel vrijstellingen ingevoerd.

De invoer is het **materiële feit** van het binnenkomen van een lichamelijk goed binnen de Gemeenschap uit een derde land of derdelandsgebied ([artikel 23, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-23)). (Voor het territoriaal toepassingsgebied, zie titel 6, van deze afdeling)

De invoer, het louter materieel feit, wordt slechts een **belastbare handeling** in België indien het binnenkomen van het goed in dit land gebeurt volgens de wettelijke voorwaarden in verband met de douanewetgeving, met name in de gevallen bedoeld in [artikel 23, § 4, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-23). Het uitvoeringsbesluit in dit verband is het koninklijk besluit nr. 7, voornoemd (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 4: Invoer, Afdeling 3, titel 3’).

Aangezien de invoer een eenvoudig materieel feit is, speelt de bezwarende titel geen rol.

#### D. De intracommunautaire verwervingen van goederen ([artikel 3bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3bis))

[Artikel 3bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3bis) bepaalt: ‘*De intracommunautaire verwervingen van goederen, omschreven in artikel 25bis, worden, wanneer zij in België geschieden, eveneens aan de belasting onderworpen, wanneer ze onder bezwarende titel plaatsvinden onder de in artikel 25ter gestelde voorwaarden*’.

[Artikel 25bis, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25bis) bepaalt: ‘*Onder intracommunautaire verwerving van een goed wordt verstaan het verkrijgen van de macht om als eigenaar te beschikken over een lichamelijk roerend goed dat door de verkoper of de afnemer, of voor hun rekening, met als bestemming de afnemer is verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat dan die waaruit het goed is verzonden of vervoerd’*.

De in [artikel 25ter van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) voorziene voorwaarden worden besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 4’.

Kortweg, **de belastingheffing**:

• **hangt af van de hoedanigheid van de verwerver, van de verkoper en van de aard van de goederen** (nieuwe vervoermiddelen en accijnsgoederen)

• is onafhankelijk van de plaats waar de partijen zijn gevestigd

• gebeurt in de lidstaat van fysieke aankomst van de goederen, behoudens toepassing van een veiligheidsbepaling voorzien in [artikel 25quinquies, § 3, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 6, titel 1, rubriek B’).

Het intracommunautair handelsverkeer van goederen in een B2B-situatie maakt het voorwerp uit van de [circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2020-c-50-btw-stelsel-b2b-intracommunautair-handelsverkeer-9af5) (nr. E.T. 135.109), zijn addendum, de [circulaire 2021/C/26 van 12.03.2021 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109-9](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-26-btw-stelsel-b2b-intracommunautair-handelsverkeer-29da)) en zijn tweede addendum, de [circulaire 2021/C/47 van 21.05.2021 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109-10](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-47-btw-stelsel-b2b-intracommunautair-handelsverkeer-7dbe)).

\[Top\]

### 4. De belastingplichtige

#### A. Doorslaggevende factoren

##### a. De uitoefening van een zelfstandige economische activiteit

Als belastingplichtige wordt beschouwd eenieder die, ongeacht op welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, **ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit**.

Als economische activiteit worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen.

Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen ([artikel 9, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9), voornoemd).

In het algemeen zet de economische activiteit de productie- en distributiemiddelen in om het verbruik van goederen en diensten mogelijk te maken.

De marktdeelnemers die tussenkomen in het economisch circuit kunnen hun economische activiteit slechts uitoefenen door beroep te doen op andere personen, leveranciers en klanten. Die personen handelen **op zelfstandige wijze**, hetgeen veronderstelt dat de betrokken marktdeelnemer zijn economische activiteiten in eigen naam, voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid verricht en het economisch risico met betrekking tot de uitoefening van die activiteiten draagt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Gmina Wroclaw, zaak [C-276/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-276-14-arrest), van 29.09.2015, punt 34 en de er geciteerde rechtspraak).

##### b. Het bestaan van directe tegenprestaties die inkomsten genereren

De verwerver/ontvanger moet gehouden zijn tot een **tegenprestatie**, ongeacht de aard ervan. Het kan gaan om een geldsom, een ander goed of zelfs een dienst. [Artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) vermeldt de voorwaarden voor het belasten van de leveringen van goederen en diensten, waaronder **de vereiste van de bezwarende titel**.

Diezelfde vereiste komt impliciet terug in [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) dat het begrip belastingplichtige omschrijft. Dat artikel vermeldt dat de leveringen van goederen en de diensten die in het genoemde Wetboek zijn omschreven, moeten worden verricht door een belastingplichtige in de uitoefening van een economische activiteit, hetgeen een activiteit met ontvangsten veronderstelt.

Inkomsten genereren door de ontvangst van betalingen in geld of natura volstaat niet. De leverancier moet als gevolg van de levering van goederen of de verrichting van diensten een rechtstreekse tegenprestatie ontvangen van de verwerver/ontvanger die daartoe verplicht is (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Tolsma, zaak [C-16/93](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-93-arrest), van 03.03.1994, punt 14; Arrest P.I.SA, zaak [C-36/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-36-16-arrest), van 11.05.2017, punt 31; Arrest G.W., zaak [C-665/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-665-16-arrest) van 13.06.2018, punt 43).

#### B. Niet doorslaggevende factoren

Heeft geen invloed op de onderwerping aan de btw van een persoon:

• het winstoogmerk of de afwezigheid ervan

• het hoofzakelijk of nevenkarakter van de economische activiteit

• de plaats waar deze persoon zijn economische activiteit uitoefent.

Daaruit volgt dat rekening wordt gehouden met de totaliteit van zijn activiteit in België of het buitenland, binnen de Gemeenschap of erbuiten om een beslissing te nemen over:

o zijn hoedanigheid van belastingplichtige in België, ten aanzien van een in het land verrichte enige handeling

o zijn recht op aftrek van de Belgische btw.

• de plaats waar hij gevestigd is (met betrekking tot het bestaan van een vaste inrichting in België, zie ‘Boekwerk I: belastingplicht en belastbare handelingen- Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 10’).

\[Top\]

### 5. Het toepassingsgebied van de btw

#### A. Essentieel onderscheid

Het toepassingsgebied van de btw omvat de **aan de btw onderworpen** handelingen, of met andere woorden, de belastbare of aan de btw onderhevige handelingen, **ongeacht of ze effectief worden belast of zijn vrijgesteld.** In dit laatste geval worden ze niet belast op grond van een specifieke bepaling in het Btw-Wetboek.

Naast die aan de btw onderworpen handelingen zijn er handelingen die niet onder het toepassingsgebied van de btw vallen. Ze worden eenvoudigweg ‘**buiten het toepassingsgebied**’ genoemd omdat ze niet door het Btw-Wetboek worden beoogd. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de kosteloze overdracht van een goed zoals de schenking van een bouwgrond.

Het toepassingsgebied van de btw leidt tot een nader onderzoek van:

• de belastbare handelingen (materieel toepassingsgebied)

• de in België belastbare handelingen (territoriaal toepassingsgebied)

• de verplichte vrijstellingen (zonder mogelijkheid tot belasten) of de facultatieve vrijstellingen (met optie tot belastingheffing).

#### B. In het Btw-Wetboek bedoelde handelingen

Bij onderzoek van het toepassingsgebied van de btw moet dus eerst op materieel vlak onderscheid worden gemaakt tussen de in de wet bedoelde handelingen (binnen het toepassingsgebied) en de handelingen die niet in de wet zijn bedoeld (buiten het toepassingsgebied).

Een mandaat, bijvoorbeeld, kan onder bezwarende titel (binnen het toepassingsgebied) of gratis (buiten het toepassingsgebied) worden uitgeoefend.

#### C. In België belastbare handelingen

Onder alle handelingen die binnen het toepassingsgebied van de btw vallen laat de territoriale grens toe onderscheid te maken tussen de in België belastbare handelingen en de handelingen die aan de Belgische btw ontsnappen omdat ze geacht worden in het buitenland plaats te vinden.

#### D. Vrijgestelde handelingen

Onder alle in België belastbare handelingen kan een onderscheid gemaakt worden tussen de belaste handelingen enerzijds en de vrijgestelde handelingen anderzijds. Bij de vrijgestelde handelingen bevinden zich zowel verplichte vrijstellingen als facultatieve vrijstellingen (met optie tot belastingheffing); (zie titel 9, rubriek T, subrubriek d, van deze afdeling).

\[Top\]

### 6. Het territoriaal toepassingsgebied

De btw wordt gevestigd volgens een gemeenschappelijk systeem dat van toepassing is in de Gemeenschap. Ze wordt geïnd door toepassing van het beginsel en het mechanisme opgenomen in Afdeling I, titel 4, van deze Inleiding, gedurende het gehele productie- en distributieproces van goederen en diensten die worden verkocht en gekocht voor verbruik in de Gemeenschap, waarbij de belastinginkomsten bestemd zijn voor elke lidstaat waar het verbruik wordt geacht plaats te vinden (met uitzondering van het deel van de eigen middelen van de Europese Unie).

Op 01.01.1993 werd het als gevolg van de afschaffing van de fiscale grenzen binnen de eengemaakte markt nodig om, zowel op het niveau van de Gemeenschap als voor België, het grondgebied te omschrijven waarbinnen de btw van toepassing is en om enkele nieuwe begrippen op communautair niveau te bepalen.

Daartoe formuleert [artikel 1, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) eerst verschillende definities:

‘*Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :*

*1°“ Lid-Staat “ en “ grondgebied van een Lid-Staat “ : het binnenland zoals dat in de §§ 3, 4 en 5, voor elke Lid-Staat wordt omschreven*

*2°“ Gemeenschap “ en “ grondgebied van de Gemeenschap “ : het binnenland van de Lid-Staten*

*3°“ derdelands gebied “ en “ derde land “ : elk ander grondgebied dan het binnenland van een Lid-Staat.*’

Onder derde land en derdelandsgebied, in de zin van [artikel 1, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1), wordt ieder ander gebied verstaan dan dat waarbinnen het Europees btw-stelsel van toepassing is. Het betreft met andere woorden de landen en gebieden die niet tot de Gemeenschap behoren. Voor een omschrijving van het begrip Gemeenschap, zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 4, titel 1, rubriek A’.

Nadien bepaalt [artikel 1, § 3, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1): ‘*Het "binnenland" komt overeen met het grondgebied van iedere lidstaat van de Europese Unie waarop de verdragen betreffende de Europese Unie en betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn overeenkomstig de artikelen 52 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en 349 en 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie’*.

Bovendien bepaalt [artikel 1, § 3bis, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1): ‘*In afwijking van de paragrafen 2 en 3, omvatten "lidstaat", "grondgebied van een lidstaat", "Gemeenschap", "grondgebied van de Gemeenschap" en "binnenland" het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland overeenkomstig de modaliteiten opgenomen in artikel 8 van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie gedaan te Brussel en Londen op 24 januari 2020’* (zie de wet van 27.06.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde).

Het intracommunautair handelsverkeer van goederen houdt een intracommunautaire verplaatsing van goederen in die van de ene lidstaat naar de andere worden vervoerd.

Voor de toepassing van het Btw-Wetboek worden van het binnenland ([artikel 1, § 4, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1)) bepaalde grondgebieden **uitgesloten**, andere zijn dan weer **inbegrepen** ([artikel 1, § 5, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1)). Wegens de impact van de ‘Brexit’ werden deze twee wettelijke bepalingen gewijzigd door de wet van 27.06.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Het btw-gebied van de Europese Unie (15) stemt niet overeen met het douanegebied van de Europese Unie (16). Dit laatste gebied is ruimer en omvat naast het integrale btw-gebied van de Europese Unie eveneens de gebieden opgesomd in [artikel 1, § 4, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1).

Goederen die naar deze gebieden (bijvoorbeeld de Canarische Eilanden) worden verzonden, zijn onderworpen aan exportformaliteiten en controles voor btw-doeleinden omdat ze buiten de Gemeenschap worden vervoerd. Goederen vanuit deze gebieden die voor douanedoeleinden in het vrije verkeer worden gebracht, zijn onderworpen aan de btw bij invoer in de lidstaat waar deze plaatsvindt.

*(15) Met andere woorden de Gemeenschap in de zin van* [*artikel 1, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1)*.*

*(16) Zoals omschreven in artikel 4 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 09.10.2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.*

Wat het tweede lid van [artikel 1, § 4, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) betreft, dit herneemt de nationale gebieden die zowel van het btw- als van het douanegebied zijn uitgesloten.

In onderstaande tabel worden het btw-gebied en het douanegebied van de Europese Unie, zoals ze vanaf 31.12.2020 zijn gedefinieerd, schematisch weergegeven.

De tabel wordt gevolgd door een bespreking van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, goedgekeurd op 17.10.2019 en in werking getreden op 01.02.2020 (hierna ‘terugtrekkingsakkoord’ genoemd).

Dit akkoord voorzag een overgangsperiode van 01.02.2020 tot 31.12.2020 waarin dit Verenigd Koninkrijk voor de toepassing van de btw-reglementering verder werd beschouwd als een lidstaat van de Europese Unie (zie memorie van toelichting bij de wet van 27.06.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (Kamer, Doc 55/1943/001, blz. 05)).

*(17) Tot 31.12.2020 (zie ook opmerking hieronder)*

*(18) Sinds 01.01.2020 maken de Italiaanse stad Campione d’Italia en de nationale wateren van het meer van Lugano deel uit van het douanegebied (BS 13.11.2019, erratum BS 27.12.2019)*

## Bespreking

Sinds 01.01.2021 is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een derde land voor de toepassing van de btw.

Voor Noord-Ierland is vanaf voormelde datum (artikel 18, lid 5, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, dat integraal deel uitmaakt van het Terugtrekkingsakkoord), een uitzondering voorzien gedurende een periode van vier jaar met mogelijke verlenging (artikel 18, lid 5, *in fine*, van dit protocol). Tijdens de geldigheidstermijn van dit protocol worden leveringen vanaf Noord-Ierland naar een lidstaat van de Europese Unie en *vice-versa* steeds beschouwd als intracommunautaire leveringen en verwervingen.

**Voor diensten** daarentegen heeft **Noord-Ierland** voor btw-doeleinden het statuut van een derde **land** vanaf 01.01.2021.

Tot slot bepaalt [artikel 1, § 5, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) dat de zones Akrotiri en Dhekelia die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen voor btw-doeleinden worden geacht deel uit te maken van de Republiek Cyprus. Het statuut van deze gebieden op btw-vlak werd opnieuw bevestigd in artikel 3 van het voornoemde protocol betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen en dat integraal deel uitmaakt van het terugtrekkingsakkoord. Deze bepaling kan dus ongewijzigd blijven (memorie van toelichting bij de wet van 27.06.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (Kamer, Doc 55/1943/001, blz. 09)).

\[Top\]

### 7. Plaats van de handeling, vrijstelling en aftrek

#### A. Belang van de plaatsbepaling in België

**Een handeling is slechts belastbaar in België indien ze in België plaatsvindt.** Daarnaast kan enkel een handeling die in België belastbaar is, **in dit land** worden **vrijgesteld**. Tot slot is enkel de in België verschuldigde btw **aftrekbaar in België**.

De criteria om de plaats te bepalen waar de handeling wordt belast verschillen volgens de aard van de handeling (wat de wettelijke bepalingen ter zake betreft, zie het overzicht in titel 11, van deze afdeling).

De toepassing van de regels inzake territoriale bevoegdheid maken het mogelijk te bepalen of een belastbare handeling, rekening houdend met de plaats ervan, belast of vrijgesteld is in België. Het vaststellen van de plaats van een handeling staat inderdaad gelijk met het bepalen van de plaats van de belastingheffing of de vrijstelling.

Meer in het algemeen moeten alle aspecten van de in België belastbare handeling (maatstaf, tarief, schuldenaar…) worden onderzocht volgens de in het land toepasselijke regels.

Het is de Belgische administratie die, met de onderzoeksbevoegdheden en de bewijsmiddelen waarover ze op grond van het Btw-Wetboek beschikt, zal nagaan of de Belgische btw correct is toegepast (met name het bestaan en de voorwaarden van een vrijstelling), onder toezicht *in fine* van de Belgische rechtbanken, in voorkomend geval, aan de hand van prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De Europese Commissie kan gerechtelijke stappen ondernemen (inbreukprocedure) tegen een lidstaat die het recht van de Europese Unie niet naleeft. Zij kan de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat in bepaalde gevallen financiële sancties kan opleggen.

#### B. Combinatie plaatsbepaling/ vrijstelling

**De toepassing van een vrijstelling met of zonder recht op aftrek** ([artikel 39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) tot [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek) **veronderstelt dat de in het Btw-Wetboek bedoelde handeling plaatsvindt in België.**

Men moet dus steeds eerst de plaats van de handeling bepalen alvorens deze, in voorkomend geval, vrij te stellen van btw.

#### C. Combinatie vrijstelling/ aftrek

De vrijstellingen met recht op aftrek van de voorbelasting hebben hoofdzakelijk tot doel **belasting te heffen op de plaats van het verbruik bij toepassing van het bestemmingsbeginsel:**

• bij de overgang van een lidstaat naar een andere (intracommunautaire levering)

• bij de overschrijding van een buitengrens van de Gemeenschap naar een grondgebied of een land dat geen deel uitmaakt van de Gemeenschap (uitvoer).

\[Top\]

### 8. Vragen in verband met de voldoening van de btw

#### A. Relevante elementen

Zodra de voorwaarden voor de belastingheffing zijn vervuld, moet het Btw-Wetboek (of een ter uitvoering ervan genomen koninklijk besluit) voor de voldoening van de btw de volgende elementen bepalen:

• een datum van opeisbaarheid van de btw

• een belastbare basis

• een belastingtarief

• een schuldenaar van de btw.

#### B. Datum van opeisbaarheid van de btw

##### a. Belastbaar feit en opeisbaarheid van de btw

De belasting wordt in principe opeisbaar op het moment waarop het belastbaar feit zich voordoet, behalve ten aanzien van intracommunautaire verwervingen.

In afwijking hiervan worden andere oorzaken van opeisbaarheid van de belasting voorzien zodat, in feite, het samenvallen van het belastbaar feit en de opeisbaarheid van de belasting in de meeste gevallen wordt vermeden. In de meeste gevallen wordt ofwel de uitreikingsdatum van de factuur ofwel de datum van ontvangst van de betaling weerhouden.

##### b. Toepassing op de levering van goederen en op diensten

Voor elke levering of belastbare handeling bestaat een rechtstreekse tegenprestatie. Om de betaling te verkrijgen kan of moet de schuldeiser, volgens het geval, een factuur aan zijn schuldenaar richten. Overigens is de factuur het geschreven of digitale spoor van een goederenlevering of voltooiing van een dienst.

Om de datum van opeisbaarheid van de belasting te bepalen, moet de rol worden bepaald die de factuur of de ontvangst van de betaling speelt ten opzichte van de effectieve realisatie van de goederenlevering of dienst (artikelen [17](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) en [22bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis) van het Btw-Wetboek); (zie titel 9, rubriek N, van deze afdeling).

#### C. Belastbare basis en tarieven

De begrippen belastbaar feit en opeisbaarheid van de btw zijn relevant voor het vaststellen van het referentietijdstip voor de bepaling van de belastbare basis, dit wil zeggen het bedrag waarover de btw moet worden berekend.

De belastbare basis bevat, bijvoorbeeld, niet de prijsverminderingen die door de leverancier of de dienstverrichter aan de afnemer toegekend worden en die door deze laatste zijn verkregen op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt ([artikel 28, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-28)).

Indien de prijsvermindering na die datum wordt toegekend, wordt de correctie uitgevoerd via een terugbetaling ([artikel 77, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77)).

Eenmaal de belastbare basis vastgesteld volgens haar aard en volgens haar bedrag, moet verder nog het juiste tarief worden toegepast ([artikel 37 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) en [koninklijk besluit nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3), voornoemd).

In principe is het toepasselijke tarief het tarief dat van kracht is op de datum van het belastbaar feit:

• voor de leveringen van goederen en de diensten ([artikel 38, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38))

• voor de invoer van goederen ([artikel 38, § 3, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38)).

Niettemin moet, inzake tarieven, het tijdstip worden weerhouden waarop de belasting opeisbaar wordt voor:

• de leveringen van goederen en de diensten ([artikel 38, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38)) in de gevallen voorzien in de artikelen [17](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) en [22bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis) van het Btw-Wetboek

• de invoer van goederen ([artikel 38, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38)) in de gevallen bedoeld in [artikel 24, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-24).

Voor de intracommunautaire verwervingen van goederen is het toepasselijke tarief het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt ([artikel 38, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38)).

In geval van een tariefwijziging tussen het tijdstip van het belastbaar feit en dat van de opeisbaarheid van de btw moet, desgevallend, toepassing worden gemaakt van [artikel 38, § 4, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) indien een koninklijk besluit werd genomen ter uitvoering ervan, onder de voorwaarden van [artikel 38, § 5, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting, Afdeling 10, titel 2’).

#### D. De schuldenaar van de btw

##### a. De verrichter van de handeling

De schuldenaar is diegene die de opeisbare belasting aan de Staat moet voldoen. Normaal is dit de **persoon die de belastbare handeling verricht**, namelijk:

• de leverancier van de goederen ([artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51))

• de dienstverrichter ([artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51))

• de intracommunautaire verwerver van de goederen ([artikel 51, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51))

• de geadresseerde van de ingevoerde goederen ([artikel 52, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-52) en [artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-7-artikel-2a49), voornoemd).

Op het vlak van de btw-vrijstellingen heeft het begrip schuldenaar een bijkomende dimensie. Het komt toe aan de schuldenaar, debiteur van de belasting aan de Staat om, indien van toepassing, een reden van vrijstelling in te roepen en het bewijs te leveren dat hij aan de voorwaarden voldoet om er gebruik van te maken.

**Een handeling kan immers slechts vrijgesteld worden** (bijvoorbeeld, goederen geleverd voor de export**) indien de btw opeisbaar is in België**. Desgevallend doet zich eerst een belastbaar feit van de btw voor (de levering van goederen onder bezwarende titel vanuit België door een als zodanig handelende belastingplichtige), dat nadien door de btw-vrijstelling wordt geneutraliseerd (om reden van uitvoer in het besproken voorbeeld).

##### b. De verlegging van heffing

Het mechanisme van de verlegging van heffing houdt in dat de aansprakelijkheid voor betaling van de btw wordt overgedragen van de leverancier naar de klant.

In die situaties zien we een echte omkering van de hoedanigheid van de schuldenaar (‘reverse charge’).

Die **verlegging van heffing** van de belasting heeft tot doel de medecontractant zelf te doen instaan voor de betaling van de belasting die hij, eventueel, tegelijk aftrekt.

De verlegging heeft tegelijk tot doel de **inning** van de belasting te **vereenvoudigen** en te **verzekeren** (bijvoorbeeld omdat de leverancier/dienstverrichter niet in België is gevestigd). In andere gevallen beoogt de verlegging van de heffing de **strijd tegen de fiscale fraude**, vooral de fraude door fictieve handelingen en nalatige operatoren, bijvoorbeeld ‘carrouselfraude’. In dat kader verhindert de verlegging van heffing de aftrek van een belasting die de dienstverrichter niet aan de Staat heeft betaald.

Wat de vereenvoudiging betreft, de regels inzake plaatsbepaling van de handelingen impliceren dat de leverancier van het goed of de dienstverrichter, in vele gevallen, de belasting zou moeten voldoen in landen waar hij niet is gevestigd, met de daarbij horende verplichtingen op fiscaal vlak van identificatie, het indienen van aangiften en betaling in verschillende landen.

In die omstandigheden is het eenvoudiger dat de belasting verschuldigd is door een andere persoon dan de leverancier of dienstverrichter, namelijk de verkrijger van het goed of de ontvanger van de dienst.

Deze gevallen worden bedoeld in [artikel 51, §§ 2 en 4 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) en in de artikelen [20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d), [20bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20bis-e302) en [20ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20ter-f72d), van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd (zie ‘boekwerk IV: voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting – Afdeling 10’)

\[Top\]

### 9. Tegenstellingen en interacties tussen de basisbegrippen van de btw

#### A. Belastingplicht en voorwaarden voor de belasting

Het begrip belastingplichtige verschijnt in de belastingvoorwaarden bij alle belastbare handelingen behalve bij de invoer van goederen.

De belastingplicht is een noodzakelijke maar ontoereikende belastingvoorwaarde.

De hoedanigheid van belastingplichtige is, inderdaad, een belangrijk begrip maar vormt slechts één, weliswaar essentieel, element in de betrokken redenering.

De hoedanigheid van belastingplichtige van de verrichter van de beoogde handeling (leverancier, dienstverrichter, ‘intracommunautair’ verwerver) heeft niet noodzakelijk de belasting van de genoemde handeling tot gevolg.

**De verplichting tot betaling van de btw in België hangt af van de gecombineerde toepassing van de regels inzake belastingplicht, plaatsbepaling en vrijstelling.**

Meer bepaald zullen de btw-vrijstellingen (artikelen [39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) tot [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek) en de bijzondere regelingen zoals de vrijstellingsregeling van de belasting voor kleine ondernemingen ([artikel 56bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56bis)) en de bijzondere regeling voor landbouwondernemers ([artikel 57 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-57)), onder bepaalde voorwaarden, afwijken van de normale regels inzake belastingheffing zonder evenwel de hoedanigheid van belastingplichtige te ontnemen aan de verrichter van die handelingen.

#### B. Belastingplichtige en belastbare handelingen

**Het begrip belastingplichtige wordt bepaald in samenhang met de belastbare basis.** Is immers belastingplichtige, hij die, onder de wettelijke voorwaarden, leveringen van goederen of diensten verricht die in het Btw-Wetboek zijn bedoeld en die, bijgevolg, belastbaar zijn (ongeacht of deze handelingen *in fine* worden belast of vrijgesteld van btw).

**Omgekeerd wordt de belastbare basis in rechtstreekse samenhang met het begrip belastingplichtige bepaald**. De in het Btw-Wetboek bedoelde leveringen van goederen en diensten zijn slechts aan de belasting onderworpen en dus belastbaar indien ze worden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.

#### C. Belastingplichtige, belastbare handelingen en economische activiteit

De belastbare handelingen zijn handelingen met een economisch karakter. Om zulk karakter aan een handeling te geven, kon de wetgever verwijzen naar:

• hetzij de aard zelf van de handelingen

• hetzij naar handelingen verricht door een categorie van personen.

In feite heeft de wetgever beide benaderingen gemengd door zowel de zakelijke (de handelingen) als de persoonlijke (de belastingplichtigen) criteria toe te passen. Het gaat dus om een dubbele verwijzing naar de persoon van de leverancier/dienstverrichter en de aard van handeling. Deze benadering komt tot uiting in de uitdrukking ‘**als zodanig handelende belastingplichtige’**, die in [artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) wordt gebruikt.

Ook het begrip belastingplichtige kan op twee manieren gedefinieerd worden:

• hetzij door de uitoefening van een economische activiteit

• hetzij door het verrichten van welomschreven handelingen.

De richtlijn 2006/112/EG, voornoemd verwijst naar de economische activiteit. Het Btw-Wetboek hanteert beide criteria, namelijk het verrichten van handelingen, leveringen van goederen en diensten, in de uitoefening van een economische activiteit ([artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4)).

Aangezien hetzelfde resultaat moet worden bereikt, moet worden geconcludeerd dat de economische activiteit alle leveringen van goederen en diensten omvat die **onder bezwarende titel** worden **verricht**.

De uitoefening van een economische activiteit impliceert immers de ontvangst van betalingen, in geld of in natura, maar bovendien moet er een **rechtstreeks verband** bestaan tussen de geleverde goederen of diensten en de tegenprestatie(zie titel 3, rubriek B, subrubriek c, van deze afdeling).

De hoedanigheid van btw-belastingplichtige die werd verkregen voor een bepaalde economische activiteit heeft **niet automatisch** betrekking op alle door die belastingplichtige uitgevoerde activiteiten, maar enkel op de handelingen die met een op zichzelf staande economische activiteit overeenstemmen of die het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de economische activiteit van die belastingplichtige vormen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Régie dauphinoise - Cabinet A. Forest SARL, zaak [C-306/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-306-94-arrest), van 11.07.1996, punt 18).

Samengevat is een levering van goederen of een dienstverrichting pas belastbaar indien deze **deel uitmaakt van** **de economische activiteit.** Het is door het optreden van een als zodanig handelende belastingplichtige dat de belastbare handeling in verband wordt gebracht met de economische activiteit.

#### D. Belastingplichtige zonder economische activiteit (toevallige)

Alhoewel niet handelend in de uitoefening van een economische activiteit wordt een persoon:

• **vrijwillige** toevallige belastingplichtige, indien hij heeft geopteerd voor de btw-regeling voor de levering van een nieuw gebouw en het bijhorende terrein ([artikel 8 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8)); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 7, titel 1’)

• **ambtshalve** toevallige belastingplichtige (van rechtswege) voor de intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel, vrijgesteld van de btw onder de voorwaarden voorzien in [artikel 39bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) ([artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis)); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 7, titel 2’).

Het nut van de toevallige belastingplicht is het openen van het recht op aftrek. De reikwijdte van dit recht is echter beperkt.

#### E. Privaatrechtelijke en publiekrechtelijke lichamen

Normaal moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang de juridische vorm van de belastingplichtige.

De hoedanigheid van belastingplichtige wordt echter niet toegekend aan publiekrechtelijke lichamen die als overheid handelen ([artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6)).

In principe treden de publiekrechtelijke lichamen steeds op als overheid. Die hoedanigheid is geen belemmering voor de uitoefening van een economische activiteit, die de ontvangst van een rechtstreekse tegenprestatie voor een goederenlevering of dienstverrichting veronderstelt (zie rubriek C, van deze titel).

De uitoefening van een economische activiteit verleent aan die publiekrechtelijke lichamen de hoedanigheid van belastingplichtige **in de twee volgende gevallen**:

• voor zover een behandeling als niet-belastingplichtige tot **(potentiële) concurrentieverstoring van enige betekenis** zou leiden ([artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6)) zowel ten nadele van belastingplichtigen in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) als in hun eigen nadeel

• voor zover de activiteiten of handelingen bedoeld in [artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6), **niet van onbeduidende omvang** zijn, bijvoorbeeld de levering en voorziening van water.

Wat concurrentieverstoringen betreft, indien de uitgeoefende activiteit of de gerealiseerde handelingen worden beoogd door de bepalingen van [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) (bijvoorbeeld gezinshulp of hulp aan bejaarde personen) is er in principe sprake van een concurrentieverstoring maar de omvang ervan kan slechts geval per geval worden beoordeeld (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 6, titel 1’).

De autonome gemeente- en provinciebedrijven met rechtspersoonlijkheid worden niet beoogd door de bepalingen van [artikel 6 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) maar worden aangemerkt als belastingplichtigen in de zin van [artikel 4, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), van dit Wetboek indien zij in dat Wetboek bedoelde handelingen verrichten. Sommige kunnen echter onder een van de in [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) opgenomen vrijstellingen vallen. De [circulaire 2021/C/57 van 11.06.2021 betreffende de beoordeling van de al dan niet aanwezigheid van een winstoogmerk in hoofde van een autonoom gemeentebedrijf (nr. E.T. 137.859/5](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-57-beoordeling-al-dan-aanwezigheid-winstoogmerk-1115)), handelt over de beoordeling van de al dan niet aanwezigheid van een winstoogmerk in hoofde van zo’n bedrijf, met het oog op het al dan niet toepassen van de in [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) opgenomen vrijstelling (bijvoorbeeld, een sportinrichting bedoeld in [artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)).

#### F. Belastingplichtige en identificatie

De administratie kent een btw-identificatienummer toe dat de letters BE bevat aan elke belastingplichtige gevestigd in België ([artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50)), zelfs aan degene die onderworpen zijn aan de vrijstellingsregeling ([artikel 56bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56bis)) of aan het landbouwregime ([artikel 57 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-57)) en aan bepaalde niet in België gevestigde belastingplichtigen ([artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50)) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 10’).

**Niet alle in België gevestigde belastingplichtigen zijn er echter toe gehouden zich voor btw-doeleinden te laten identificeren**. Die verplichting bestaat niet voor de toevallige belastingplichtigen (zie rubriek D, van deze titel).

Zijn ook niet geïdentificeerd, belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten die door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) vrijgesteld zijn, zonder enig recht op aftrek, en die in België geen schuldenaar zijn van de btw op bepaalde aankopen, namelijk op hun intracommunautaire verwervingen van goederen of op intracommunautaire diensten ([artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51)).

Anderzijds is er in principe geen btw-identificatie vereist voor de belastingplichtigen die actief zijn in de deeleconomie ([artikel 50, § 4, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) en [circulaire 2019/C/40 van 15.05.2019, FAQ betreffende de deeleconomie en occasionele diensten tussen burgers inzake btw (met het erratum d.d. 04.07.2019)).](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2019-c-40-faq-deeleconomie-occasionele-diensten-tussen-c0bf)

**Omgekeerd moeten bepaalde niet-belastingplichtige rechtspersonen zich identificeren** om hun intracommunautaire verwervingen van goederen te belasten ([artikel 50, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50)). Indien ze voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd worden de niet-belastingplichtige rechtspersonen, met het oog op de plaatsbepaling van de door hun ontvangen diensten, als belastingplichtigen aangemerkt ([artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21)).

#### G. Belastingplichtige en schuldenaar

De schuldenaar is degene die de opeisbare belasting aan de Staat moet betalen, behoudens uitzondering. **Het gaat niet steeds om een belastingplichtige.**

De schuldenaar van de btw is bijvoorbeeld:

• een niet-belastingplichtige rechtspersoon die zijn intracommunautaire verwervingen van goederen moet belasten onder de voorwaarden van [artikel 25ter, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter))

• ieder die een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel van een nieuw vervoermiddel verricht onder de voorwaarden van [artikel 25ter, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter)

• iedere geadresseerde van ingevoerde goederen.

In het Btw-Wetboek wordt het onderwerp belastingplicht geregeld door de artikelen 4 tot 8*bis*, ingevoegd in hoofdstuk II met dezelfde naam terwijl dat van de schuldenaar geregeld wordt door de artikelen [51 en volgende](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) van het Btw-Wetboek, ingevoegd in hoofdstuk VIII met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting.

#### H. Leveringen van goederen en diensten

Het begrip diensten wordt **negatief** gedefinieerd ten opzichte van de levering van een goed ([artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18)); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 2, titel 2, rubriek A’).

Het onderscheid tussen ‘levering’ en ‘dienst’ is belangrijk, met name voor het vaststellen van:

• de plaats waar de handeling moet worden belast (of vrijgesteld van de btw)

• het tijdstip waarop de handeling plaatsvindt en waarop de belasting opeisbaar wordt

• het tarief dat op de handeling van toepassing is.

## I. Leveringen van goederen en diensten onder bezwarende titel en om niet

##### a. Beperking van het toepassingsgebied

In titel 3, rubriek B, subrubriek c, van deze afdeling, werd gepreciseerd dat een levering van een goed of een dienst slechts aan de btw onderworpen is onder de voorwaarden bepaald in [artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2): de handeling moet verricht worden onder bezwarende titel (met rechtstreekse tegenprestatie). Aangezien de schenking van een goed niet belastbaar is doorbreekt deze de aftrekketen.

##### b. Belasting van de onttrekking van een goed

Toch besteedt het Btw-Wetboek aandacht aan de kosteloze overdrachten van goederen, niet om deze als zodanig te belasten maar om de onttrekking te belasten, waarbij de belastingplichtige de goederen uit het economisch patrimonium haalt, net voor ze worden geschonken.

**De schenking blijft buiten het toepassingsgebied van de btw maar de belastingheffing vindt plaats in een vroeger stadium, namelijk bij de onttrekking van het geschonken goed**, voor zover er voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan ([artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12)).

Het belasten van de onttrekking maakt het zo mogelijk een aftrek te regulariseren die niet meer gerechtvaardigd is.

Omgekeerd wordt de gelijkstelling met een belastbare levering vermeden indien het recht op aftrek niet ter discussie staat: het verstrekken van handelsgeschenken van geringe waarde of van handelsmonsters …

##### c. Belasting op het gebruik van een goed

Het gratis gebruik van een tot het bedrijf behorend goed wordt, onder de voorwaarden van [artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19), gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel. Net zoals bij de onttrekking bedoeld in subrubriek b, van deze rubriek, moet voor dit goed een gedeeltelijk of volledig recht op aftrek van de belasting zijn ontstaan.

#### J. Intracommunautaire verwervingen van goederen en leveringen van goederen

Er wordt aan herinnerd dat de intracommunautaire verwerving van een goed het verkrijgen van de macht is om als een eigenaar te beschikken over het goed dat naar een andere lidstaat dan die van aanvang van het vervoer wordt getransporteerd.

**Die definitie is het spiegelbeeld van de definitie van een goederenlevering** (zie [artikel 10, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-10)).

Er wordt onderstreept dat de intracommunautaire verwerving van een goed een andere belastbare handeling is dan de levering van een goed.

Niettemin verwijzen verschillende bepalingen van het Btw-Wetboek met betrekking tot de intracommunautaire verwervingen van goederen rechtstreeks naar de leveringen van goederen, met name, op het vlak van:

• het belastbaar feit ([artikel 25sexies, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25sexies)); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 6, titel 2, rubriek B’)

• het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting ([artikel 25sexies, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25sexies)); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 6, titel 2, rubriek C’)

• de maatstaf van heffing ([artikel 26bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-26bis)); (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 6: Maatstaf van heffing van de belasting, Afdeling 10’)

• het toepasselijk tarief ([artikel 38bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38bis)); (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting, Afdeling 10, titel 2’)

• de vrijstellingen ([artikel 40, § 1, 1°, a), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-40)); (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 3, titel 9, rubriek C, subrubriek a’).

#### K. De intracommunautaire leveringen en intracommunautaire verwervingen van goederen

##### a. Mechanisme

De intracommunautaire regeling veronderstelt de overgang van een lichamelijk roerend goed van een lidstaat van de Gemeenschap naar een andere. Ze deelt de transactie (voornamelijk de verkoop) op in twee elementen: een levering en een verwerving.

De intracommunautaire levering is een handeling die door de leverancier wordt gerealiseerd terwijl de intracommunautaire verwerving een handeling is die door de verkrijger wordt uitgevoerd.

Het goed wordt geleverd in de lidstaat van vertrek van het vervoer en verworven in de lidstaat van aankomst van dat vervoer.

##### b. Intracommunautaire leveringen van goederen in België

De intracommunautaire levering van goederen is **vrijgesteld** onder de voorwaarden bepaald in [artikel 39bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) en [het koninklijk besluit nr. 52 van 11.12.2019 met betrekking tot de bewijsregeling inzake de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen en met betrekking tot de vrijstelling van intracommunautaire verwervingen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-december-betrekking-bewijsregeling-vrijstellingen-4cdb) (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 3, titel 5 tot 7’).

##### c. Intracommunautaire verwervingen van goederen in België

Net zoals de invoer van goederen, is de intracommunautaire verwerving van goederen een inkomende belastbare handeling ([artikel 25ter van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter), zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 4’)

#### L. Uitvoer en invoer van goederen

##### a. Mechanisme

Aangezien de btw door haar aard een verbruiksbelasting is, moet zij in haar totaliteit toekomen aan het land van verbruik, tegen het tarief van dat land en op de eindprijs.

Bij internationale transacties berust het mechanisme op:

• de **ontheffing bij de uitvoer** op grond van een vrijstelling met recht op aftrek van de voorbelasting zodat het goed het land van herkomst ‘vrij’ van alle in dat land geïnde belastingen verlaat

• de **belastingheffing bij de invoer** bij het binnenbrengen van het goed in het land van invoer, ongeacht de hoedanigheid van de bestemmeling (belastingplichtige of niet) en tegen het voor dat land geldende tarief, zodat de buiten de Gemeenschap verworven goederen op gelijk fiscale voet worden geplaatst als de binnen de Gemeenschap verworven goederen.

##### b. Export van goederen buiten de Gemeenschap

Onder bepaalde voorwaarden geeft het materiële feit bestaande in het uitvoeren van een goed buiten het grondgebied van de Gemeenschap (buiten het ‘btw-gebied’) aanleiding tot de vrijstelling van een in België belastbare levering van goederen of dienstverrichting door toepassing van [artikel 39, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39). Het uitvoeringsbesluit betreffende deze materie is het [koninklijk besluit nr. 18 van 29.12.1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882) (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 2, titel 2’).

##### c. Invoer van goederen in België

Indien de uitvoer aanleiding geeft tot vrijstelling van een uitgaande belastbare handeling, is de invoer van goederen een belastbare inkomende handeling, net als de intracommunautaire verwerving van goederen.

#### M. Belastbare handelingen uit hun aard of door gelijkstelling

De handeling is belastbaar wegens:

• **haar aard**: de verschillende belastbare handelingen worden limitatief opgesomd in het Btw-Wetboek (artikelen [2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2), [3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3) en [3bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3bis), van het Btw-Wetboek)

• **haar tegenprestatie**: de handeling moet onder bezwarende titel worden verricht, behalve de invoer.

Andere handelingen worden gelijkgesteld met belastbare handelingen uit hun aard op basis van een bijzondere bepaling in het Btw-Wetboek, dit met het oog op de goede werking van de aftrekregeling.

**Ondanks de afwezigheid van een contractuele band en/of een tegenprestatie** wordt gelijkgesteld met een belastbare handeling uit haar aard, meer precies:

• met een belastbare levering van goederen onder bezwarende titel:

o het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor zijn privédoeleinden of voor de privédoeleinden van zijn personeel en, meer algemeen, voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit of nog om het om niet te verstrekken ([artikel 12, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12), zie rubriek I, van deze titel)

o de intracommunautaire overbrenging van een goed uit de onderneming van de belastingplichtige ([artikel 12bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12bis)) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 7’).

Anderzijds is deze gelijkstelling sinds 01.01.2020 uitgesloten in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep ([artikel 12ter van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12ter)) (zie ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 12’).

• met een dienst onder bezwarende titel:

o het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed, ander dan een bedrijfsmiddel voor gemengd gebruik bij aankoop, voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel en, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit ([artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19))

o de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat om niet, voor zijn privédoeleinden of voor die van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit ([artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19))

• met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel: de bestemming van goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een intracommunautaire overbrenging ([artikel 25quater, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quater)). Deze gelijkstelling geldt alleen in gevallen waarin de overbrenging van de goederen naar een andere lidstaat overeenkomstig de artikelen [12bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12bis) en [12ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12ter) van het Btw-Wetboek met een levering van goederen onder bezwarende titel zou worden gelijkgesteld ([artikel 25quater, § 1, lid 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quater)). (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, afdeling 5’).

#### N. Belastbaar feit, opeisbaarheid van de belasting en opeisbaarheid van de betaling

##### a. Begrippen

De voorwaarden die vereist zijn voor het opeisbaar worden van de belasting worden bepaald in het Btw-Wetboek. Het feit waardoor de voorwaarden worden vervuld wordt het belastbaar feit genoemd ([artikel 1, § 12, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1)).

Het begrip opeisbaarheid van de belasting laat toe het tijdstip te bepalen vanaf wanneer de Staat de betaling van de btw kan vorderen van de schuldenaar ([artikel 1, § 12, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1)). (voor de wettelijke definities, zie titel 10, rubriek H, van deze afdeling).

Aangezien de belasting normaal betaald wordt op basis van een periodieke aangifte, wordt de betaling van de belasting gedaan binnen de wettelijke indieningsdatum van die aangifte ([artikel 53, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)). Bijgevolg vallen de opeisbaarheid van de belasting en de opeisbaarheid van de betaling niet samen.

##### b. Toepassing op de leveringen van goederen en op diensten

In afwijking van de regel van het samenvallen van het belastbaar feit en de opeisbaarheid van de belasting wordt de belasting opeisbaar over het gefactureerde bedrag **op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt** (indien deze verplicht is), ongeacht of de uitreiking voor of na het belastbaar feit plaatsvindt (artikelen [17, § 1, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) en [22bis, § 1, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis), van het Btw-Wetboek, zie echter de ontvangst van de betaling hierna).

Het belastbaar feit blijft, niettemin, een wezenlijk element aangezien het toelaat een **vangnet (deadline)** te creëren in geval de verplichtingen niet worden nageleefd.

Indien de factuur niet wordt uitgereikt of te laat werd uitgereikt, wordt de btw opeisbaar op het einde van de facturatietermijn, dit wil zeggen op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbaar feit heeft plaatsgevonden (artikelen [17, § 1, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) en [22bis, § 1, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis), van het Btw-Wetboek).

**De ontvangst van de betaling** is:

• ofwel, indien de facturatie verplicht is, een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de btw, over het ontvangen en nog niet gefactureerde bedrag, in geval van gehele of gedeeltelijke betaling vóór het belastbaar feit ([artikel 17, § 1, derde lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) en [22bis, § 1, derde lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis), van het Btw-Wetboek)

• ofwel een oorzaak van opeisbaarheid die losstaat van het belastbaar feit (incasseringsstelsel):

o voor de klanten natuurlijke personen die voor hun privédoeleinden handelen in het geval waarin de facturatie niet verplicht is ([artikel 17, § 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) en [22bis, § 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis), van het Btw-Wetboek)

o voor de klanten publiekrechtelijke lichamen, belastingplichtig of niet, als bedoeld in [artikel 6 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6), ook al is de factuur in die situaties verplicht ([artikel 17, § 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) en [22bis, § 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis), van het Btw-Wetboek).

Er wordt opgemerkt dat de intracommunautaire leveringen en diensten hun eigen specifieke regels volgen (artikelen [17, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) en [22bis, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis), van het Btw-Wetboek).

##### c. Belang van de datum van opeisbaarheid van de belasting

Van de datum van opeisbaarheid van de belasting hangt af:

• op het vlak van de belasting en de inning:

o de termijn voor facturatie, aangifte van de handeling en betaling van de opeisbare btw

o de verjaringsdatum van de vordering tot voldoening van de verschuldigde belasting.

• op het vlak van de aftrek:

o de datum van het ontstaan van het recht op aftrek van de belastingplichtige koper/ ontvanger

o de datum van het verval (verlies) van het recht op aftrek in geval van laattijdige uitoefening van dat recht.

De wettelijke bepalingen inzake de opeisbaarheid van de btw zijn uitvoerig toegelicht in de [circulaire 2019/C/65 van 09.07.2019 inzake de opeisbaarheid van btw (nr. E.T. 128.969/3).](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2019-c-65-opeisbaarheid-btw-d716)

#### O. Belastbare handelingen en belaste handelingen

**Een belastbare handeling** in de zin van de artikelen [2, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2), [3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3) en [3bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3bis) van het Btw-Wetboek, **is niet noodzakelijk een belaste handeling**.

Een belastbare handeling wordt inderdaad daadwerkelijk belast voor zover geen enkele van de in de artikelen [39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) tot [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek bedoelde vrijstellingen van toepassing is.

#### P. Vrijstelling en plaatsbepaling van de handeling

De toepassing van een vrijstelling met of zonder recht op aftrek (artikelen [39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) tot [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek) veronderstelt dat de handeling belastbaar is in België en dus daar gelokaliseerd is.

#### Q. Belastingplichtige en recht op aftrek

##### a. De aftrek, exclusief recht van de belastingplichtige

De aftrekregeling heeft tot doel de belastingplichtige volledig te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw.

De regeling waarborgt derhalve een volstrekt neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, mits die activiteiten op zich aan de btw zijn onderworpen (zie, in het bijzonder ,Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Abbey National plc, zaak [C-408/98](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-408-98-arrest), van 22.02.2001, punt 24).

De belastingplichtige brengt in aftrek de btw geheven van de ontvangen goederen en diensten (inkomende handelingen) die hij **bestemt** voor het verrichten van uitgaande handelingen bestaande in, met name, leveringen van goederen of diensten:

• die worden belast ([artikel 45, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45))

• of die in België zijn vrijgesteld krachtens de artikelen [39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) tot [42](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-42) van het Btw-Wetboek, bijvoorbeeld handelingen met betrekking tot de uitvoer ([artikel 45, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45))

• of handelingen die in het buitenland worden verricht maar waarvoor een recht op aftrek zou ontstaan indien ze in België zouden plaatsvinden ([artikel 45, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)).

**Ook al is het recht op aftrek voorbehouden aan personen met de hoedanigheid van belastingplichtige, kunnen niet alle belastingplichtigen dit recht genieten. Bovendien hebben bepaalde belastingplichtigen slechts een gedeeltelijk recht op aftrek.**

##### b. De volledige belastingplichtige

De volledige belastingplichtige beschikt over een volledig recht op aftrek, onder voorbehoud van de beperkingen en de uitsluitingen van [artikel 45, §§ 2 en 3, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45).

##### c. De ‘vrijgestelde’ belastingplichtige

De belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) die geen recht op aftrek verlenen, geniet dit recht uiteraard niet (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), Afdeling 2, titel 2’)

##### d. De gemengde belastingplichtige

Deze persoon heeft de hoedanigheid van belastingplichtige voor het geheel van zijn activiteiten. Desalniettemin realiseert hij binnen de toepassingssfeer van de btw een of meer activiteiten waaronder handelingen die recht op aftrek verlenen en handelingen die door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) zijn vrijgesteld van de btw en geen recht op aftrek verlenen.

De omvang van het recht op aftrek wordt geregeld door [artikel 46 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46) dat onderscheid maakt tussen de methode van het algemeen verhoudingsgetal (in § 1 van dit artikel) en die van het werkelijk gebruik (in § 2 van dit artikel); (zie voor dit onderwerp ‘Boekwerk III: Recht op aftrek van de voorbelasting – Hoofdstuk 11: Recht op aftrek, Afdeling 15’).

##### e. De gedeeltelijke belastingplichtige

Deze persoon handelt gedeeltelijk als belastingplichtige en gedeeltelijk als niet-belastingplichtige. Deze persoon verricht immers tegelijk handelingen die bedoeld zijn in het Btw-Wetboek (binnen de toepassingssfeer van de btw) en handelingen die niet bedoeld zijn (handelingen buiten de toepassingssfeer). Gelijktijdig met de economische activiteit binnen de toepassingssfeer van de btw, verricht hij dus ook handelingen die er buiten vallen.

De omvang van zijn recht op aftrek wordt beperkt door [artikel 45, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) (zie ‘Boekwerk III: Recht op aftrek van de voorbelasting – Hoofdstuk 11: Recht op aftrek, Afdeling 16’).

##### f. De belastingplichtige onderworpen aan een bijzondere regeling

• zonder recht op aftrek:

o de kleine ondernemingen onderworpen aan de vrijstellingsregeling van de belasting ([artikel 56bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56bis)), (zie ‘Boekwerk V: Bijzondere regelingen – Hoofdstuk 15: Bijzondere regelingen, Afdeling 4, titel 7’)

o de landbouwondernemers onderworpen aan de bijzondere regeling die op hen toepasbaar is ([artikel 57 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-57)), (zie ‘Boekwerk V: Bijzondere regelingen – Hoofdstuk 15: Bijzondere regelingen, Afdeling 5, titel 9’).

• met een beperkt recht op aftrek wegens de beperking van de belastingheffing over de winstmarge:

o de reisbureaus (zie titel 10, rubriek C, van deze afdeling)

o de kopers-wederverkopers van tweedehandsgoederen, kunstvoorwerpen, verzamelobjecten of antiek ([artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58); zie ‘Boekwerk V: Bijzondere regelingen – Hoofdstuk 15: Bijzondere regelingen, Afdeling 6)

##### g. De toevallige belastingplichtige

Ongeacht of de belastingplichtige beoogd wordt door artikel 8 of [artikel 8bis, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis), is het recht op aftrek van deze belastingplichtige beperkt.

#### R. Opeisbaarheid van de btw en recht op aftrek

Om te kunnen worden afgetrokken moet de btw wettelijk verschuldigd zijn. De uitoefening van het recht op aftrek strekt zich niet uit tot de belasting die uitsluitend is verschuldigd op grond van de vermelding ervan op de factuur, op grond van [artikel 53, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Genius Holding BV, zaak [C-342/87](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-342-87-arrest), van 13.12.1989, punt 19).

#### S. Tijdstip van opeisbaarheid van de belasting en ontstaan van het recht op aftrek

Op het tijdstip zelf waarop de btw opeisbaar wordt in hoofde van de schuldenaar van de btw, ontstaat het recht op aftrek bij de belastingplichtige verkrijger/ontvanger ([artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art2) van 10.12.1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde).

#### T. Vrijstelling en recht op aftrek

Geen enkele vrijstelling ontneemt de hoedanigheid van belastingplichtige. Er moet nochtans onderscheid worden gemaakt tussen:

• de vrijstellingen met recht op aftrek

• de vrijstellingen zonder recht op aftrek.

##### a. Vrijstellingen met recht op aftrek

De vrijstellingen die de belastingplichtige het recht geven een recht op aftrek van voorbelasting uit te oefenen, hebben hoofdzakelijk de belastingheffing op de plaats van verbruik tot doel, door toepassing van het bestemmingsbeginsel.

De **vrijstellingen** in verband met de **intracommunautaire leveringen** van goederen ([artikel 39bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis)) en de **export** (onder andere, [artikel 39 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39)) houden zo **het recht op aftrek intact** in hoofde van de leverancier. De combinatie van de vrijstelling en het recht op aftrek maakt in die situaties de **volledige ontlasting** van het goed mogelijk.

##### b. Vrijstellingen zonder recht op aftrek

De in [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) **bedoelde vrijstellingen** **verlenen**, over het algemeen, **geen** **recht op aftrek** van de voorbelasting**.**

Het gaat om handelingen ‘zonder recht op aftrek’. Deze precisering is nuttig omdat enkele door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) bepaalde vrijstellingen dat recht handhaven, bijvoorbeeld bepaalde vrijstellingen inzake financiële diensten en verzekeringsdiensten, zoals de kredietverzekering in geval van uitvoer (zie [artikel 45, § 1, 4° en 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)) (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), Afdeling 2, titel 2’).

##### c. Interacties tussen de vrijstellingen

De specifieke **vrijstellingen** bedoeld in [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) **hebben voorrang op de** algemene **vrijstelling wegens intracommunautaire levering** (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Eurodental Sàrl, zaak [C-240/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-240-05-arrest), van 07.12.2006, punten 43 en 44).

Bijgevolg kan een in het binnenland op grond van [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) **van de btw** **vrijgestelde handeling** in principe **geen recht op aftrek doen** **ontstaan** **zelfs** indien het om een **intracommunautaire levering** gaat.

**Niettemin** is [artikel 39bis, eerste lid, 1° of 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) van toepassing op de **toevallige intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel**.

De in die situatie toepasselijke **bijzondere regeling** **maakt het de belastingplichtige, die het goed uitsluitend in het kader van een door** [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) **vrijgestelde activiteit heeft gebruikt**, mogelijk **een (beperkt) recht op aftrek te bekomen** met betrekking tot het nieuwe vervoermiddel ([artikel 45, § 1bis, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)).

In een **vergelijkbaar geval** bij de **uitvoer** zal de betrokken belastingplichtige, om de vrijstelling te genieten, de toepassing inroepen van [artikel 44, § 2, 13°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) en niet van [artikel 39 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39), ten aanzien van de voor voornoemde doeleinden gebruikte goederen, indien voor die goederen geen recht op aftrek werd uitgeoefend.

##### d. Verplichte en optionele vrijstellingen

Het merendeel van de vrijstellingen zijn verplicht. Er zijn echter in bepaalde gevallen **facultatieve vrijstellingen** voorzien waar het dus **mogelijk** is om onder bepaalde voorwaarden te **opteren voor de belastingheffing** (om een recht op aftrek te doen ontstaan).

Deze situaties zijn beoogd in:

• [artikel 44, § 3, 1°, a), tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) (levering van (gedeelten van) nieuwe gebouwen en het bijhorende terrein)

• [artikel 44, § 3, 1°, b), tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) (de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten, in de zin van [artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9), op (gedeelten van) nieuwe gebouwen en het bijhorende terrein)

• [artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) (de verhuur van (autonome gedeelten) van gebouwen en in voorkomend geval, het bijhorend terrein)

• [artikel 44, § 3, 8°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) (betalings- en ontvangstverrichtingen); (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), Afdeling 29’)

• artikel 44*bis*, § 1, tweede en derde lid en § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek (beleggingsgoud); (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 10: Vrijstelling beoogd door [artikel 44bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis), Afdeling 4’).

De facultatieve vrijstellingen veronderstellen in de aangegeven volgorde:

• **een in België belastbare handeling** (bijvoorbeeld het genot, dat geacht wordt in België plaats te vinden, van een goed tegen betaling van een huurprijs)

• **een vrijgestelde handeling zonder recht op aftrek** (bijvoorbeeld de onroerende verhuur)

• **een optie voor de belastingheffing** (bijvoorbeeld de verhuur van een industriële hall, onder bepaalde voorwaarden, met name de gezamenlijke aanvraag door de verhuurder en de huurder, overeenkomstig [artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)).

\[Top\]

### 10. Definities vermeld in [artikel 1, §§ 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) tot [20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20), van het Btw-Wetboek

#### A. Intracommunautair vervoer van goederen

[Artikel 1, § 6, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt: ‘*Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :*

*1°* *″ intracommunautair goederenvervoer″ : vervoer van goederen waarvan de plaats van vertrek en de plaats van aankomst op het grondgebied van twee verschillende lidstaten zijn gelegen ;*

*2°* *“ plaats van vertrek “ : de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk begint ;*

*3°* *“ plaats van aankomst “ : de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk eindigt ;*

*4°* *(…)’.*

De plaats van het intracommunautair goederenvervoer zoals hiervoor wettelijk gedefinieerd, verricht voor een niet in [artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) (B2C-context) bedoelde persoon, wordt geacht plaats te vinden op de plaats van vertrek van het vervoer, op grond van [artikel 21bis, § 2, 4°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21bis) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 8, titel 4, rubriek B’).

#### B. Accijnsproducten

[Artikel 1, § 6, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt: ‘*Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :*

*1°* *(…);*

*2°* *(…);*

*3°* *(…);*

*4°* *″accijnsproducten″ : energieproducten, alcohol en alcoholhoudende dranken en tabaksfabrikaten, zoals omschreven in de vigerende communautaire bepalingen, met uitzondering van gas dat geleverd wordt via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of eender welk op een dergelijk systeem aangesloten net’.*

De intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten volgen bijzondere regels:

• wat de voorwaarden voor de belastingheffing betreft: uitsluiting van het voordeel van de afwijkende belastingregeling voorzien in [artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter)

• wat de opeisbaarheid van de belasting betreft: invoering van een vereenvoudigingsregeling die toelaat de verschuldigde belasting tegelijk met de accijns of de controleretributie, die op hetzelfde tijdstip opeisbaar zijn, te betalen ([artikel 58, § 1bis, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) ; [koninklijk besluit nr. 51, van 14.04.1993, met betrekking tot de vereenvoudigingsregeling voor intracommunautaire verwerving van accijnsproducten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-51-april-betrekking-vereenvoudigingsregeling-intracommunautaire-97b0)); zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, afdeling 4, titel 4, rubriek B’).

De regels inzake verkopen op afstand van accijnsgoederen zijn van toepassing zonder rekening te houden met een drempelvoorwaarde ([artikel 15, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15)); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 8, titel 2, rubriek C’ en ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 7, titel 3, rubriek E en titel 4, rubriek E’).

Voor de regels betreffende het intracommunautair verkeer van accijnsproducten, zie [circulaire 2021/C/73 van 02.08.2021 betreffende het intracommunautair verkeer van accijnsproducten vanuit andere lidstaten naar België](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-73-intracommunautair-verkeer-accijnsproducten-vanuit-andere-52b5) (nr. E.T. 137.563).

#### C. Reisbureaus

[Artikel 1, § 7, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt:

*‘Voor de toepassing van dit Wetboek dient te worden verstaan onder :*

*1°* *”reizen ": de gehelen van samenhangende prestaties van vervoer, logies, spijs en drank om ter plaatse te worden verbruikt, ontspanning of dergelijke, verblijven tegen een vaste som welke inzonderheid logies omvatten, toeristische rondreizen, alsook het uitvoeren van één of meerdere prestaties die deel uit maken van die gehelen \[…\];*

*2°* *"reisbureau": elke belastingplichtige die in eigen naam reizen, beoogd in 1°, verkoopt, waarvoor hij gebruik maakt van door andere belastingplichtigen aan hem verstrekte goederen en diensten.*

*Als reisbureau wordt derhalve niet aangemerkt voor de toepassing van dit Wetboek, eenieder die handelt als volgt:*

*1°* *hij die, in eigen naam, reizen bedoeld in het eerste lid, 1°, verkoopt en die zelf rechtstreeks met eigen middelen de uitvoering ervan verzekert;*

*2°* *hij die in de hoedanigheid van tussenpersoon bemiddelt in de verkoop van reizen beoogd in het eerste lid, 1°.’*

[Artikel 18, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) voorziet het volgende: *‘Als een dienst wordt, voor het geheel, bovendien beschouwd, de uitvoering door een reisbureau in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, van prestaties die deel uit maken van of horen bij een reis beoogd in artikel 1, § 7, eerste lid, 1°, en welke dit reisbureau aan de afnemer levert’.*

De prestaties van reisbureaus zoals hiervoor gedefinieerd wijken af van de voor de normale regeling geldende regels op het vlak van:

• het commissionairsprincipe dat wordt uitgesloten ([artikel 20, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20)) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 7, titel 4’)

• de plaatsbepaling van de diensten ([artikel 21ter van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21ter)); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 8, titel 3, rubriek G’)

• de bepaling van de maatstaf van heffing, die wordt beperkt tot de winstmarge ([artikel 29, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-29))

• de invoering van een forfaitaire maatstaf van heffing van de btw, op de winstmarge van reisbureaus ([artikel 35, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-35) en [koninklijk besluit nr.35, van 28.12.1999, tot invoering van een forfaitaire maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde op de winstmarge van reisbureaus](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-35-december-invoering-forfaitaire-maatstaf-heffing-f6d2)); (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 6: Maatstaf van heffing van de belasting, Afdeling 7’)

• de vrijstelling van de btw ([artikel 41, § 2, a) en § 2bis, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-41))

• de omvang van het recht op aftrek ([artikel 45, § 4, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)).

De reisbureauregeling wordt besproken in de [circulaire 2020/C/44 van 23.03.2020 betreffende de bijzondere reisbureauregeling en de btw-regeling voor reishandelingen waarop de bijzondere reisbureauregeling niet toepasselijk is (nr. E.T. 135.877](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2020-c-44-bijzondere-reisbureauregeling-btw-regeling-reishandelingen-aa9e)) en in het addendum bij deze circulaire ([circulaire 2021/C/7 van 20.01.2021 betreffende de bijzondere reisbureauregeling en de btw-regeling voor reishandelingen waarop de bijzondere reisbureauregeling niet toepasselijk is (nr. E.T. 137.843](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-7-bijzondere-reisbureauregeling-btw-regeling-reishandelingen-b526))) die de datum van inwerkingtreding verschuift naar 01.01.2022.

#### D. Beleggingsgoud

[Artikel 1, § 8, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt:

*‘Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder “beleggingsgoud“ :*

*1° goud, in de vorm van staven of plaatjes van een door de goudmarkten aanvaard gewicht, met een zuiverheid van ten minste 995 duizendsten, al dan niet belichaamd in certificaten.*

*De kleine staven of plaatjes met een gewicht van ten hoogste 1 gram worden evenwel niet aangemerkt als beleggingsgoud.*

*2°* *gouden munten die :*

*-* *een zuiverheid van ten minste 900 duizendsten hebben,*

*-* *na 1800 zijn geslagen,*

*-* *in het land van oorsprong als wettig betaalmiddel fungeren of hebben gefungeerd, en*

*-* *normaliter verkocht worden voor een prijs die de openmarktwaarde van het in de munten vervatte goud niet met meer dan 80 % overschrijdt.*

*Dergelijke munten worden geacht niet verkocht te zijn wegens hun numismatisch belang’.*

De bijzondere regels met betrekking tot het beleggingsgoud zijn opgenomen in de artikelen:

• 44bis van het Btw-Wetboek: vrijstelling met mogelijke optie voor de belastingheffing (zie ’Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 10: Vrijstelling beoogd door [artikel 44bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis), Afdeling 4’)

• 45, § 1ter en § 1quater, van het Btw-Wetboek, met betrekking tot het recht op aftrek van de btw.

• 1, 12°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, betreffende de facturatieverplichting

• 20bis, van het koninklijk besluit nr.1, voornoemd, met betrekking tot de verlegging van heffing.

#### E. Gebouw en bijhorend terrein

[Artikel 1, § 9, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt: ‘*Voor de toepassing van dit Wetboek dient te worden verstaan :*

*1°* *onder gebouw of een gedeelte van een gebouw, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden ;*

*2°* *onder bijhorend terrein, het terrein waarvoor de toelating werd verkregen om er op te bouwen en dat door éénzelfde persoon wordt overgedragen tegelijk met het gebouw waartoe het behoort.*

*Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing op artikel 44, § 3, 2°, d)*’.

De optie voor het belasten van de levering van gebouwen of van gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein moet betrekking hebben op de gebouwen of gedeelten van gebouwen en, onlosmakelijk daarmee verbonden, het erbij horend terrein (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Brigitte Breitsohl, zaak [C-400/98](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-400-98-arrest), van 08.06.2000, punten 51 en 52).

Wat de optie voor het belasten van de onroerende verhuur betreft, wordt het bijhorende terrein bepaald in [artikel 44, § 3, 2°, d), vierde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44): ‘*Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder "bijhorend terrein", het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het gebouw of het gedeelte van het gebouw is opgericht en dat of die tegelijk met dat gebouw of gedeelte van dat gebouw door éénzelfde persoon wordt of worden verhuurd’.*

Het begrip ‘gebouw’ of ‘gedeelte van een gebouw’ en dat van het ‘bijhorende terrein’ komt voor:

• bij de leveringen van goederen, in het kader van:

o de hoedanigheid van toevallige belastingplichtige, in hoofde van diegene die een toevallige levering van een nieuw gebouw of een toevallige vestiging, overdracht of wederoverdracht van bepaalde zakelijke rechten op een nieuw gebouw verricht ([artikel 8 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) en koninklijk besluit nr. 14, van 03.06.1970, met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van [artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) op zulke goederen); (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, afdeling 7, titel 1’)

o de bepaling van de maatstaf van heffing bij de vervreemding voor een niet gesplitste prijs van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijhorende terrein met voldoening van de belasting samen met een andere grond dan het bijhorende terrein ([artikel 30 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-30))

o het bestaan van een minimum maatstaf van heffing (de normale waarde) bij de vervreemding van goederen bedoeld in [artikel 1, § 9, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) met voldoening van de btw ([artikel 36, § 1, a), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-36)); (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 6: Maatstaf van heffing van de belasting, Afdeling 5, titel 3, rubriek A’)

o de vrijstelling (en de uitzonderingen op die vrijstelling) van de leveringen van onroerende goederen ([artikel 44, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)); (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), Afdeling 22’), (zie ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 1, titel 2, rubrieken C en D’).

• bij de diensten, in het kader van:

o werken in onroerende staat met betrekking tot op te richten gebouwen, rekening houdend met een minimum maatstaf van heffing (normale waarde), ([artikel 36, § 1, b), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-36)); (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 6: Maatstaf van heffing van de belasting, Afdeling 5, titel 3, rubriek B’)

o de onroerende financieringshuur ([artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) en [koninklijk besluit nr. 30, van 29.12.1992 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a))

o de onroerende verhuur waarvoor de verhuurder en huurder gezamenlijk opteren om die te belasten ([artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)); (zie ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2, titel 4, rubriek F’).

#### F. Misbruik

[Artikel 1, § 10, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt: ‘*Voor de toepassing van dit Wetboek is er sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben’*.

##### a. Het begrip misbruik

De hiervoor weergegeven wettelijke definitie vindt zijn oorsprong in de Europese rechtspraak, volgens dewelke de vaststelling van het bestaan van een **misbruik** vereist dat:

• de verrichte **handelingen**, ondanks de formele toepassing van de voorwaarden voorzien in de relevante bepalingen van de Europese richtlijn en de nationale wetgeving die deze richtlijn omzet, **resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel** waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling van die wettelijke bepalingen

• uit een geheel van objectieve elementen blijkt dat die verrichte **handelingen** **in wezen het verkrijgen van dit fiscaal voordeel tot doel hebben** (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Halifax plc, zaak [C-255/02](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-02-arrest), van 21.02.2006, punten 74 en 75).

##### b. Basisprincipe

De aard van een handeling op btw-vlak is, in principe, afhankelijk van het objectief karakter ervan, onafhankelijk van de wil van de partijen.

[Artikel 1, § 10, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) doet op zich geen afbreuk aan het beginsel van de keuze van de minst belaste weg, maar stelt wel grenzen aan dat principe ([circulaire AFZ nr. 14/2006, van 24.08.2006, nummer 14](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/14-2006-afz-enquete-banque-abus-326d)).

Bovendien is een belastingplichtige in de regel vrij om die organisatorische structuren en die voorwaarden van een transactie te kiezen welke hem het meest geschikt lijken om zijn economische activiteiten uit te oefenen en om de op hem rustende belastingdruk te verlichten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest The Commissioners for Her Majesty’s Revenu & Customs, zaak [C-277/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-277-09-arrest), van 22.12.2010, punt 53).

##### c. Voorwaarden voor het bestaan van een misbruik

Twee voorwaarden moeten cumulatief zijn vervuld om het bestaan van een misbruik vast te stellen bij handelingen die door een belastingplichtige worden verricht en die zijn recht op aftrek rechtvaardigen ([circulaire AFZ nr. 14/2006, van 24.08.2006, nummer 12](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/14-2006-afz-enquete-banque-abus-326d)):

• op het vlak van het verkregen resultaat: de betreffende handelingen, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de desbetreffende wettelijke bepalingen, leiden ertoe dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend. Met andere woorden, de ondernemer moet de wil van de wetgever respecteren, wat niet het geval is als hij schijnbaar de voorwaarden van de rechtsnorm naleeft doch een resultaat nastreeft en behaalt dat indruist tegen de strekking van die norm

• op het vlak van het nagestreefde doel: het wezenlijke doel van de betrokken verrichtingen bestaat erin een belastingvoordeel te verkrijgen, of, anders gezegd, dat het doel van de handeling in werkelijkheid niet anders kan worden verklaard dan dat het gaat om het creëren van een recht om op onrechtmatige wijze een voordeel te bekomen. De vaststelling van het misbruik is gebaseerd op een geheel van objectieve factoren.

Binnen de Europese rechtspraak wordt aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldaan bij volstrekt kunstmatige constructies die geen verband houden met de economische realiteit en alleen bedoeld zijn om een fiscaal voordeel te verkrijgen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Tanoarch s.r.o., zaak [C-504/10](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-504-10-arrest), van 27.10.2011, punt 51).

De Europese rechtspraak heeft meermaals het verbod op dergelijke constructies bevestigd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Paul Newey, handelend onder de handelsnaam Ocean Finance, zaak [C-653/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-653-11-arrest), van 20.06.2013, punten 45 en 46).

##### d. Bewijs van het bestaan van een misbruik

[Artikel 59, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) laat de administratie toe om elke overtreding of elk misbruik te bewijzen.

Het vaststellen van misbruik berust op objectieve en door derden controleerbare elementen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest W.K., zaak [C-419/14](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-419-14-arrest), van 17.12.2015, punten 44 en 45).

##### e. Gevolgen van de vaststelling van een misbruik

In de gevallen van misbruik is de belastingplichtige verplicht de in aftrek gebrachte belasting terug te betalen ([artikel 79, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-79)).

Bovendien moeten de in het kader van een misbruik verrichte transacties zo worden geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Halifax plc, zaak [C-255/02](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-02-arrest), van 21.02.2006, punt 98).

#### G. Leveringen en restaurant- en cateringdiensten verricht aan boord van schepen, vliegtuigen of treinen bij passagiersvervoer in de Gemeenschap

[Artikel 1, § 11, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt: ‘*Voor de toepassing van de artikelen 14, § 4, 21, § 3, 6° en 21bis, § 2, 8°, wordt beschouwd als:*

*1°* *″ in de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer″ : het gedeelte van een vervoer dat, zonder tussenstop buiten de Gemeenschap, plaatsvindt tussen de plaats van vertrek en de plaats van aankomst van het passagiersvervoer;*

*2°* *″ plaats van vertrek van een passagiersvervoer″ : het eerste punt in de Gemeenschap waar passagiers aan boord kunnen komen, eventueel na een tussenstop buiten de Gemeenschap;*

*3°* *″ plaats van aankomst van een passagiersvervoer″ : het laatste punt in de Gemeenschap waar passagiers die binnen de Gemeenschap aan boord zijn gekomen van boord kunnen gaan, eventueel vóór een tussenstop buiten de Gemeenschap.*

*Ingeval het een heen- en terugreis betreft, wordt de terugreis als een afzonderlijk vervoer beschouwd’.*

De plaatsbepaling van de handelingen aan boord van schepen, vliegtuigen of treinen en tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van het vervoer wordt bepaald:

• wanneer het leveringen van goederen betreft, in [artikel 14, § 4, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 8, titel 3, rubriek A’),

• wanneer het restaurant- en cateringdiensten betreft die materieel worden verricht aan boord van de hiervoor genoemde vervoermiddelen:

o in de B2B context, in [artikel 21, § 3, 6°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21)

o in de B2C context, in [artikel 21bis, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21bis) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 8, titel 3, rubriek F’).

#### H. Belastbaar feit en opeisbaarheid van de belasting

[Artikel 1, § 12, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt: ‘*Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :*

*1°* *″ belastbare feit″ : het feit waardoor de wettelijke voorwaarden worden vervuld die vereist zijn voor het opeisbaar worden van de belasting ;*

*2°* *″ opeisbaarheid van belasting″ : het recht dat de Schatkist heeft om krachtens de wet de belasting vanaf een bepaald tijdstip te vorderen van de persoon die de belasting moet voldoen, ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld’*.

**De btw-schuld ontstaat van rechtswege** (automatisch) door het uitvoeren van elk van de vier belastbare handelingen (zie niettemin de verplichte en optionele vrijstellingen in titel 9, rubriek T, subrubriek d, van deze afdeling).

##### a. Met betrekking tot leveringen van goederen

• Principe: samenvallen van het belastbaar feit en de opeisbaarheid van de belasting ([artikel 16, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-16)) maar in de praktijk zijn onderstaande afwijkingen in de meeste gevallen van toepassing

• Afwijkingen met betrekking tot het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting: op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt of de betaling wordt ontvangen ([artikel 17, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17)).

Voor intracommunautaire leveringen gelden andere regels ([artikel 17, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17)). (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 9’).

##### b. Met betrekking tot diensten

• Principe: samenvallen van het belastbaar feit en de opeisbaarheid van de belasting ([artikel 22, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22)) maar in de praktijk zijn onderstaande afwijkingen in de meeste gevallen van toepassing

• Afwijkingen met betrekking tot het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting: op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt of de betaling wordt ontvangen ([artikel 22bis, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis)).

Voor intracommunautaire diensten gelden andere regels ([artikel 22bis, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis)). (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 9’).

##### c. Met betrekking tot de invoer van goederen

• Principe: samenvallen van het belastbaar feit en de opeisbaarheid van de belasting ([artikel 24, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-24))

• Afwijking met betrekking tot het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting: op het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld ([artikel 24, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-24), zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 4: Invoer, Afdeling 5’).

##### d. Met betrekking tot intracommunautaire verwervingen van goederen

• De datum waarop het belastbaar feit zich voordoet wordt bepaald in [artikel 25sexies, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25sexies): op het tijdstip waarop de intracommunautaire verwerving van goederen wordt verricht.

• Het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting wordt bepaald in [artikel 25sexies, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25sexies): bij het uitreiken van de factuur (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 5: Intracommunautaire verwervingen, Afdeling 6, titel 2’).

## I. Factuur en elektronische factuur

[Artikel 1, § 13, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt:

‘*Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :*

*1°* *″ factuur″ : elk document of bericht op papier of in elektronisch formaat dat voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in het Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten ;*

*2°* *″ elektronische factuur″ : een factuur die de in het Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten voorgeschreven gegevens bevat en in om het even welke elektronische vorm wordt uitgereikt en ontvangen’.*

Om een factuur als een elektronische factuur te kunnen beschouwen moet deze niet alleen elektronisch worden uitgereikt, maar ook in elektronische vorm worden ontvangen. Het gebruik van een elektronische factuur is onder voorbehoud van aanvaarding door de medecontractant.

In artikel 218 van de Richtlijn 2010/45/EU, voornoemd is het beginsel van **gelijkwaardigheid** tussen elektronische en ‘papieren’ facturen vastgelegd.

In de gevallen waarin ze verplicht moet worden uitgereikt is de uitreiking van de factuur een oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, zoals vermeld:

• voor de leveringen van goederen, in [artikel 17, § 1, eerste lid en § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 9, titel 3, rubriek B’)

• voor de diensten, in [artikel 22bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 9’).

De gevallen waarin de uitreiking van een factuur verplicht is, worden opgesomd in:

• [artikel 53, § 2, eerste lid van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)

• [artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5), voornoemd (zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van belasting, Afdeling 4, titel 3’).

#### J. Kans- en geldspelen en loterijen

[Artikel 1, § 14, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1), dat de begrippen kans-, geldspelen en loterijen definieert, is opgeheven als gevolg van het Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 van 22.03.2018 (BS 22.05.2018). Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen.

Sinds 22.05.2018 zijn de kans- en geldspelen gedefinieerd in [artikel 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-45-april-betrekking-vrijstelling-stuk-belasting-9a36#ar45-art1), van het [koninklijk besluit nr. 45 van 14 april 1993, met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de kans- en geldspelen](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-45-april-betrekking-vrijstelling-stuk-belasting-9a36), ter uitvoering van [artikel 44, § 3, 13°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) (zie [circulaire 2018/C/99 van 20.07.2018 betreffende de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 van 22.03.2018 (nr. E.T. 133.771](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2018-c-99-gevolgen-arrest-grondwettelijk-hof-exoneration-3c44))) (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), Afdeling 34’).

#### K. Vouchers, voucher voor enkelvoudig gebruik of voucher voor meervoudig gebruik

[Artikel 1, § 15, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) bepaalt:

*‘Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder:*

*1°"voucher": een instrument ten aanzien waarvan de verplichting bestaat dat instrument als tegenprestatie of gedeeltelijke tegenprestatie voor leveringen van goederen of diensten te aanvaarden en waarbij de te verrichten leveringen van goederen of diensten, of de identiteit van de potentiële verrichters ervan, vermeld staan op het instrument zelf of in de bijhorende documentatie, inclusief de voorwaarden voor het gebruik van het instrument;*

*2°"voucher voor enkelvoudig gebruik": een voucher waarbij de plaats van de levering van goederen of de dienst waarop de voucher betrekking heeft, alsmede het bedrag van de over die leveringen of diensten verschuldigde belasting, bekend zijn op het tijdstip van uitgifte van de voucher;*

*3°"voucher voor meervoudig gebruik": alle vouchers, uitgezonderd vouchers voor enkelvoudig gebruik.’*

Voor handelingen in verband met vouchers is het nuttig de volgende artikelen te raadplegen:

• 22*ter*, § 1, van het Btw-Wetboek, voor het onderwerpen aan de btw van handelingen met betrekking tot vouchers voor enkelvoudig gebruik

• 22*ter*, § 2, van het Btw-Wetboek, voor het onderwerpen aan de btw van handelingen met betrekking tot vouchers voor meervoudig gebruik

• 26, § 2, van het Btw-Wetboek, voor de bepaling van de maatstaf van heffing van handelingen met betrekking tot vouchers voor meervoudig gebruik.

De hiervoor geciteerde wettelijke bepalingen worden toegepast voor vouchers uitgegeven sinds 01.01.2019. De [circulaire 2018/C/127 van 07.12.2018 betreffende de btw-behandeling van vouchers](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2018-c-127-btw-behandeling-vouchers-base-imposition-ee66) met een FAQ werd vervangen door de [circulaire 2020/C/121 van 18.09.2020 betreffende de btw-behandeling van vouchers (nr. E.T. 135.111).](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2020-c-121-btw-behandeling-vouchers-bon-service-693b)

#### L. Aangetekende zending, eBox en geavanceerd elektronisch zegel

Volgens artikel 47 van de Wet van 26.01.2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten (BS, 10.02.2021, blz. 12719), wordt [artikel 1 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) aangevuld met de paragrafen 16 tot 18, luidend:

*‘§ 16. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde of van de tot uitvoering ervan genomen besluiten, wordt verstaan onder "aangetekende zending": de brief, al dan niet met een ontvangstbevestiging, neergelegd bij de aanbieder van de universele postdienst of een aanbieder van postdiensten en al dan niet elektronisch verzonden door deze laatste aan een vooraf vastgestelde bestemmeling, die een juridische waarde heeft daar zij toelaat het bewijs te bekomen van de datum van verzending en de ontvangst ervan door de bestemmeling;*

*§ 17. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde of van de tot uitvoering ervan genomen besluiten, wordt verstaan onder "eBox": de dienst aangeboden aan de natuurlijke personen door de Federale Overheidsdienst bevoegd voor Digitale Agenda en aan de houders van een ondernemingsnummer aangeboden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ingesteld door de wet van 27 februari 2019 inzake elektronische uitwisseling van berichten door middel van de eBox, die de bestemmelingen toelaat om elektronische berichten uit te wisselen met de Federale Overheidsdienst Financiën;*

*§ 18. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten, wordt verstaan onder "geavanceerd elektronisch zegel": elektronisch zegel in de zin van artikel 36 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG.*’

Deze paragrafen 16 tot 18 zullen, in principe, in [artikel 1 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) worden ingevoegd met ingang van 01.01.2025. De Koning kan een vroegere inwerkingtreding vastleggen (artikel 219, tweede lid, van voornoemde wet).

Deze begrippen komen voor in het hoofdstuk Xbis dat op hetzelfde tijdstip in het Btw-Wetboek wordt ingevoegd met als titel ‘Dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de belastingplichtigen, de niet-belastingplichtige rechtspersonen en de niet-belastingplichtige natuurlijke personen‘ (artikelen [69bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-69bis) tot [69octies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-69octies) van het Btw-Wetboek).

#### M. Intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen

Volgens artikel 3 van de Wet van 02.04.2021 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten (BS, 13.4.2021, blz. 32957), wordt [artikel 1 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) aangevuld met de paragrafen 19 en 20, luidende:

*‘§ 19. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder "intracommunautaire afstandsverkopen van goederen": de leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, ook wanneer de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen, vanuit een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:*

*1°* *de levering van goederen wordt verricht voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon van wie de intracommunautaire verwervingen van goederen krachtens* [*artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-3) *niet aan de belasting zijn onderworpen, of voor enige andere niet-belastingplichtige;*

*2°* *de geleverde goederen zijn geen nieuwe vervoermiddelen bedoeld in artikel 8bis, § 2, noch goederen, geleverd na montage of installatie, door of voor rekening van de leverancier, met of zonder beproeven van de geïnstalleerde of gemonteerde goederen.*

*§ 20. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder "afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen": de leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, met inbegrip van gevallen waarin de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen, van uit een derdelandsgebied of een derde land naar een afnemer in een lidstaat, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:*

*1°* *de levering van goederen wordt verricht voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon van wie de intracommunautaire verwervingen van goederen krachtens* [*artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-3) *niet aan de btw zijn onderworpen, of voor enige andere niet-belastingplichtige;*

*2°* *de geleverde goederen zijn geen nieuwe vervoermiddelen bedoeld in artikel 8bis, § 2, noch goederen, geleverd na montage of installatie, door of voor rekening van de leverancier, met of zonder beproeven van de geïnstalleerde of gemonteerde goederen.*’

Deze paragrafen 19 en 20 worden in [artikel 1 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) ingevoegd vanaf **01.07.2021**.

De intracommunautaire afstandsverkopen van goederen maken het voorwerp uit van het nieuwe [artikel 15 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) dat vanaf die datum van kracht is, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°.

De afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen vinden plaats in België in de situaties bedoeld in dit [artikel 15, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15). Ze maken het voorwerp uit van onderafdeling 4 die op voormelde datum in afdeling 4, van hoofdstuk IX, van het Btw-Wetboek werd ingevoegd met als titel ‘Bijzondere regeling van toepassing op afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen’ ([artikel 58quinquies van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58quinquies)).

De afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen en de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen worden besproken in de [circulaire 2021/C/72 van 27.07.2021 betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende e-commerceactiviteiten tussen ondernemingen en consumenten (B2C relatie) (nr. E.T. 138.049](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-72-btw-regeling-grensoverschrijdende-commerceactiviteiten-tussen-fe15)), nummers 4 en 5.

\[Top\]

### 11. Overzicht van de belangrijkste bepalingen met betrekking tot de vier belastbare handelingen: verwijzingen naar de artikelen van het Btw-Wetboek

| Voorwaarden voor het heffen van de belasting | Levering van goederen | Diensten |  | Invoer van goederen | Intracommunautaire verwerving van goederen |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
|  | Artikel 2, eerste lid (19) | Artikel 2, eerste lid (19) |  | Artikel 3 | Artikel 3bis |
| Definitie | Artikel 10 | Artikel 18 |  | Artikel 23, § 1 | Artikel 25bis |
| Gelijkstelling of niet-gelijkstelling | Artikel 12 Artikel 12bis Artikel 12ter | Artikel 19 |  | / | Artikel 25quater |
| Plaats- bepaling | Artikel 14 Artikel 14bis (aardgas via een netwerk…) Artikel 15 (verkopen op afstand) | Artikel 21 (belastingplichtige afnemer of gelijkgesteld - ‘B to B’) Artikel 21bis (niet belastingplichtige afnemer - ‘B to C’) Artikel 21ter (reisbureaus) |  | Artikel 23, §§ 2 tot 5 | Artikel 25quinquies |
| Belastbaar feit | Artikel 16 | Artikel 22 |  | Artikel 24, § 1 | Artikel 25sexies, § 1 |
| Opeisbaar-heid van de belasting | Artikel 16 Artikel 17 | Artikel 22 Artikel 22bis |  | Artikel 24 | Artikel 25sexies, § 2 |
| Maatstaf van heffing | Artikelen 26 tot 36 behalve artikelen 26bis, 27, § 1 en 34 |  |  | Artikel 27, § 1 Artikel 34 | Artikel 26bis Artikel 27, § 2 Artikel 33bis |
| Tarieven (20) | Artikel 38, § 1 Artikel 38ter |  |  | Artikel 38, § 3 Artikel 38bis, tweede lid | Artikel 38, § 2 Artikel 38bis, eerste lid |
| Schuldenaar | Artikel 51, § 1, 1°Artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, 3°, 5° en 6° |  | Artikel 51, § 1, 1°Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 3° en 5° | Artikel 52, § 1 (21) | Artikel 51, § 1, 2°Artikel 51, § 2, eerste lid, 4° |

*(19) Zie titel 12, van deze afdeling*

*(20)* [*Artikel 37 van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) *en koninklijk besluit nr. 20, voornoemd*

*(21)* [*Artikel 6 van koninklijk besluit nr. 7*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-7-artikel-2a49)*, voornoemd*

\[Top\]

### 12. Taxatievoorwaarden met betrekking tot de leveringen van goederen en diensten

Is er btw verschuldigd op een ‘uitgaande’ handeling?

|  | Boekwerk | Hoofdstuk | Afdeling |
| --- | --- | --- | --- |
| • Is de handeling belastbaar ?o Is de leverancier/dienstverrichter belastingplichtige?Zo ja, handelt hij als zodanig? | I | 1 |  |
| o Wordt de handeling bedoeld in het Btw-Wetboek?§ als een levering van goederen onder bezwarende titel (met tegenprestatie)? | I | 2 | 3 en 4 |
| § of als een met dergelijke levering gelijkgestelde handeling? | I | 2 | 6 en 7 |
| § bij gebrek hieraan, als een dienst onder bezwarende titel (met tegenprestatie)? | I | 3 | 3 en 4 |
| § of als een met dergelijke dienst gelijkgestelde handeling? | I | 3 | 6 |
| o Vindt de handeling plaats in België?§ Levering van goederen | I | 2 | 8 |
| § Diensten | I | 3 | 8 |
| • Indien de handeling belastbaar is, wordt deze effectief belast?De handeling wordt niet belast indien ze wordt bedoeld, in volgorde:o door een vrijstelling bepaald in [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) (22) | II | 9 |  |
| o door de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen | V | 15 | 4 |
| o door een vrijstelling in verband met internationale of intracommunautaire handelingen van goederen:§ uitvoer van goederen (23) | II | 8 | 2 |
| § intracommunautaire levering van goederen (24) | II | 8 | 3 |

*(22) Wat betreft de vrijstellingen met betrekking tot intracommunautaire leveringen van nieuwe vervoermiddelen, heeft* [*artikel 39bis, eerste lid, 1° of 2°, van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) *voorrang op* [*artikel 44 van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)*.*

*(23) Onder andere* [*artikel 39 van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39)

*(24)* [*Artikel 39bis van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis)

\[Top\]

## Aangehaalde teksten

117

[WBTW art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) 32 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 30 voorkomens

[WBTW art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) 13 voorkomens

[WBTW art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) 12 voorkomens

[WBTW art. 17](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) 11 voorkomens

[WBTW art. 22bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis) 11 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 11 voorkomens

[WBTW art. 39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) 9 voorkomens

[WBTW art. 38](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) 7 voorkomens

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 7 voorkomens

[WBTW art. 44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) 7 voorkomens

[WBTW art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3) 6 voorkomens

[WBTW art. 3bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-3bis) 6 voorkomens

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 6 voorkomens

[WBTW art. 25ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) 5 voorkomens

[WBTW art. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) 5 voorkomens

[WBTW art. 15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) 4 voorkomens

[WBTW art. 25sexies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25sexies) 4 voorkomens

[WBTW art. 50](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) 4 voorkomens

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 4 voorkomens

[WBTW art. 56bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56bis) 4 voorkomens

[WBTW art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) 4 voorkomens

[KB nr. 1 art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) 3 voorkomens

[WBTW art. 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-10) 3 voorkomens

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 3 voorkomens

[WBTW art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) 3 voorkomens

[WBTW art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20) 3 voorkomens

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 3 voorkomens

[WBTW art. 23](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-23) 3 voorkomens

[WBTW art. 24](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-24) 3 voorkomens

[WBTW art. 57](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-57) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) 2 voorkomens

[KB nr. 4 art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 2 voorkomens

[KB nr. 7 art. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-7-artikel-2a49) 2 voorkomens

[WBTW art. 12](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12) 2 voorkomens

[WBTW art. 12bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12bis) 2 voorkomens

[WBTW art. 12ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12ter) 2 voorkomens

[WBTW art. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) 2 voorkomens

[WBTW art. 21bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21bis) 2 voorkomens

[WBTW art. 25quater](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quater) 2 voorkomens

[WBTW art. 36](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-36) 2 voorkomens

[WBTW art. 37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) 2 voorkomens

[WBTW art. 58](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) 2 voorkomens

[WBTW art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) 2 voorkomens

[WBTW art. 8bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 1](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-1) 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 3](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-3) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) 1 voorkomen

[KB nr. 1 art. 20bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20bis-e302) 1 voorkomen

[KB nr. 1 art. 20ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20ter-f72d) 1 voorkomen

[KB nr. 24 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-artikel-780c) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen

[KB nr. 45 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-45-april-betrekking-vrijstelling-stuk-belasting-9a36) 1 voorkomen

[WBTW art. 14bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 16](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-16) 1 voorkomen

[WBTW art. 21ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21ter) 1 voorkomen

[WBTW art. 22](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22) 1 voorkomen

[WBTW art. 25bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 25quinquies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quinquies) 1 voorkomen

[WBTW art. 26bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-26bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 28](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-28) 1 voorkomen

[WBTW art. 29](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-29) 1 voorkomen

[WBTW art. 30](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-30) 1 voorkomen

[WBTW art. 35](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-35) 1 voorkomen

[WBTW art. 38bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 40](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-40) 1 voorkomen

[WBTW art. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-41) 1 voorkomen

[WBTW art. 42](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-42) 1 voorkomen

[WBTW art. 46](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46) 1 voorkomen

[WBTW art. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-52) 1 voorkomen

[WBTW art. 53quinquies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53quinquies) 1 voorkomen

[WBTW art. 53sexies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53sexies) 1 voorkomen

[WBTW art. 53undecies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53undecies) 1 voorkomen

[WBTW art. 58quinquies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58quinquies) 1 voorkomen

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

[WBTW art. 69bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-69bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 69octies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-69octies) 1 voorkomen

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 1 voorkomen

[WBTW art. 77](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) 1 voorkomen

[WBTW art. 79](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-79) 1 voorkomen

VWEU art. 113 1 voorkomen

VWEU art. 115 1 voorkomen

VWEU art. 8 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 14](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-14) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 196](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-196) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 24](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-24) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 9](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) 1 voorkomen

richtlijn 2010/45 art. 218 1 voorkomen

douanewetboek van de Unie 952/2013 art. 4 1 voorkomen

verordening 910/2014 art. 36 1 voorkomen

[C-255/02, arrest van 21 februari 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-02-arrest) 2 voorkomens

[C-16/93, arrest van 3 maart 1994](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-93-arrest) 1 voorkomen

[C-24/15, arrest van 20 oktober 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-24-15-arrest) 1 voorkomen

[C-240/05, arrest van 7 december 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-240-05-arrest) 1 voorkomen

[C-246/08, arrest van 29 oktober 2009](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-246-08-arrest) 1 voorkomen

[C-263/15, arrest van 2 juni 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-263-15-arrest) 1 voorkomen

[C-276/14, arrest van 29 september 2015](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-276-14-arrest) 1 voorkomen

[C-277/09, arrest van 22 december 2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-277-09-arrest) 1 voorkomen

[C-288/19, arrest van 20 januari 2021](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-288-19-arrest) 1 voorkomen

[C-295/17, arrest van 22 november 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-295-17-arrest) 1 voorkomen

[C-306/94, arrest van 11 juli 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-306-94-arrest) 1 voorkomen

[342/87, arrest van 13 december 1989](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-342-87-arrest) 1 voorkomen

[C-36/16, arrest van 11 mei 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-36-16-arrest) 1 voorkomen

[C-400/98, arrest van 8 juni 2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-400-98-arrest) 1 voorkomen

[C-408/98, arrest van 22 februari 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-408-98-arrest) 1 voorkomen

[415/85, arrest van 21 juni 1988](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-415-85-arrest) 1 voorkomen

[416/85, arrest van 21 juni 1988](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-416-85-arrest) 1 voorkomen

[C-419/14, arrest van 17 december 2015](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-419-14-arrest) 1 voorkomen

[C-43/19, arrest van 11 juni 2020](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-43-19-arrest) 1 voorkomen

[C-449/19, arrest van 17 december 2020](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-449-19-arrest) 1 voorkomen

[C-504/10, arrest van 27 oktober 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-504-10-arrest) 1 voorkomen

[C-581/19, arrest van 4 maart 2021](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-581-19-arrest) 1 voorkomen

[C-653/11, arrest van 20 juni 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-653-11-arrest) 1 voorkomen

[C-653/18, arrest van 17 oktober 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-653-18-arrest) 1 voorkomen

[C-665/16, arrest van 13 juni 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-665-16-arrest) 1 voorkomen

[C-712/19, arrest van 25 februari 2021](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-712-19-arrest) 1 voorkomen

[C-94/19, arrest van 11 maart 2020](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-94-19-arrest) 1 voorkomen
