---
title: "Btw-commentaar · De belastingplichtige (01.04.2021)"
description: "De belastingplichtige. Btw-commentaar van de Belgische belastingadministratie, stand 1 april 2021."
url: "https://juriel.be/nl/btw-commentaar/belastingplichtige-ee2e"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/commentaire-tva/assujetti-7f7b"
---

# De belastingplichtige (01.04.2021) · Btw-Commentaar - De belastingplichtige

**Datum**

1 april 2021

## Over het document

**Verzameling**

Btw-commentaar

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

802 paragrafen

BOEKWERK I: Belastingplicht en belastbare handelingen

## Hoofdstuk 1: De belastingplichtige

Bijwerking **01.04.2021** – Vorige versies: \[01.07.2018\] \[01.04.2020\]

Structuur

Afdeling 1. Wetgevend kader

Afdeling 2. Inleiding

Afdeling 3. Definitie

Afdeling 4. Begin en einde van de belastingplicht

Afdeling 5. Gevolgen van de belastingplicht

Afdeling 6. Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen en van instellingen die door publiekrechtelijke lichamen zijn opgericht

Afdeling 7. Toevallige belastingplichtigen

Afdeling 8. Gedeeltelijke en gemengde belastingplichtigen

Afdeling 9. Stille handelsvennootschappen, tijdelijke handelsvennootschappen, maatschappen en feitelijke verenigingen

Afdeling 10. Niet in België gevestigde belastingplichtigen

Afdeling 11. Toepassingsgevallen

Afdeling 12. De btw-eenheid

**Inhoud · 91 onderdelen**

Afdeling 1 - Wetgevend kader

1\. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

2\. Overzicht bepalingen uitvoeringsbesluiten

Afdeling 2 - Inleiding

Afdeling 3 - Definitie

1\. Kenmerken

3\. De aard van de verrichte werkzaamheid

4\. Geregelde werkzaamheid

5\. Zelfstandige werkzaamheid

6\. Met of zonder winstoogmerk

7\. Hoofdzakelijk of aanvullend

Afdeling 4 - Begin en einde van de belastingplicht

1\. Begin van de belastingplicht

2\. Einde van de belastingplicht

Afdeling 5 - Gevolgen van de belastingplicht

Afdeling 6 - Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen en van instellingen die door publiekrechtelijke lichamen zijn opgericht

1\. Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen

A. Inleiding

B. Wetgevend kader

C. Beoogde publiekrechtelijke lichamen en openbare instellingen

D. Handelingen verricht als overheid

E. Concurrentieverstoring van enige betekenis

F. Specifieke werkzaamheden die niet van onbeduidende omvang zijn

G. Handelingen die worden beoogd in [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)

H. Praktische toepassingen

2\. Intercommunales

A. Werkelijke afstand van reglementerings- en beheersrechten

a. de werkzaamheden van beheer zijn aan de btw onderworpen

b. de werkzaamheden van beheer zijn niet aan de btw onderworpen

B. Geen werkelijke afstand is van reglementerings- en beheersrechten

C. Andere handelingen

3\. Autonome gemeente- en provinciebedrijven

A. Begrip 'instelling zonder winstoogmerk'

B. Het autonoom gemeentebedrijf als instelling met of zonder winstoogmerk

C. Invloed van het ontvangen van subsidies door een Autonoom Gemeentebedrijf van de gemeente

D. Andere elementen waarmee rekening moet gehouden worden om te bepalen of een autonoom gemeentebedrijf al dan niet kwalificeert als een instelling zonder winstoogmerk

4\. Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden

A. Samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid

B. Samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid

a. projectvereniging

b. dienstverlenende vereniging

c. opdrachthoudende vereniging

Afdeling 7 - Toevallige belastingplichtigen

1\. Toevallige leveringen van nieuwe gebouwen of van zakelijke rechten op die gebouwen

2\. De personen of groepering die toevallig een nieuw vervoermiddel intracommunautair leveren

Afdeling 8 - Gedeeltelijke en gemengde belastingplichtigen

1\. Gedeeltelijke belastingplichtige

2\. Gemengde belastingplichtige

Afdeling 9 - Stille handelsvennootschappen, tijdelijke handelsvennootschappen, maatschappen en feitelijke verenigingen

1\. Stille handelsvennootschap

2\. Tijdelijke handelsvennootschap

A. De tijdelijke handelsvennootschap die geen belastingplichtige is

B. De tijdelijke handelsvennootschap die belastingplichtige is

3\. De oude maatschap (vóór de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen)

4\. De nieuwe maatschap

5\. De oude feitelijke vereniging (vóór de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen)

6\. De nieuwe feitelijke vereniging (sinds de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen)

Afdeling 10 - Niet in België gevestigde belastingplichtigen

1\. Beginsel

2\. De buitenlandse belastingplichtige met een vaste inrichting in België

A. Het begrip vaste inrichting voor de uitgaande handelingen (leveringen van goederen en/of diensten)

B. Het begrip vaste inrichting voor de inkomende handelingen (ontvangst van een dienst)

3\. De buitenlandse belastingplichtige zonder vaste inrichting in België

A. Eerste categorie van aansprakelijke vertegenwoordiging: toekenning van een individueel btw-identificatienummer

B. Tweede categorie van aansprakelijke vertegenwoordiging (vereenvoudigde regeling): vooraf erkende aansprakelijke vertegenwoordiger die over een globaal btw-identificatienummer beschikt waaronder hij meerdere buitenlandse belastingplichtigen vertegenwoordigt

Afdeling 11 - Toepassingsgevallen

1\. Vennoten waarvan de in het Wetboek bedoelde handelingen zich beperken tot de inbreng in vennootschap van bedrijvigheid

2\. Zelfstandige journalisten en dagbladcorrespondenten

3\. Bezorgers van kranten en andere publicaties

4\. Syndici

5\. Bestuurders of zaakvoerder

6\. Vereffenaar

7\. Auteurs en componisten

8\. Solvabiliteitsonderzoekers

9\. Notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten

10\. Erkende ondernemingsloketten

11\. Deeleconomie en occasionele diensten tussen burgers

Afdeling 12 - De btw-eenheid

1\. Algemene principes van het stelsel van de btw-eenheid

2\. Wie kan lid worden van een btw-eenheid?

A. Btw-belastingplicht

B. In België gevestigd

3\. De verbondenheidsvoorwaarden

A. Financiële verbondenheid

a. Financiële verbondenheid bij rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal

b. Financiële verbondenheid bij andere personen dan rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal

B. Organisatorische verbondenheid

C. Economische verbondenheid

4\. Verplichte toetreding van een belastingplichtige

5\. Bijzonder geval: de oprichting van een btw-eenheid tussen een bestuurder-rechtspersoon ten aanzien van de rechtspersoon waarin hij een bestuurdersmandaat uitoefent

\[Top\]

## Afdeling 1 - Wetgevend kader

### 1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

[Artikel 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2)

[Artikel 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4)

[Artikel 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6)

[Artikel 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8)

[Artikel 8bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis)

### 2. Overzicht bepalingen uitvoeringsbesluiten

Koninklijk besluit nr. 14 van 03.06.1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van [artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) op zulke goederen

[Koninklijk besluit nr. 19 van 29.06.2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-19-juni-betrekking-vrijstellingsregeling-belasting-toegevoegde-5f51)

[Koninklijk besluit nr. 30 van 29.12.1992 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a)

[Koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-april-betrekking-toepassingsmodaliteiten-belasting-toegevoegde-2e67)

[Koninklijk besluit nr. 55 van 09.03.2007 met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd)

## \[Top\]

## Afdeling 2 - Inleiding

De belastingplichtige vervult een essentiële rol in de werking van het btw-mechanisme.

Zo is een levering van een goed of het verrichten van een dienst slechts belastbaar wanneer deze onder bezwarende titel wordt verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.

Het is dan ook deze belastingplichtige die zal instaan voor een correcte toepassing van de bepalingen van het Btw-Wetboek en van haar uitvoeringsbesluiten. Zo zal de belastingplichtige in de regel onder meer instaan voor:

• de vaststelling van de belastbare handeling en van de verschuldigdheid van de belasting over de door hem verrichte handelingen (kwalificatie en plaats van de handeling, mogelijke toepassing van vrijstelling toepasselijk btw-tarief …)

• de inning van de belasting over de toegevoegde waarde

• de correcte werking van het btw-mechanisme daar hij als enige het recht op aftrek van de voorbelasting die op de door hem verrichte leveringen of diensten drukt kan uitoefenen.

De hoedanigheid van belastingplichtige is daarnaast onder meer ook van belang voor wat de plaatsbepaling van diensten betreft.

Gelet op de sleutelrol die de figuur van de belastingplichtige speelt in de werking van het btw-mechanisme, is een duidelijke omschrijving van het begrip ‘belastingplichtige’ dan ook van essentieel belang.

\[Top\]

## Afdeling 3 - Definitie

Overeenkomstig de bepalingen van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) wordt als belastingplichtige aangemerkt *‘eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend’*.

Dit artikel vormt de omzetting in het Belgisch recht van [artikel 9, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) van de Raad, van 28.11.2006, betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

### 1. Kenmerken

Zodoende verkrijgt eenieder – persoon of groepering – de hoedanigheid van belastingplichtige wegens het uitoefenen van bepaalde werkzaamheden, ook al worden de opbrengsten ervan niet als bedrijfsinkomsten aangemerkt voor de toepassing van de inkomstenbelastingen.

De **hoedanigheid van belastingplichtige** wordt in beginsel **automatisch verkregen**. Dit impliceert dat hij die onder de in het Wetboek bepaalde omstandigheden leveringen van goederen of diensten verricht, van rechtswege belastingplichtige is en dit zonder dat enige formaliteit moet worden vervuld en **ongeacht de plaats waar hij zijn economische activiteit uitoefent**.

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat de hoedanigheid van belastingplichtige voor wat de handelingen opgenomen in de bepalingen van in artikel 8 of van artikel 44, § 3, 1°, a), derde streepje of b), derde streepje, van het Btw-Wetboek niet automatisch wordt verkregen, maar dat uitdrukkelijk voor deze hoedanigheid dient te worden geopteerd.

De definitie van het begrip ‘belastingplichtige’ zoals opgenomen in de bepalingen van voornoemd [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) omvat vier essentiële kenmerken die tegelijk noodzakelijk en voldoende zijn. Daarnaast bevat deze definitie nog twee niet-essentiële kenmerken waardoor elke dubbelzinnigheid wordt voorkomen.

De **vier essentiële kenmerken** zijn:

• de **hoedanigheid** van de persoon: eenieder (natuurlijk persoon, rechtspersoon, groepering zonder rechtspersoonlijkheid …) is belastingplichtige

• de **aard** van de verrichte **werkzaamheid**: het in de uitoefening van een economische activiteit verrichten van leveringen van goederen of diensten die in het Wetboek zijn omschreven

• de **geregelde wijze** waarop die werkzaamheid wordt uitgeoefend

• de uitoefening van die werkzaamheid op **zelfstandige wijze**

De twee niet-essentiële kenmerken zijn:

• de uitoefening van die werkzaamheid met of zonder winstoogmerk

• het hoofdzakelijk of aanvullend uitoefenen van die werkzaamheid

### 2. De hoedanigheid van de persoon

[Artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) stelt dat **eenieder** belastingplichtig kan zijn.

Onder eenieder dient te worden verstaan:

• natuurlijke of fysieke personen

• rechtspersonen: vennootschappen of verenigingen waaraan de wet rechtspersoonlijkheid toekent (1) evenals economische samenwerkingsverbanden en Europese economische samenwerkingsverbanden

*(1)* *Een vennootschap of een vereniging waaraan rechtspersoonlijkheid wordt toegekend is een rechtssubject dat zelfstandig drager is van rechten en plichten. Er ontstaat een patrimonium dat afgescheiden is van het patrimonium van de vennoten. Dat is met name het geval voor de handelsvennootschappen (vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, besloten vennootschap, naamloze vennootschap, coöperatieve vennootschap), voor de burgerlijke vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen en voor de verenigingen zonder winstoogmerk.*

*Rechtspersoonlijkheid wordt onder meer ook toegekend aan de Staat, aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de provincies, de gemeenten en de agglomeratie Brussel, aan de openbare instellingen en aan de intercommunale verenigingen.*

• verenigingen en groeperingen van personen die gemeenschappelijk een werkzaamheid uitoefenen maar die niet als rechtspersoon worden erkend: maatschappen …

• btw-eenheden ([artikel 4, § 2, van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4))

De hoedanigheid van belastingplichtige wordt evenwel niet beïnvloed door de rechtsbekwaamheid van degene die de werkzaamheid uitoefent. Zo dient een minderjarige die geregeld en zelfstandig goederen levert of diensten verricht in het kader van een economische activiteit als belastingplichtige te worden aangemerkt en dit ongeacht of er al dan niet voldaan is aan de voorwaarden waaraan het uitoefenen van een handel (bijvoorbeeld het al dan niet ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen) is onderworpen.

### 3. De aard van de verrichte werkzaamheid

Naast het feit dat eenieder belastingplichtige kan zijn, vormt ook het feit dat de in het Wetboek omschreven **leveringen van goederen of diensten** dienen te worden verricht **in de uitoefening van een economische activiteit** een voorwaarde om als belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) te worden aangemerkt.

Het begrip ‘economische activiteit’ wordt in [artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9), gedefinieerd als ‘*alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen’.*

Het is bijgevolg aangewezen om criteria te bepalen die toelaten om een onderscheid te maken tussen het begrip ‘beheer van privévermogen’ en het begrip ‘economische activiteit’. Deze criteria vinden hun oorsprong in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat zich herhaaldelijk heeft uitgesproken over de draagwijdte van het begrip ‘economische activiteit’.

Zo heeft voornoemd Hof herhaaldelijk benadrukt dat uit de definities van de begrippen ‘belastingplichtige’ en ‘economische activiteiten’ blijkt dat het begrip ‘economische activiteiten’ een ruime werkingssfeer heeft die zich uitstrekt tot alle stadia van de productie, de distributie en de dienstverrichting (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest W.M. van Tiem tegen Staatssecretaris van Financiën, zaak [C-186/89](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-186-89-arrest), van 04.12.1990, punt 17). Verder benadrukt het Hof ook het objectief karakter van het begrip economische activiteiten door te stellen dat de doelstellingen of de resultaten als zodanig niet relevant zijn voor de afbakening ervan (zie onder meer Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest R. Enkler tegen Finanzamt Homburg, zaak [C-230/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-94-arrest), van 26.09.1996, punt 25 en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Marle Participations SARL tegen Ministre de l'Économie et des Finances, zaak [C-320/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-320-17-arrest), van 05.07.2018, punt 22.

Bij haar voornoemd arrest in de zaak W.M. van Tiem heeft het Hof benadrukt dat het begrip ‘**exploitatie**’ in de zin van voornoemd [artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) (voorheen [artikel 4, leden 1 en 2 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) (77/388/EEG) van de Raad van 17.05.1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde) betrekking heeft op **alle handelingen**, ongeacht hun rechtsvorm, **die bedoeld zijn om uit het betrokken goed duurzaam een opbrengst te verkrijgen** (zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Sibiu en Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Braşov tegen LN, zaak [C-655/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-655-19-arrest), van 20.01.2021, punten 26 tot en met 28).

De vraag of een activiteit erop gericht is er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, is een feitelijke vraag. Bij de beoordeling ervan dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, waaronder inzonderheid de aard van de betrokken zaak. Aan de hand van dit criterium moet immers kunnen worden bepaald of een particulier een zaak op zodanige wijze heeft gebruikt, dat zijn activiteit als een ‘economische activiteit’ in de zin van voornoemde richtlijn 2006/112/EG is aan te merken. De omstandigheid dat een zaak uitsluitend voor economische exploitatie geschikt is, volstaat in de regel om te kunnen aannemen dat de eigenaar ze ten behoeve van zijn economische activiteiten exploiteert en dus om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. Indien daarentegen een zaak naar haar aard zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kan worden gebruikt, moeten alle exploitatieomstandigheden worden onderzocht en dit teneinde uit te maken of zij werkelijk wordt gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

Het vergelijken van de omstandigheden waarin de betrokkene de zaak daadwerkelijk exploiteert met die waarin de overeenkomstige economische activiteit in de regel wordt verricht, kan een methode zijn om te bepalen of de activiteit erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen. Indien een particulier actief stappen zet om een bepaalde handeling te verrichten door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van [artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) aanwendt, dient die activiteit in de regel als ‘economische activiteit’ in de zin van deze bepaling te worden gekwalificeerd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Ainārs Rēdlihs tegen Valsts ieņēmumu dienests, zaak [C-263/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-263-11-arrest), van 19.07.2012, punten 33 tot en met 36).

Er wordt opgemerkt dat hoewel criteria die verband houden met de resultaten van een activiteit op zich niet geschikt zijn om te bepalen of die activiteit erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen, de duur van de activiteit, de omvang van de clientèle en het bedrag van de opbrengsten ̶ factoren die dus tot het geheel van de omstandigheden van het concrete geval behoren ̶ samen met andere factoren in aanmerking kunnen worden genomen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest R. Enkler tegen Finanzamt Homburg, zaak [C-230/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-94-arrest), van 26.09.1996, punt 29).

Uit het voorgaande blijkt dat de beoordeling van het begrip ‘economische activiteit’ in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) een feitenkwestie vormt die berust op de analyse van een geheel van elementen, zoals het aantal geëxploiteerde zaken en de aard ervan, de wijze en de context van verwerving, de inkomsten die uit deze exploitatie worden verkregen, de wijze van financiering van de activiteit, het al dan niet bestaan van actieve handelingen inzake commercialisering, de exploitatievoorwaarden, de hoedanigheid van de exploitant en het belang van het cliënteel. Wanneer een voldoende aantal van deze criteria van aanzienlijk belang zijn, zal men kunnen vaststellen dat de persoon of de groepering die in dergelijke omstandigheden handelt, niet langer enkel handelt in het kader van het beheer van zijn privévermogen maar in de uitoefening van een economische activiteit en dit op een wijze die te vergelijken is met deze van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter die beroepsmatig actief is in dezelfde sector.

Volledigheidshalve wordt de nadruk gevestigd op het feit dat het verrichten van handelingen met een ongeoorloofd karakter (bijvoorbeeld de verkoop van gestolen goederen) niet belet dat deze handelingen worden aangemerkt als een ‘economische activiteit’ in de zin van hetgeen voorafgaat.

Tot slot wordt opgemerkt dat een persoon of groepering die reeds belastingplichtig is, ook voor elke andere economische activiteit, die hij incidenteel verricht, als ‘belastingplichtige’ moet worden aangemerkt voor zover deze activiteit een activiteit vormt in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Galin Kostov tegen Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto’ – Varna pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite, zaak [C-62/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-12-arrest), van 13.06.2013, punt 31).

Hierna volgen enkele voorbeelden ter illustratie van de draagwijdte van het begrip ‘economische activiteit’:

• de inkomsten die door een bestuurder worden ontvangen in het kader van de verhuur aan zijn vennootschap van een deel van de gezinswoning die hem toebehoort, zijn niet zozeer het gevolg van de actieve exploitatie van dat goed maar veeleer van de loutere eigendom ervan.

• de inkomsten die door een bestuurder worden ontvangen naar aanleiding van de verhuur van een loods die hij heeft laten bouwen om die aan zijn vennootschap te verhuren, worden aangemerkt als inkomsten uit een economische activiteit. Er is dan immers sprake van actieve handelingen (opstellen van plannen, bouwen, eventueel het aangaan van een lening …) die verder gaan dan het louter beheer van een privévermogen en de omstandigheden benaderen waarin een bouwpromotor gewoonlijk zijn economische activiteit uitoefent. De aard van het goed vormt tevens een indicator dat het een economische activiteit betreft.

• een natuurlijk persoon die meerdere woningen heeft geërfd en deze verhuurt, kan, rekening houdend met het belang van het cliënteel, het bedrag van de ontvangsten en de administratieve en technische organisatie nodig om een dergelijk patrimonium te beheren, een economische activiteit uitoefenen ongeacht of hij zelf instaat voor het beheer ervan of daarvoor een beroep doet op een onderaannemer.

• een natuurlijk persoon die bij toepassing van de bepalingen eigen aan de schenkingen van ondernemingen inzake registratierecht een onverdeeld deel van onroerende goederen ontvangt dat hij daarna verhuurt aan diegene die de vennootschap blijft uitbaten, oefent een economische activiteit uit, zelfs wanneer hij geen enkel ander inkomen uit de vennootschap verwerft.

• een natuurlijk persoon die actief is in de bouwsector en die één of meerdere bouwvallige woningen aankoopt om deze te renoveren, daarvoor een lening aangaat, en deze gerenoveerde woningen vervolgens verhuurt oefent een economische activiteit uit.

Aldus vormen het feit dat de in het Btw-Wetboek omschreven leveringen van goederen of diensten worden verricht in de uitoefening van een economische activiteit samen met de andere voorwaarden opgenomen onder titel 1 ‘Kenmerken’ van afdeling 3 van dit hoofdstuk, de elementen die toelaten om een persoon of groepering aan te merken als een belastingplichtige. Onder die voorwaarden wordt de hoedanigheid van belastingplichtige toegekend aan de personen of groeperingen die navolgende handelingen verrichten:

• leveringen van goederen en het verrichten van diensten omschreven in het Btw-Wetboek die effectief worden belast

• leveringen van goederen en het verrichten van diensten omschreven in het Btw-Wetboek die van de belasting zijn vrijgesteld om reden van ondermeer intracommunautaire levering en uitvoer ([artikel 39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) tot [42](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-42) van het Btw-Wetboek)

• leveringen van goederen en het verrichten van diensten omschreven in het Btw-Wetboek die buiten België worden verricht

• leveringen van goederen en het verrichten van diensten die van de belasting zijn vrijgesteld krachtens [artikel 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) en [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek.

De hoedanigheid van belastingplichtige wordt daarentegen niet toegekend aan:

• personen of groeperingen die handelingen ‘buiten de werkingssfeer van de btw’ verrichten en die aldus niet in het Btw-Wetboek zijn bedoeld (bijvoorbeeld passieve holdings, elkeen die gratis handelingen verricht …)

• aan publiekrechtelijke lichamen die als overheid handelen in de zin van [artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) en dit voor zover de door deze lichamen verrichte handelingen niet worden beoogd door het tweede en derde lid van artikel 6 van voornoemd Wetboek

• de persoon die goederen intracommunautair verwerft of invoert. Hoewel door de verwerver of invoerder btw verschuldigd is op deze verwervingen en invoeren, wordt deze daardoor geen belastingplichtige, omdat alleen ‘uitgaande’ handelingen (door de betrokkene verrichte leveringen van goederen en diensten) hem die hoedanigheid kunnen verlenen.

Het spreekt voor zich dat om uit te maken of een persoon of groepering al of niet de hoedanigheid heeft van belastingplichtige, alleen rekening mag worden gehouden met de werkzaamheid die hijzelf effectief uitoefent. Aldus dienen de werkzaamheden uitgeoefend door een moeder- of dochtervennootschap of door een vennootschap waarvan de aandeelhouders dezelfde zijn als buiten beschouwing te worden gelaten ([Beslissing nr. E.T. 19.658 van 31.12.1974](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-19-658-belastingplichtige-aard-werkzaamheid-belastingschuldige-2a42)).

### 4. Geregelde werkzaamheid

De hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) wordt toegekend aan de personen of groeperingen die, naast het voldoen van alle andere onder titel 1 ‘Kenmerken’ van afdeling 3 van dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden, **geregeld** de in voornoemd Wetboek omschreven **leveringen van goederen of diensten** verrichten.

Een geregelde werkzaamheid veronderstelt een opeenvolging van handelingen, wat niet wegneemt dat die handelingen kunnen worden verricht met min of meer lange tussenpozen. Essentieel hierbij is dat deze handelingen met een bepaalde regelmaat plaatsvinden. Zo worden de in het Btw-Wetboek omschreven handelingen die worden verricht in het kader van een jaarlijkse samenkomst die op hetzelfde tijdstip wordt georganiseerd aangemerkt als een geregelde werkzaamheid in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) ([aanschrijving nr. 81/1971 van 13.05.1971](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/81-1971-aanschrijving-qualite-contribuable-da3c)) .

Hierbij wordt opgemerkt dat het geenszins noodzakelijk is dat deze handelingen worden verricht in het kader van een beroepswerkzaamheid. Het is aldus van geen belang of hiermee al dan niet het verwerven van bestaansmiddelen wordt beoogd.

Uit hetgeen voorafgaat volgt aldus dat een persoon of groepering die slechts toevallig of incidenteel een handeling verricht die in het algemeen door een fabrikant, handelaar of dienstverrichter wordt uitgevoerd, in beginsel niet als een belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) wordt aangemerkt. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat een persoon of groepering die reeds voor een bepaalde activiteit btw-plichtig is, ook voor elke andere economische activiteit, zelfs al verricht hij die slechts toevallig of incidenteel, als belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) wordt aangemerkt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Galin Kostov tegen Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto’ – Varna pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite, zaak [C-62/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-12-arrest), van 13.06.2013, punten 28 en 31).

De vraag of handelingen dienen te worden aangemerkt als ‘geregeld’ dan wel als ‘toevallig of incidenteel’ is een feitelijke vraag. Het spreekt voor zich dat voldoende regelmaat vereist is om de hoedanigheid van de belastingplichtige te kunnen verkrijgen. De regelmaat vereist echter wel dat betreffende handelingen bij herhaling of doorlopend worden gesteld (zie ook [schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.097 van de heer Volksvertegenwoordiger Paul Van Grembergen van 18.05.1994](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1097-hoedanigheid-belastingplichtige-voorwaarden-toevallige-activiteit-f2b4)).

In de geest van hetgeen voorafgaat werd beslist dat:

• een kunstenaar als belastingplichtige wordt aangemerkt wanneer hij geregeld zijn werken verkoopt ([beslissing nr. T. 1.997/2 van 28.10.1970](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/belastingplicht-belastingplichtige-kunstenaar-assujettissement-redevable-7d1c)).

• een persoon die zich, geregeld, tegenover kunstenaars verbindt om een tentoonstelling van hun werken te organiseren en bij die gelegenheid tussenkomst te verlenen bij de verkoop van de kunstwerken aan de bezoekers van die tentoonstelling als belastingplichtige wordt aangemerkt ([beslissing nr. T. 1.997 van 28.10.1970](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/belastingplicht-belastingplichtige-organisator-kunsttentoonstelling-044d)).

• een verhuur van roerende goederen een geregelde en doorlopende handeling is. Dit blijkt onder meer uit de periodieke ontvangst van de huurprijzen die de verhuurder aan de belasting dient te onderwerpen, zelfs indien de verhuurder het genot ervan slechts aan één huurder verleent ([beslissing nr. T. 3.484 van 11.05.1971](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-3-484-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-b4b7)).

• de uitvoering van een enkel werk, dat evenwel herhaalde handelingen vergt die over een bepaalde periode gespreid zijn (bijvoorbeeld de bouw van een autoweg) wordt aangemerkt als een geregelde handeling. De vennootschap die voor de uitvoering van het werk werd opgericht, beschikt in beginsel aldus over de hoedanigheid van belastingplichtige en dit hoewel ze slechts één overeenkomst sluit.

• een werkzaamheid die gedurende een relatief lange periode wordt uitgeoefend en aanleiding geeft tot het indienen van ereloonstaten als geregeld wordt aangemerkt en aldus de hoedanigheid van belastingplichtige verleent aan degene die deze werkzaamheid uitoefent. Het is hierbij van geen belang of deze werkzaamheid al dan niet wordt uitgeoefend ter uitvoering van een éénmalige opdracht ([beslissing nr. T. 6.749 van 16.06.1971](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-6-749-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-f8ab)).

• filatelistische kringen die geregeld en tegen betaling van een bijzondere vergoeding, goederen leveren of diensten verrichten die in het Btw-Wetboek zijn bedoeld (verkoop van postzegels, van catalogussen, organisatie van verkopen tussen postzegelverzamelaars, tussenkomst verlenen bij die verkopen als makelaar, mandataris of commissionair) van rechtswege de hoedanigheid van belastingplichtige hebben. De personen die geen handelaars zijn in postzegels maar gewone verzamelaars die toevallig postzegels verkopen, verkrijgen omwille van die werkzaamheid niet de hoedanigheid van belastingplichtige ([beslissing nr. T. 2.580 van 15.07.1971](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-2-580-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-8e82)).

• natuurlijke personen die huisdieren bezitten (honden, katten …) en de jongen van die dieren verkopen niet als belastingplichtige worden aangemerkt en dit voor zover ze slechts een beperkt aantal van die dieren bezitten dat overeenstemt met een normaal privégebruik en zij niet systematisch het vermenigvuldigen van die dieren nastreven maar slechts een einde willen stellen aan een tijdelijk uitbreiden van hun aantal dieren. Ligt het aantal dieren dat men in zijn bezit heeft evenwel hoger dan het aantal dieren dat gewoonlijk voor privégebruik wordt gehouden en streeft men systematisch het fokken van die dieren na met het doel deze geregeld te verkopen, dan wordt de bezitter aangemerkt als belastingplichtige ([beslissing nr. E.T. 13.301 van 21.11.1972](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-13-301-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-dcf2)).

• een bijenhouder die op geregelde wijze zijn productie geheel of gedeeltelijk verkoopt de hoedanigheid van belastingplichtige bezit ([beslissing nr. E.T. 88.513 van 13.05.1997](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-88-513-bijenhouder-belastingplicht-belastbaarheid-6464)).

• als belastingplichtige worden aangemerkt zij die systematisch renpaarden fokken, hetzij in eigen inrichtingen, hetzij door een beroep te doen op derden (paardenfokkers, africhters …), met het doel geregeld en aldus bij herhaling en doorlopend de paarden welke van die fok voortkomen te verkopen. Als belastingplichtige moeten daarentegen niet worden aangemerkt zij die, zonder zich speciaal met het fokken van paarden bezig te houden, paarden bezitten die zij doen deelnemen aan wedrennen, zelfs wanneer zij af en toe één van die paarden verkopen ([beslissing nr. E.T. 8.380 van 26.01.1973](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-8-380-belastingplichtige-geregelde-werkzaamheid-redevable-impot-5090)).

• wanneer een eigenaar van renpaarden die geen paardenfokker is, voor zijn deelneming aan wedrennen, op het stuk van de inkomstenbelasting niet wordt geacht te handelen in de uitoefening van een beroepswerkzaamheid, de omstandigheid dat hij op bijkomstige wijze één van zijn hengsten gebruikt voor dekkingen niet van die aard is dat hij alleen hierdoor de hoedanigheid van btw-belastingplichtige verkrijgt. In dit verband heeft de administratie als regel genomen dat de prijs die voor de dekkingen wordt aangerekend slechts aan de btw te onderwerpen is indien de winsten die uit deze handelingen worden verkregen op het stuk van de inkomstenbelastingen als bedrijfsinkomsten worden aangemerkt ([beslissing nr. E.T. 39.076 van 30.07.1981](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-39-076-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-28d5)).

• het verrichten van een handeling van financieringshuur als bedoeld in [artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), gelet op de belangrijkheid van de contracten van financieringshuur en op hun duur, als geregelede handeling wordt aangemerkt waarvoor de verrichter ingevolge deze bepaling en [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) een belastingplichtige is, zelfs wanneer hij slechts één contract van financieringshuur sluit ([circulaire nr. AOIF 10/2007 (nr. E.T.109.976) van 12.04.2007](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/10-2007-aoif-leasing-immobilier-immeuble-bati-d9b1), randnummer 53).

• het toevallig verrichten van boekhoudwerk voor een handelaar niet wordt aangemerkt als een geregelde handeling waarvoor men belastingplichtige is. Hij die dat werk evenwel op geregelde wijze voor één of meerdere handelaars verricht, wordt als belastingplichtige aangemerkt.

Zoals reeds eerder aangegeven wordt een persoon of groepering die reeds voor een bepaalde activiteit belastingplichtig is, ook voor elke andere economische activiteit, zelfs al verricht hij die slechts toevallig of incidenteel, als belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) aangemerkt. De hoedanigheid van belastingplichtige blijft uiteraard tevens behouden ten aanzien van een toevallige handeling die hij verricht wanneer deze tot de uitoefening van zijn geregelde werkzaamheid kan worden gerekend, zoals bijvoorbeeld:

• de toevallige overdracht door een studiebureau van een octrooi op een uitvinding voortvloeiend uit de opzoekingen die het verricht.

• de toevallige verkoop door een belastingplichtige van een bedrijfsmiddel dat in zijn onderneming werd gebruikt.

### 5. Zelfstandige werkzaamheid

Naast het voldoen van alle andere onder titel 1 ‘Kenmerken’ van afdeling 3 van dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden vereist de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), dat de in dat artikel bedoelde werkzaamheden **zelfstandig** worden verricht.

De voorwaarde dat een werkzaamheid ‘zelfstandig’ moet worden verricht, sluit overeenkomstig de bepalingen van [artikel 10 van richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-10), ‘*loontrekkenden en andere personen van de belastingheffing uit, voor zover zij met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever’.*

Dienaangaand heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie verduidelijkt dat een werknemer niet in eigen naam, voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid handelt, maar voor rekening en onder de verantwoordelijkheid van de werkgever. Er kan evenwel geen sprake zijn van een juridische band waaruit een verhouding van ondergeschiktheid blijkt wanneer men het economische risico van de werkzaamheden draagt (zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest J. A. van der Steen tegen Inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht, zaak [C-355/06](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-355-06-arrest), van 18.10.2007, punten 23 en 24 en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest IO tegen Inspecteur van de rijksbelastingdienst, zaak [C-420/18](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-420-18-arrest), van 13.06.2019, punten 32 en volgende).

Om na te gaan of een werkzaamheid ‘zelfstandig’ wordt verricht, is het niet verreist dat die werkzaamheid volledig autonoom wordt verricht. Zo bezit een vennootschap die bijvoorbeeld deel uitmaakt van een groep en daarbij een door de moedervennootschap aangegeven handelspolitiek moet volgen, niet over een totale autonomie. Niettemin wordt deze vennootschap, voor zover voldaan is aan de overige toepassingsvoorwaarden van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), aan gemerkt als een belastingplichtige in de zin van datzelfde artikel.

Ingeval er evenwel twijfel zou bestaan over het al dan niet ‘zelfstandig’ verrichten van een bepaalde werkzaamheid in de zin van hetgeen voorafgaat, kan het standpunt dat ten aanzien van deze werkzaamheid werd ingenomen op het vlak van de sociale zekerheid of op vlak van de inkomstenbelasting een nuttig element vormen bij de boordeling van deze feitenkwestie. Uit de praktijk blijkt dan ook dat diegenen die onderworpen zijn aan de bedrijfsvoorheffing in de regel niet als belastingplichtige worden aangemerkt.

Gelet op hetgeen voorafgaat werd onder meer beslist dat:

• een architect-stagiair die voor de toepassing van de sociale wetten als zelfstandige wordt beschouwd, evenwel niet als belastingplichtige wordt aangemerkt en dit omdat er sprake is van een band van ondergeschiktheid tussen de stagiair en de stagemeester ([beslissing nr. E.T. 9.195 van 13.06.1972](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-9-195-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-1738)).

• wanneer een architect-stagiair die enkel stage loopt, zich evenwel niet wenst te beroepen op wat voorafgaat en zijn identificatie als belastingplichtige vordert, zal hij als zodanig worden geïdentificeerd met betrekking tot zijn stageactiviteit. De architect-stagiair die, naast zijn stageactiviteit, eveneens zelfstandig belastbare handelingen stelt, dient hoe dan ook voor zijn gehele werkzaamheid als belastingplichtige te worden aangemerkt zodat de diensten die hij verricht in het kader van zijn stage eveneens aan de btw zijn onderworpen ([beslissing nr. E.T. 56.513 van 22.08.1986](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-56-513-architect-stagiair-btw-7a6c)).

• de administratie aanvaardt dat er een band van ondergeschiktheid bestaat in de relatie tussen de stagiair-bedrijfsrevisor en de bedrijfsrevisor en dat deze stagiair aldus niet al belastingplichtige wordt aangemerkt en dit hoewel deze stagiair voor de toepassing van de sociale wetten als zelfstandige wordt beschouwd ([aanschrijving nr. 11/1978 van 14.03.1978](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/11-1978-aanschrijving-reviseur-entreprise-8c16), randnummer 11).

• een familiaal helper in de regel handelt in een band van ondergeschiktheid wanneer uit een geheel van feitelijke gegevens blijkt dat hij bestendig onder leiding van verwanten werkt in het kader van een familiebedrijf en dit voor zover dit overeenstemt met de werkelijke juridische verhoudingen tussen de partijen ([beslissing nr. E.T. 9.922 van 04.09.1972](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-9-922-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-a600)).

• plaatsvervangende apothekers in principe als belastingplichtige worden aangemerkt wanneer zij, geregeld en zelfstandig, tijdelijk een exploitant vervangen in het beheer van zijn apotheek. Niettemin wordt opgemerkt dat de apothekers die slechts nu en dan een plaatsvervanging doen zonder van deze werkzaamheid een werkelijk beroep te maken niet als belastingplichtige moeten worden aangemerkt, dit geldt in het bijzonder voor:

o pas afgestudeerde apothekers die, in afwachting dat zij als exploitant, provisor of als bovengenoemde plaatsvervangende apotheker zijn gevestigd, tijdelijk plaatsvervanging doen

o gepensioneerde apothekers die nu en dan hun collega's vervangen of bijstaan

o salaristrekkende apothekers die plaatsvervangingen doen tijdens de vakantieperiode of na hun werkuren

o houders van een diploma van apotheker, die, zonder eigenlijk een beroep uit te oefenen, apothekers vervangen of bijstaan gedurende maximum enkele uren per dag.

Deze regeling wordt overigens slechts toegestaan indien de bedoelde personen hun diensten uitsluitend verlenen aan apothekers die als belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) worden aangemerkt. Die personen zijn daarentegen belastingplichtige voor het geheel van hun werkzaamheid indien zij geheel of gedeeltelijk diensten verlenen aan personen of instellingen die geen belastingplichtige of belastingplichtige zonder recht op aftrek zijn, bijvoorbeeld aan een ziekenhuisapotheek ([beslissing nr. E.T. 8.753 van 15.05.1972](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-8-753-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-6c25)).

• de administratie aanvaardt dat wanneer fysieke personen die anders dan als loon- of weddetrekkende les geven in een instelling waarvan de handelingen al dan niet van de belasting zijn vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van [artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), maar niettemin met die instelling een band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid blijkt ten aanzien van onder meer de inhoud van de te onderwijzen leerstof, de uurregeling, de bezoldiging, het intern reglement, niet handelen als zelfstandige in de zin van artikel 4, § 1, van voornoemd Wetboek zodat er in hun relatie geen belastbare handeling plaatsvindt. Dit geldt ongeacht of betreffende fysieke persoon reeds voor het verrichten van andere handelingen in het kader van zijn economische activiteit als btw-belastingplichtige werd geregistreerd. Het voorgaande betreft evenwel een toegeving waarvan die fysieke persoon, indien deze handelt in de omstandigheden zoals bedoeld in [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), geen gebruik hoeft te maken. In geval van afwezigheid van betreffende band van ondergeschiktheid, waarvan betrokkene het bewijs levert, kan de hoedanigheid van btw-belastingplichtige hem niet worden geweigerd ([circulaire AAFisc nr. 50/2013 (nr. E.T. 124.537) van 29.11.2013](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/50-2013-aafisc-exoneration-enseignement-formation-professionnelle-8782)).

• de administratie ervan uitgaat dat een sporttrainer die niet door een werknemerscontract verbonden is met een welbepaalde club of federatie, gelet op de feitelijke werkomstandigheden die er tussen hen bestaan, zich desalniettemin ten opzichte van die club of federatie in een band van ondergeschiktheid bevindt. Die sporttrainer wordt dan ook niet als belastingplichtige aangemerkt ([beslissing nr. E.T. 79.369 van 04.02.1994](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-79-369-belastingplicht-sporttrainer-belastbaarheid-089f)).

• indien een persoon of groepering als enige economische activiteit in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) het verhuren van een lichamelijke zaak aan een vennootschap waarvan hij deel uitmaakt heeft, dan wordt deze verhuur geacht zelfstandig te zijn verricht in de zin van voornoemde bepaling (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Staatssecretaris van Financiën tegen J. Heerma, zaak [C-23/98](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-23-98-arrest), van 27.01.2000, punt 22).

• gidsen en reisleiders die hun diensten verstrekken onder de voorwaarden van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) als belastingplichtige dienen te worden aangemerkt. Het is evenwel mogelijk dat gidsen (fysieke personen), anders dan als loon- of weddetrekkende rondleidingen houden voor een instelling (bijvoorbeeld een gidsenbond of een dienst voor toerisme), maar niettemin ten aanzien van die instelling in een band van ondergeschiktheid optreden. Bijvoorbeeld wanneer die instelling de inhoud en de uurregeling van de rondleidingen, de bezoldiging en eventueel een intern reglement voor de aangesloten gidsen bepaalt. Voor de toepassing van de btw, worden deze gidsen niet geacht zelfstandig op te treden en worden zij zodoende niet als belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) aangemerkt ([beslissing nr. E.T. 111.432 van 28.08.2006](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-111-432-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-189e)).

### 6. Met of zonder winstoogmerk

De hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) wordt toegekend aan de personen of groeperingen die voldoen aan de vier essentiële kenmerken die werden toegelicht onder de titels 2 tot en met 5 van afdeling 3 van dit hoofdstuk. Naast deze essentiële kenmerken bevatten de bepalingen van voornoemd artikel 4, § 1, ook twee niet-essentiële kenmerken, zijnde het hoofdzakelijk of aanvullend uitoefenen van die werkzaamheid en de **uitoefening van die werkzaamheid met of zonder winstoogmerk**.

Om als belastingplichtige te worden aangemerkt moet een persoon of een groepering bij het uitoefenen van een werkzaamheid niet noodzakelijk een winstoogmerk hebben of met andere woorden winst willen maken. Het is aldus van geen belang of men met de uitoefening van die werkzaamheid het doel heeft om zich bestaansmiddelen te verschaffen. In die zin wordt afgeweken van de notie fabrikant of handelaar, die er in principe op gericht zijn uit een werkzaamheid een duurzame opbrengst te verkrijgen.

Dit heeft aldus voor gevolg dat talrijke personen en groeperingen die geen winstoogmerk hebben wel als belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) kunnen worden aangemerkt mits zij voldoen aan de overige in dat artikel opgenomen toepassingsvoorwaarden. Zo kan een vereniging zonder winstoogmerk, een publiekrechtelijke lichaam of een openbare instelling onder die voorwaarden tevens als belastingplichtige in de zin van hetgeen voorafgaat worden aangemerkt.

### 7. Hoofdzakelijk of aanvullend

Naast deze essentiële kenmerken, die werden toegelicht onder de titels 2 tot en met 5 van afdeling 3 van dit hoofdstuk, bevatten de bepalingen van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) ook twee niet-essentiële kenmerken, zijnde het **hoofdzakelijk of aanvullend uitoefenen van een werkzaamheid** en de uitoefening van die werkzaamheid met of zonder winstoogmerk.

Het is voor de verkrijging van de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4, § 1, van voornoemd Wetboek van geen belang of de verrichte werkzaamheid ̶ het in de uitoefening van een economische activiteit verrichten van leveringen van goederen of diensten die in voornoemd Wetboek zijn omschreven ̶ al dan niet aanvullend geschiedt.

Een aanvullende werkzaamheid is een werkzaamheid die wordt uitgeoefend naast een andere die de hoofdwerkzaamheid is. Zo kan een werknemer, naast zijn hoofdactiviteit waarvoor hij niet zelfstanding optreedt maar zich in een band van ondergeschiktheid bevindt, tevens geregeld en op zelfstandige wijze een activiteit uitoefenen waarvoor hij als belastingplichtige in de zin van voornoemd [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) wordt aangemerkt voor zover aan alle in dat artikel opgenomen toepassingsvoorwaarden is voldaan.

Het is hierbij van geen belang of deze aanvullende werkzaamheid al of niet verband houdt met de hoofdwerkzaamheid.

Volledigheidshalve wordt hier gewezen op de bepalingen van [artikel 56bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56bis) die voorzien in een vrijstellingsregeling ten voordele van kleine ondernemingen waarvan de toepassingsvoorwaarden bepaald zijn in het [koninklijk besluit nr. 19 van 29.06.2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-19-juni-betrekking-vrijstellingsregeling-belasting-toegevoegde-5f51).

Deze vrijstellingsregeling houdt in dat belastingplichtigen van wie de gerealiseerde jaaromzet niet meer bedraagt dan 25.000 euro, ongeacht of het gaat om een hoofdactiviteit dan wel om een aanvullende werkzaamheid, enerzijds ontslagen worden van een aantal btw-verplichtingen maar anderzijds ook het recht op aftrek verliezen van de voorbelasting geheven van de voor hun werkzaamheid gedane uitgaven.

\[Top\]

## Afdeling 4 - Begin en einde van de belastingplicht

### 1. Begin van de belastingplicht

Van zodra iemand in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig leveringen van goederen of diensten verricht die in het Btw-Wetboek zijn omschreven, verkrijgt deze persoon of groepering overeenkomstig de bepalingen van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) **van rechtswege** de hoedanigheid van belastingplichtige. Zijn de voorwaarden opgenomen in dat artikel 4, § 1, evenwel niet vervuld dan wordt betreffende persoon of groepering niet aangemerkt als belastingplichtige in de zin van datzelfde artikel. Die persoon of groepering kan ook niet vrijwillig voor de hoedanigheid van belastingplichtige kiezen, zelfs niet zo hij daarbij belang zou hebben.

De hoedanigheid van belastingplichtige wordt in beginsel aldus automatisch (2) verkregen en dit zonder dat daartoe enige formaliteit moet worden vervuld en ongeacht de plaats waar de persoon of groepering zijn economische activiteit uitoefent. Het feit dat deze door de administratie (nog) niet als belastingplichtige geïdentificeerd zou zijn is daarbij aldus van geen belang.

*(2)* *Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de hoedanigheid van belastingplichtige voor wat de handelingen opgenomen in de bepalingen van in artikel 8 of van artikel 44, § 3, 1°, a), derde streepje of b), derde streepje, van het Btw-Wetboek niet automatisch wordt verkregen maar dat uitdrukkelijk voor deze hoedanigheid dient te worden geopteerd.*

De vraag stelt zich evenwel op welk ogenblik deze hoedanigheid aanvangt.

Dienaangaand werd door het Hof van Justitie van de Europese Unie reeds herhaaldelijk verduidelijkt dat economische activiteiten, in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), in verscheidene opeenvolgende handelingen kunnen bestaan, en dat de voorbereidende handelingen, zoals de verkrijging van bedrijfsmiddelen reeds tot de economische activiteiten moeten worden gerekend. Aldus worden de eerste investeringsuitgaven die nauw verband houden met en noodzakelijk zijn voor de toekomstige exploitatie en aldus worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming, reeds als economische activiteiten aangemerkt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest D. A. Rompelman en E. A. Rompelman-Van Deelen tegen Minister van Financiën, zaak [C-268/83](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-83-arrest), van 14.02.1985, punten 22 tot 24).

Eenieder die dergelijke voorbereidende handelingen verricht wordt bijgevolg beschouwd als belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) en kan de voorbelasting geheven van de op die handelingen betrekking hebbende kosten overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 van voornoemd Wetboek in aftrek brengen. Die aftrek blijft in stand, ook indien later op grond van de resultaten van bijvoorbeeld een rentabiliteitsstudie wordt besloten niet tot de operationele fase over te gaan en de betrokken vennootschap te liquideren, zodat de beoogde economische activiteit niet tot belaste handelingen heeft geleid (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Intercommunale voor zeewaterontzilting (INZO) tegen Belgische Staat, zaak [C-110/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-110-94-arrest), van 29.02.1996, punt 20).

Dienaangaand is de administratie gehouden om rekening te houden met het door die persoon of groepering kenbaar gemaakte voornemen om een aanvang te maken met economische activiteiten die aanleiding geven tot belastbare handelingen en dit voor zover dit voornemen wordt ondersteund door objectieve gegevens. Het Hof benadrukt hierbij tevens dat de hoedanigheid van belastingplichtige slechts definitief wordt verworven, indien de verklaring van het voornemen om een aanvang te maken met de beoogde economische activiteiten, door de belanghebbende te goeder trouw is afgelegd. In geval van fraude of misbruik, bijvoorbeeld wanneer de betrokkene heeft voorgewend een bepaalde economische activiteit te willen verrichten, maar de goederen waarvan de voorbelasting in aftrek werd gebracht in werkelijkheid in zijn privévermogen wil opnemen, zal de administratie met terugwerkende kracht terugbetaling van de in aftrek gebrachte voorbelasting vorderen en dit omdat deze aftrek op basis van valse verklaringen is verleend (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Intercommunale voor zeewaterontzilting (INZO) tegen Belgische Staat, zaak [C-110/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-110-94-arrest), van 29.02.1996, punten 23 tot 24).

Voorbeelden:

• de persoon of groepering die door ondubbelzinnige daden de wil uit geregeld in het kader van een economische activiteit in het Btw-Wetboek bedoelde handelingen te verrichten en dit in het bijzonder door het in werking stellen van een organisatie waarbinnen geregeld leveringen van goederen of diensten zullen worden verricht, verkrijgt de hoedanigheid van belastingplichtige zodra hij die daden heeft gesteld.

• de persoon of groepering die een bestaande handelszaak koopt wordt op het ogenblik van de verkrijging belastingplichtige.

• de persoon of groepering die een vennootschap opricht met het oogmerk goederen te produceren en te verkopen, is belastingplichtige van bij de oprichting.

• personen of groeperingen ̶ ook wel beroepsoprichters en -verkopers genaamd ̶ wiens geregelde economische activiteit erin bestaat gebouwen of gedeelten van gebouwen, die zij hebben opgericht of laten oprichten of met voldoening van de btw hebben verkregen, binnen de gestelde termijn, onder bezwarende titel te vervreemden of ze met een zakelijk recht bedoeld in [artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) te bezwaren of dat zakelijk recht binnen dezelfde termijn over te dragen of weder over te dragen hebben de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4, § 1, van voornoemd Wetboek. Zij dienen onmiddellijk als dusdanig te worden geïdentificeerd zonder te wachten tot daadwerkelijk een aanvang wordt genomen met de geregelde verkoop van die nieuwe gebouwen.

• personen of groeperingen die een aanvang nemen met het stellen van overeenkomstig [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) vrijgestelde handelingen, worden eveneens als belastingplichtigen aangemerkt. Zij het dat deze handelingen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 van voornoemd Wetboek, in principe geen recht op aftrek geven van de voorbelasting geheven van de op die handelingen betrekking hebbende kosten. Die personen of groeperingen dienen in beginsel niet als zodanig te worden geïdentificeerd.

Hun identificatie voor btw-doeleinden is daarentegen wel vereist:

overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 2°, a) of b), van het Btw-Wetboek wanneer zij het drempelbedrag van 11.200 euro ([artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter)) voor de door hen verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen (3) overschrijden dan wel wanneer zij ervoor opteren om hun intracommunautaire verwervingen aan de belasting te onderwerpen.

o overeenkomstig [artikel 50, § 1, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) wanneer zij diensten afnemen waarvoor zij schuldenaar zijn van de belasting overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van voornoemd Wetboek.

o overeenkomstig [artikel 50, § 1, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) wanneer zij in België zijn gevestigd en diensten verrichten die, krachtens [artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-44) plaatsvinden in een andere lidstaat en waarvan de belasting door de ontvanger van de dienst is verschuldigd

o overeenkomstig [artikel 50, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) wanneer een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van voornoemd Wetboek uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor zij geen recht op aftrek heeft.

*(3)* *De aankoop in een andere Lidstaat van de Europese Unie van goederen die vervoerd worden van deze Lidstaat naar België door de leverancier, de verwerver of voor hun rekening.*

### 2. Einde van de belastingplicht

De hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) gaat **van rechtswege** verloren wanneer niet langer voldaan wordt aan de in dat artikel opgenomen toepassingsvoorwaarden (zie ook de titels 2 tot en met 5 van afdeling 3 van dit hoofdstuk). In de praktijk komt dit er evenwel op neer dat de hoedanigheid van belastingplichtige verloren gaat op het tijdstip waarop de **belastbare werkzaamheden definitief** zijn **stopgezet**.

Een tijdelijke stopzetting van die werkzaamheid om welke reden ook (ziekte, staking, verkoopstop …) doet de hoedanigheid van belastingplichtige evenwel niet verloren gaan ([beslissing nr. T. 2.205 van 03.12.1970](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/belastingplicht-belastingplichtige-einde-verlies-hoedanigheid-dfed)). De overdracht van een handelszaak door een handelaar die op rust gaat is een handeling van een belastingplichtige. Hetzelfde kan worden gezegd van de handelingen die de vereffenaar verricht met het oog op de vereffening van een ontbonden vennootschap.

Een natuurlijke persoon die een activiteit uitoefent die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent, verliest deze hoedanigheid vanaf het tijdstip waarop de vereffening van zijn onderneming wordt beëindigd en geen handelingen meer worden verricht die in het Btw-Wetboek zijn bedoeld.

Wanneer daarentegen tot de ontbinding van een vennootschap wordt besloten, behoudt zij in principe de hoedanigheid van belastingplichtige tot de definitieve sluiting van de vereffening. Het spreekt voor zich dat de hoedanigheid van belastingplichtige steeds objectief moet worden beoordeeld in functie van de reële situatie van betreffende onderneming en niet mag afhangen van de bereidwilligheid of het stilzitten van de vereffenaar. Het feit dat de onderneming geen realiseerbare activa meer bezit en haar activiteit onder andere nog slechts bestaat in het invorderen van haar schuldvorderingen tegenover derden kan een dergelijk objectief criterium vormen ([beslissing nr. E.T. 90.191 van 13.10.1998](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-90-191-verlies-hoedanigheid-belastingplichtige-b523)).

Wanneer een notaris, geïdentificeerd als natuurlijke persoon, overlijdt, duidt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een plaatsvervangend notaris aan. De Nationale Kamer van Notarissen zal bij de KBO het nodige doen om het btw-identificatienummer van de overleden notaris actief te houden tot de benoeming van een nieuwe notaris. De identiteit van de plaatsvervangende notaris wordt eveneens aan de KBO meegedeeld. Deze plaatsvervanger zal het btw-identificatienummer van de overleden notaris verder kunnen gebruiken voor de handelingen die hij als plaatsvervangend notaris van het notariskantoor verricht tot de benoeming van een nieuwe notaris. Wanneer een nieuwe notaris wordt beëdigd, dienen de erfgenamen, overeenkomstig [artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-10-december-betrekking-uitoefeningsmodaliteiten-keuzen-5679#ar10-art3), van 29.12.1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen [15, § 2, derde lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15), [21bis, § 2, 9°, vierde lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21bis), [25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) en [44, § 3, 2°, d)](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, binnen een termijn van één maand een aangifte van stopzetting van de activiteit (formulier 604 C) in te dienen ([beslissing nr. E.T. 121.923/2 van 15.12.2014](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-121-923-2-belastingplicht-notarissen-plaatsvervanging-overlijden-notaris-1d62)).

In het geval van een faillissement ontneemt het vonnis van faillietverklaring daarentegen aan de gefailleerde niet de hoedanigheid van belastingplichtige die hij vóór dat vonnis wegens de uitgeoefende werkzaamheid bezat. Zo worden de handelingen verricht door de curator van een gefailleerde belastingplichtige ter uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht of de handelingen die door een derde (bijvoorbeeld een accountant) worden verricht onder toezicht van de curator geacht door de gefailleerde zelf te zijn verricht. In de regel dient de curator binnen een maand na de sluiting van het faillissement op het controlekantoor waaronder de gefailleerde ressorteert, de aangifte van stopzetting, bedoeld in [artikel 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-10-december-betrekking-uitoefeningsmodaliteiten-keuzen-5679#ar10-art3) van [koninklijk besluit nr. 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-10-december-betrekking-uitoefeningsmodaliteiten-keuzen-5679), voornoemd, van de werkzaamheid in. De curator mag deze aangifte evenwel vóór de sluiting van het faillissement indienen zodra blijkt dat de failliete massa geen handelingen meer kan verrichten waarvoor zij als schuldenaar van de btw kan worden aangemerkt (zie [aanschrijving nr. 26/1978 van 31.08.1978](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/26-1978-aanschrijving-b7e6), randnummers 2 en 25, die werd gewijzigd door [aanschrijving nr. 8/1994 van 29.03.1994](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/8-1994-aanschrijving-61fe)).

\[Top\]

## Afdeling 5 - Gevolgen van de belastingplicht

De belastingplichtige vervult zoals reeds eerder aangegeven een essentiële rol in de werking van het btw- mechanisme en zal instaan voor een correcte toepassing van de bepalingen van het Btw-Wetboek en van haar uitvoeringsbesluiten.

Zo zal de belastingplichtige niet enkel instaan voor de inning van de belasting over de toegevoegde waarde maar tevens voor de vaststelling van de belastbaarheid en van de verschuldigdheid van de belasting over de door hem verrichte handelingen (kwalificatie en plaats van de handeling, mogelijke toepassing van vrijstelling, toepasselijk btw-tarief …). Daarnaast is de correcte werking van het btw-mechanisme gebaseerd op het feit dat de belastingplichtige als enige overeenkomstig de bepalingen van [artikel 45 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) het recht op aftrek van de voorbelasting die op de door hem verrichte leveringen of diensten drukt kan uitoefenen.

Het spreekt dan ook voor zich dat de hoedanigheid van belastingplichtige een aantal rechten en verplichtingen met zich meebrengt.

Zo zullen de uitoefening van het recht op aftrek door de belastingplichtige en de correcties die op dat recht op aftrek van toepassing kunnen zijn (onttrekkingen, ingebruiknemingen, herzieningen) uitvoerig worden toegelicht in ‘Boekwerk III: Recht op aftrek van de voorbelasting’ .

De belangrijkste verplichtingen die de hoedanigheid van belastingplichtige met zich meebrengt worden toegelicht in ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting’.

\[Top\]

## Afdeling 6 - Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen en van instellingen die door publiekrechtelijke lichamen zijn opgericht

### 1. Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen

#### A. Inleiding

Voor een omstandige toelichting bij de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen en openbare instellingen wordt verwezen naar [circulaire AAFisc nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2015-aafisc-redevable-impot-autorite-publique-2505).

Deze circulaire heeft tot doel zowel de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 104/2008

van 17.07.2008, waarbij het Hof artikel 39, a, van de Programmawet van 27.12.2006 (BS 28.12.2006) vernietigt, als de belangrijkste principes van de door het Hof van Justitie van de Europese Unie in dit domein gewezen arresten op te nemen in de administratieve commentaar.

#### B. Wetgevend kader

Het btw-stelsel dat van toepassing is ten aanzien van publiekrechtelijke lichamen en openbare instellingen vloeit voort uit de bepalingen van [artikel 6 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6), dat de omzetting in Belgisch recht vormt van [artikel 13 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-13).

Ten aanzien van publiekrechtelijke lichamen die handelen als overheid voorziet [artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) in een uitzondering op het principe dat eenieder die geregeld en zelfstandig handelingen verricht beoogd in dat Wetboek wordt aangemerkt als belastingplichtige. In omstandigheden bedoeld in het tweede en derde lid van voornoemd artikel 6 worden publiekrechtelijke lichamen, niettegenstaande het principe van de niet-belastingplicht, toch aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4).

In de volgende rubrieken worden de te doorlopen stappen om te komen tot het btw-statuut van publiekrechtelijke lichamen (een als zodanig handelend belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon) achtereenvolgens besproken.

#### C. Beoogde publiekrechtelijke lichamen en openbare instellingen

Overeenkomstig [artikel 6, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6), van het Wetboek worden **de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen** niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

Uit deze opsomming blijkt dat de openbare instellingen eveneens worden beoogd. Het betreft meer bepaald de openbare instelling die cumulatief aan navolgende voorwaarden voldoet, zijnde de instelling die:

• een van de overheidsinstelling – die haar heeft opgericht – onderscheiden rechtspersoonlijkheid bezit

• wordt opgericht door een wet, een koninklijk of ministerieel besluit, een decreet of een verordening (oprichting bij wijze van stichting)

• wordt opgericht met als doel bepaalde collectieve behoeften van algemeen belang te bevredigen

• een autonomie geniet in de uitoefening van haar activiteiten en dit meer bepaald voor de organisatie en het beheer ervan

• in meer of mindere mate onderworpen blijft aan diverse controles waaronder het toezicht van de overheid.

Bij wijze van voorbeeld kunnen als openbare instellingen die bij wijze van stichting zijn opgericht worden aangehaald: het Instituut van de Accountants en Belastingconsulenten (I.A.B.), het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten (B.I.B.F.), de orden der geneesheren, advocaten of architecten, het Agentschap voor Buitenlandse Handel, het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen, en dergelijke.

[Artikel 6 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) beoogt daarentegen niet de publiekrechtelijke verenigingen die bij wijze van vereniging, en aldus niet bij wijze van stichting, tot stand zijn gebracht.

De in [circulaire AAFisc nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2015-aafisc-redevable-impot-autorite-publique-2505) beschreven regels zijn aldus niet van toepassing ten aanzien van intercommunale verenigingen (4), intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (onder voorbehoud, voor deze twee structuren, van de specifieke regels in geval van volledige afstand van reglementerings- en beheerrechten …), de coöperatieven van openbare diensten, de gemengde economische ondernemingen, de autonome gemeente- en provinciebedrijven, de extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm, en dergelijke. Onder andere de nagenoemde publiekrechtelijke verenigingen zijn dus belastingplichtigen in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4): de Lijn, SRWT, MIVB, de maatschappijen voor intercommunaal vervoer, de gewestelijke huisvestingmaatschappijen en de door hen erkende maatschappijen, de gewestelijke maatschappijen voor watervoorziening.

*(4)* *Zie* [*aanschrijving nr. 148/71 van 05.10.1971*](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/148-1971-aanschrijving-intercommunale-redevable-impot-assujettissement-db99) *en* [*aanschrijving nr. 6/75 van 27.02.1975*](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1975-aanschrijving-intercommunale-redevable-impot-assujettissement-5ca3)

#### D. Handelingen verricht als overheid

Overeenkomstig [artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) worden de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen niet als belastingplichtige aangemerkt voor **de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten**, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten twee voorwaarden samen worden vervuld opdat de uitzonderingsregel van de niet-belastingplicht van toepassing zou zijn, namelijk de werkzaamheden moeten worden verricht door een publiekrechtelijk lichaam en dit in de hoedanigheid van overheid.

Aangaande de draagwijdte van het begrip ‘handelingen die zij als overheid verrichten’ in de zin van [artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie verduidelijkt dat werkzaamheden door publiekrechtelijke lichamen ‘als overheid’ verricht in de zin van deze bepaling, deze zijn welke door hen worden verricht in het kader van het specifiek voor hen geldende juridisch regime, met uitsluiting van de werkzaamheden die zij onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere marktdeelnemers verrichten.

Tot de specifieke opdracht van een publiekrechtelijk lichaam behoren zeker deze handelingen die tot uiting komen in wilsdaden die aan particulieren worden opgelegd, in die zin dat zij er moeten aan gehoorzamen of indien zij niet gehoorzamen er toe worden gedwongen om er zich naar te schikken. Dit is het geval wanneer het verrichten van die handelingen het gebruik van overheidsprerogatieven impliceert.

Hierbij dient te worden benadrukt dat de begrippen ‘werkzaamheden of handelingen verricht als overheid’ en ‘werkzaamheden verricht krachtens het soevereine of openbare gezag’ evenwel geen synoniem zijn. Er moet aan het begrip werkzaamheden of handelingen verricht als overheid immers een ruimere betekenis worden gegeven die ook andere activiteiten omvat dan de werkzaamheden die behoren tot de fundamentele taken van het openbare gezag op het vlak van het algemeen bestuur, justitie, veiligheid of landsverdediging. Het is dus duidelijk dat bepaalde werkzaamheden als fabrikant, handelaar of dienstverrichter, die bijvoorbeeld door de gemeenten worden verricht, kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden verricht als overheid.

Om de ‘handelingen verricht als overheid’ te omschrijven kan men zich volgens het Hof niet baseren op het voorwerp of het doel van de werkzaamheid van het publiekrechtelijk lichaam. Het Hof benadrukt dat er ook rekening mee moet worden gehouden dat vele taken die oorspronkelijk aan de overheid waren voorbehouden, intussen door particulieren worden verricht en dat derhalve een definitie die alleen betrekking heeft op het voorwerp van de werkzaamheid niet kan voldoen.

Volgens deze rechtspraak is het beslissende criterium de omstandigheden waarin de werkzaamheden worden uitgeoefend die bepalend zijn voor de draagwijdte van de niet-belastingplicht. In de mate dat deze bepaling de niet-belastingplicht afhankelijk stelt van de voorwaarde dat betreffende publiekrechtelijke lichamen handelen als overheid, worden de werkzaamheden die zij verrichten als privaatrechtelijk lichaam, en derhalve aldus niet als publiekrechtelijk lichaam, van de niet-belastingplicht uitgesloten.

Om te bepalen of een werkzaamheid als overheid wordt verricht, is derhalve ook ̶ ter ondersteuning van het feit dat de werkzaamheid wordt verricht door een publiekrechtelijk lichaam ̶ de algemene context en de wijze van uitoefening van deze werkzaamheid van belang.

Het enige criterium waardoor met zekerheid een onderscheid kan worden gemaakt tussen beide categorieën werkzaamheden is bijgevolg het juridisch regime dat naar nationaal recht van toepassing is (met uitsluiting van de werkzaamheden die de publiekrechtelijke lichamen verrichten onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere marktdeelnemers) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Ufficio distrettuale delle imposte dirette di Fiorenzuola d' Arda tegen Comune di Carpaneto Piacentino en Comune di Rivergaro en anderen tegen Ufficio Provinciale imposta sul valore aggiunto di Piacenz, zaken [C-231/87](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-231-87-arrest) en 129/88, van 17.10.1989, punten 13 en volgende).

Niettegenstaande het referentiekader zoals dit blijkt uit voornoemde jurisprudentie, is het in de praktijk niet altijd eenvoudig het juridisch regime dat naar nationaal recht van toepassing is voor elke individuele handeling te bepalen.

Gelet op het reeds gemaakte onderscheid tussen de openbare instellingen die bij wijze van stichting en de instellingen bij wijze van vereniging tot stand komen (zie rubriek C hiervoor) en rekening houdend met de context waarin zij handelen evenals met de wijze waarop zij hun werkzaamheden uitoefenen **neemt de administratie als uitgangspunt dat publiekrechtelijke lichamen in België, in principe, steeds handelen als overheid in de zin van** [**artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek**](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6), en dus niet de hoedanigheid hebben van btw-belastingplichtige, onverminderd uiteraard de mogelijke toepassing van artikel 6, tweede of derde lid, van voornoemd Wetboek (zie rubrieken E en F hierna).

#### E. Concurrentieverstoring van enige betekenis

Indien een publiekrechtelijk lichaam handelingen verricht als overheid wordt haar overeenkomstig de bepalingen van [artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) evenwel de hoedanigheid van belastingplichtige toegekend voor die werkzaamheden of handelingen waarvoor een behandeling als niet-belastingplichtige tot **concurrentieverstoring van enige betekenis** zou leiden.

In verband met het begrip ‘concurrentieverstoring’ heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie verduidelijkt dat [artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-13) (hetgeen in Belgisch recht werd omgezet bij [artikel 6, tweede lid, van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6)) moet worden uitgelegd dat publiekrechtelijke lichamen als belastingplichtig moeten worden beschouwd voor de werkzaamheden die zij verrichten als overheid, niet alleen wanneer de omstandigheid dat zij niet belastingplichtig zijn uit hoofde van het lid 1, eerste alinea, of van het lid 2 van die bepaling leidt tot concurrentievervalsing van enige betekenis ten nadele van hun particuliere concurrenten, maar ook wanneer dat leidt tot dergelijke vervalsing in hun eigen nadeel (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Finanzamt Düsseldorf-Süd tegen SALIX Grundstücks-Vermietungsgesellschaft mbH & Co. Objekt Offenbach KG, zaak [C-102/08](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-102-08-arrest), van 04.06.2009, punt 76).

Verder verduidelijk het Hof dat het begrip ‘concurrentieverstoring van enige betekenis’ waartoe de behandeling als niet-belastingplichtige van publiekrechtelijke lichamen die werkzaamheden als overheid verrichten, zou leiden, moet worden beoordeeld met betrekking tot die werkzaamheden als zodanig zonder dat die beoordeling betrekking heeft op een specifieke plaatselijke markt. De term ‘zou leiden tot’ in de zin van [artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-13) van de Raad van 28.11.2006 moet aldus worden uitgelegd dat hij niet alleen slaat op daadwerkelijke concurrentie, maar ook op potentiële concurrentie, voor zover de mogelijkheid dat een particuliere marktdeelnemer werkzaam wordt op de relevante markt, reëel en niet zuiver hypothetisch is (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Commissioners of Her Majesty’s Revenue & Customs tegen Isle of Wight Council, zaak [C-288/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-288-07-arrest), van 16.09.2008).

Daarenboven moet de uitdrukking ‘van enige betekenis’ aldus worden begrepen in die zin dat de daadwerkelijke of potentiële concurrentievervalsing van meer dan onbeduidende omvang dient te zijn.

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat dienen navolgende voorwaarden **cumulatief** te zijn voldaan opdat openbare lichamen, ten aanzien van de handelingen die zij als overheid verrichten, overeenkomstig de bepalingen van [artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6), als belastingplichtige worden aangemerkt:

• de openbare lichamen verrichten dezelfde handelingen als andere economische operatoren, voornamelijk uit de privésector

• het verrichten van deze handelingen leidt tot een reële of zelfs potentiële concurrentieverstoring van enige betekenis waarvan de behandeling als niet-belastingplichtige de oorzaak is

• het betreft een reële of zelfs potentiële concurrentieverstoring in het nadeel van particuliere concurrenten dan wel een dergelijke concurrentieverstoring in het nadeel van betreffende publiekrechtelijke lichamen.

De bepaling van [artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) vormt met andere woorden op haar beurt een afwijking op de uitzondering die de niet-belastingplicht is, waardoor men terugvalt op de algemene regel van de belastingplicht.

De vraag of een bepaalde werkzaamheid die wordt verricht door een publiekrechtelijk lichaam aanleiding geeft tot ‘concurrentieverstoring van enige betekenis’ is een feitenkwestie die geval per geval en voor elke werkzaamheid afzonderlijk beschouwd dient te worden onderzocht.

**De administratie neemt aan dat er ten aanzien van een bepaalde werkzaamheid geen concurrentieverstoring van enige betekenis is indien de jaarlijkse omzet van een economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt. Deze drempel dient dus per door dat publiekrechtelijk lichaam verrichte werkzaamheid te worden beoordeeld zodat slechts de op die werkzaamheid betrekking hebbende omzet in acht wordt genomen (en niet per verrichting).**

**Het openbaar lichaam dat in de loop van het kalenderjaar met betrekking tot een bepaalde werkzaamheid de drempel van 25.000 euro overschrijdt dient onverwijld contact op te nemen met het bevoegde btw-controlecentrum.**

Dit btw-controlecentrum zal op basis van de feitelijke elementen en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis in de zin van [artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6). Bij twijfel zal het btw-controlecentrum het advies inwinnen van de centrale diensten btw van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit.

#### F. Specifieke werkzaamheden die niet van onbeduidende omvang zijn

Overeenkomstig [artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) beschikken publiekrechtelijke lichamen in elk geval over de hoedanigheid van belastingplichtige voor de in dat derde lid genoemde werkzaamheden voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn en dit zonder dat dient te worden nagegaan of er sprake is van een potentiële concurrentieverstoring.

Het betreft evenwel een limitatieve lijst die op strikte wijze moet worden toegepast en de omzetting in Belgisch recht vormt van bijlage I bij voornoemde richtlijn 2006/112/EG die door de lidstaten niet mag worden beperkt of uitgebreid.

De bepalingen opgenomen in [artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) vormen dus op hun beurt een bijkomende beperking op de regel van de niet-belastingplicht van de publiekrechtelijke lichamen. Deze wetsbepaling heeft tot doel te voorkomen dat bepaalde categorieën van economische activiteiten, waarvan het belang uit de aard van die werkzaamheden voortvloeit, aan de btw-heffing zouden worden onttrokken omwille van het loutere feit dat zij door publiekrechtelijke lichamen als overheid worden verricht.

De beoordeling van het al dan niet van onbeduidende omvang zijn van de in [artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) opgenomen werkzaamheden vormt een feitenkwestie die geval per geval en voor elke werkzaamheid afzonderlijk beschouwd dient te worden onderzocht.

**De Administratie aanvaardt dat een bepaalde werkzaamheid van onbeduidende omvang is indien de jaarlijkse omzet van die werkzaamheid het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.**

Volledigheidshalve gaat hierna een vergelijkende tabel tussen de bepalingen van [artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) en deze van koninklijk besluit nr. 26 met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde, dat bij koninklijk besluit van 20.12.2007 werd opgeheven.

| koninklijk besluit nr. 26 (opgeheven) | [artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) |
| --- | --- |
| Als belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde worden aangemerkt : |  |
| 1° de diensten en de regieën van de Staat, van de Gemeenschappen, van de Gewesten, van de provinciën, van de agglomeraties en van de gemeenten, alsmede de openbare instellingen, ten aanzien van : |  |
| • de levering en de voorziening van water, gas, elektriciteit en stoom; | 2° de levering en de voorziening van water, gas, elektriciteit en stoom; |
| • de verkoop van landbouw- en tuinbouwproducten, en van voedingsmiddelen van een landbouw- of een handelsbedrijf; |  |
|  | 5° de levering van nieuwe goederen geproduceerd voor de verkoop; |
| • het verlenen van het recht tot verkoop in het groot van land- en tuinbouwproducten op een openbare markt, georganiseerd in een speciaal voor dit doel uitgeruste en geëxploiteerde inrichting, evenals de leveringen van goederen en diensten die ze in dit kader verrichten; | 6° de handelingen van de landbouwinterventiebureaus met betrekking tot landbouwproducten, die worden verricht op grond van verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening voor deze producten; |
|  | 7° de exploitatie van commerciële beurzen en tentoonstellingen; |
| • de verkoop van bomen en hout van een bosbedrijf; |  |
| • de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens; | 4° de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens; |
| • de exploitatie en het verlenen van rechten op de exploitatie van een restaurant, een hotel of een drankgelegenheid die voor het publiek vrij toegankelijk zijn; | 11° de leveringen van goederen en de diensten verricht door bedrijfskantines, bedrijfswinkels, coöperaties en soortgelijke inrichtingen; |
| • de exploitatie en het verlenen van rechten op de exploitatie van een school voor het besturen van motorrijtuigen; |  |
| 2° de diensten en de regieën van de provincies en van de gemeenten, alsmede de openbare instellingen, ten aanzien van : |  |
| • de exploitatie en het verlenen van rechten op de exploitatie van een parkeergelegenheid, een opslagplaats, een kampeerterrein, een radio- of een televisiedistributienet en een slachthuis; | 8° de exploitatie en het verlenen van rechten op de exploitatie van een parkeergelegenheid, een opslagplaats en/of een kampeerterrein; |
| • de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op uit hun aard onroerende goederen die in [artikel 44, § 3, 1°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) van de vrijstelling worden uitgesloten; |  |
| • de verkoop van onroerende goederen die in [artikel 44, § 3, 1°, a), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) van de vrijstelling wordt uitgesloten; |  |
| • de zogenaamde onroerende leasing als bedoeld in [artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44); |  |
| 3° de Regie van de Gevangenisarbeid en de autonome strafinrichtingen die ressorteren onder het Ministerie van Justitie; |  |
| 4° de Dienst voor Nijverheidsbevordering; |  |
| 5° de Algemene Spaar- en Lijfrentekas; |  |
| 6° de Regie van Telegrafie en Telefonie; | 1° de telecommunicatiediensten; |
| 7° het Belgisch Staatsblad; |  |
| 8° (opgeheven) |  |
| 9° de Belgische Dienst voor bedrijfsleven en landbouw; |  |
| 10° (opgeheven) |  |
| 11° de Regie voor maritiem transport; |  |
| 12° de Proefbank voor vuurwapens; |  |
| 13° Vlaamse Radio en Televisieomroep, Omroep van de Vlaamse Gemeenschap, de ‘Radio-Télévision belge de la Communauté française’ en de ‘Belgischer Rundfunk’; | 12° de leveringen van goederen en de diensten verricht door radio- en televisieomroepdiensten. |
| 14° de Koninklijke Munt van België; |  |
| 15° de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen (N.I.R.A.S.). |  |
|  | 3° het goederen- en personenvervoer; |
|  | 9° de werkzaamheden inzake reclame; |
|  | 10° de diensten van reisbureaus bedoeld in artikel 1, § 7; |

Ter zake wordt opgemerkt dat de handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die niet uitdrukkelijk in [artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) werden opgenomen maar voorheen werden vermeld in koninklijk besluit nr. 26, in principe leiden tot een concurrentieverstoring (zie rubriek E hiervoor).

#### G. Handelingen die worden beoogd in [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)

Wanneer een publiekrechtelijk lichaam, als bedoeld door [artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6), handelingen verricht die worden beoogd door een van de bepalingen van artikel 44 van voornoemd Wetboek, moet worden onderzocht of een behandeling als niet-belastingplichtige van dat publiekrechtelijk lichaam tot potentiële concurrentieverstoring van enige betekenis ten nadele van particuliere concurrenten of ten nadele van het publiekrechtelijk lichaam zelf kan leiden (zie rubriek E hiervoor).

Dit is onder meer het gevolg van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 104/2008

van 17.07.2008, waarbij het Hof artikel 39, a), van de Programmawet van 27.12.2006 (BS 28.12.2006) heeft vernietigd*.* Op basis van dit artikel werd de hoedanigheid van belastingplichtige van rechtswege toegekend aan openbare instellingen die handelingen verrichten bedoeld in [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44).

Dienaangaand wordt in de randnummers 24 en 25 van [circulaire AAFisc nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2015-aafisc-redevable-impot-autorite-publique-2505) opgemerkt dat een publiekrechtelijk lichaam, dat niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft, een **concurrentieverstoring in haar nadeel** kan ondervinden indien zij als leasingnemer een onroerende financieringshuur als bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, en [artikel 44, § 3, 2°, b)](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), van het Wetboek wenst aan te gaan en dient te voldoen aan de voorwaarden zoals vermeld in het [koninklijk besluit nr. 30 van 29.12.1992 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a). Overeenkomstig [artikel 1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a#ar30-art1), van het voormeld koninklijk besluit moet het contract evenwel betrekking hebben op gebouwde onroerende goederen die opgericht of verkregen worden door de onderneming die gespecialiseerd is in financieringshuur of onroerende leasing, overeenkomstig de gespecificeerde aanwijzingen van de toekomstige leasingnemer om door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheid als belastingplichtige (al dan niet vrijgesteld overeenkomstig [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)) te worden gebruikt.

Er kan zelfs sprake zijn van potentiële **concurrentieverstoring in het voordeel** van een niet-belastingplichtig publiekrechtelijk lichaam, bijvoorbeeld indien zij in het kader van [artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) door haar eigen personeel een werk in onroerende staat laat verrichten, daar voornoemd artikel slechts van toepassing is op belastingplichtigen en geenszins ten aanzien van werk in onroerende staat, van welke aard ook (oprichting, grondige verbouwing, herstelling, onderhoud, reiniging …), verricht door een publiekrechtelijk lichaam dat als niet-belastingplichtige wordt aangemerkt.

**Rekening houdend met het voorgaande gaat de administratie ervan uit dat de handelingen die door een publiekrechtelijk lichaam als overheid worden verricht en die worden beoogd door de bepalingen van** [**artikel 44 van het Btw-Wetboek**](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) **in principe leiden tot een potentiële concurrentieverstoring. Derhalve moet een publiekrechtelijk lichaam dat dergelijke handelingen verricht overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, tweede lid, van voornoemd Wetboek als belastingplichtig worden aangemerkt wanneer betreffende concurrentieverstoring van enige betekenis is.**

Desalniettemin vormt de beoordeling van een concurrentieverstoring ‘**van enige betekenis**’ een feitenkwestie die geval per geval en voor elke werkzaamheid afzonderlijk beschouwd moet worden onderzocht.

**De administratie neemt aan dat er ten aanzien van een bepaalde werkzaamheid geen concurrentieverstoring van enige betekenis is indien de jaarlijkse omzet van deze economische activiteit het bedrag van 25.000 euro niet overschrijdt.**

Het publiekrechtelijk lichaam kan dit vermoeden van belastingplicht evenwel weerleggen door het indienen van een gemotiveerd verzoekschrift waarbij de afwezigheid van concurrentieverstoring aannemelijk wordt gemaakt.

#### H. Praktische toepassingen

De praktische toepassing van de bepalingen van [circulaire AAFisc nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2015-aafisc-redevable-impot-autorite-publique-2505) wordt toegelicht aan de hand van enkele toepassingsgevallen waarmee publiekrechtelijke lichamen vaak worden geconfronteerd. Deze ‘Frequently Asked Questions’ kunnen worden geraadpleegd in [circulaire 2017/C/91 van 22.12.2017 betreffende praktische toepassingsgevallen inzake de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2017-c-91-praktische-toepassingsgevallen-belastingplicht-publiekrechtelijke-lichamen-98a1) en [beslissing nr. E.T. 129.914 van 27.04.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-129-914-belastingplicht-publiekrechtelijk-lichaam-terbeschikkingstelling-2e58).

Voor een omstandige toelichting bij de belastingplicht van hulverleningszones wordt verwezen naar [beslissing nr. E.T. 128.051 van 14.12.2015](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-128-051-belastingplicht-hulpverleningszones-potentiele-914d).

Voor een praktische toelichting bij de btw-belastingplicht van steden, gemeenten, OCMW's en hulpverleningszones ten aanzien van de terbeschikkingstelling van personeel om vaccinatiecentra van het nodige personeel te voorzien in de strijd tegen de COVID-19-pandemie wordt verwezen naar [circulaire 2021/C/17 van 25.02.2021 betreffende de terbeschikkingstelling van personeel door bepaalde publiekrechtelijke lichamen om vaccinatiecentra van het nodige personeel te voorzien](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-17-terbeschikkingstelling-personeel-bepaalde-publiekrechtelijke-lichamen-f55c).

### 2. Intercommunales

Wanneer de intercommunale vereniging in het kader van haar statutaire opdracht werkelijk in de plaats van de aangesloten gemeenten handelt, en deze laatsten ten voordele van de intercommunale vereniging afstand doen van hun reglementerings- en beheersrechten ten aanzien van de opdrachten waarvan zij de lasten droegen, vertegenwoordigen de sommen die door de gemeenten aan de intercommunale vereniging worden gestort niet de prijs van een dienst, maar een financiële bijdrage in de beheerslasten.

De vraag of een gemeente werkelijk afstand heeft gedaan van haar reglementerings- en beheersrechten met betrekking tot een bepaalde opdracht ten voordele van een intercommunale vereniging waartoe zij is toegetreden en dit op een zodanige wijze dat de intercommunale vereniging er het beheer van verricht in de plaats van haar lid, is een vraagstuk dat per geval moet worden beoordeeld. Er werd evenwel beslist dat een gemeente geen werkelijke afstand van haar reglementerings- en beheersrechten heeft gedaan wanneer:

• een gemeente een beroep mag doen op een openbare aanbesteding voor de uitvoering van handelingen waarvan zij het beheer aan een intercommunale vereniging heeft overgelaten.

• een gemeente het recht behoudt zelf de aan de intercommunale vereniging overgelaten opdracht uit te voeren.

• meer algemeen de gemeente, niettegenstaande haar toetreding, vrij blijft in de keuze van haar medecontractant.

• diensten en regieën van de Staat of provincies bindingen aangaan met intercommunale verenigingen.

#### A. Werkelijke afstand van reglementerings- en beheersrechten

In geval de gemeente haar beheersrechten werkelijk afstaat aan de intercommunale vereniging zal ten aanzien van de toepasselijke regeling een onderscheid moeten worden gemaakt naargelang de werkzaamheden van beheer, die de intercommunale vereniging in de plaats van de gemeenten uitoefent, al dan niet aan de btw onderworpen zijn.

##### a. de werkzaamheden van beheer zijn aan de btw onderworpen

Deze werkzaamheden zijn die waarvoor de gemeenten overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid van het Btw-Wetboek als belastingplichtige met recht op aftrek worden aangemerkt (zie rubrieken E en F van titel 1 ‘ Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen’ hiervoor). Het betreft onder andere de werkzaamheden die betrekking hebben op de levering aan verbruikers van water, gas, elektriciteit of stoom.

De volgende oplossingen zijn van toepassing:

• de intercommunale verstrekt rechtstreeks de goederen en diensten aan de verbruikers, zonder tussenkomst van de gemeente.

De btw is verschuldigd in de betrekkingen tussen de intercommunale en de verbruikers op de prijs die aan de verbruikers wordt gevraagd. Alleen de intercommunale heeft de hoedanigheid van belastingplichtige. Die hoedanigheid geeft haar het recht de voorbelasting met betrekking tot die werkzaamheid in aftrek te brengen.

• de gemeenten verstrekken zelf de goederen en diensten aan de verbruikers maar laten het beheer over die werkzaamheid geheel of gedeeltelijk over aan de intercommunale.

De belasting is in beginsel verschuldigd in de betrekkingen tussen de gemeente en de verbruikers, op het bedrag dat hen voor de hun verstrekte diensten en goederen wordt gevraagd. De gemeente heeft de hoedanigheid van belastingplichtige en brengt in die hoedanigheid de voorbelasting met betrekking tot die werkzaamheid in aftrek.

Anderzijds is de belasting niet verschuldigd op de bedragen die de gemeenten als deelneming in de beheerskosten aan de intercommunale betalen. De voorbelasting waarmee de beheerskosten bezwaard zijn, mogen echter door de gemeenten in aftrek worden gebracht, in de mate waarin de gemeenten tussenkomen in die kosten. In dat opzicht wordt aangenomen dat de intercommunale een geheel vormt met ieder van de aangesloten gemeenten.

Aangezien de intercommunale evenwel vaak beter dan de gemeenten uitgerust is voor het vervullen van de formaliteiten die voor de toepassing van de btw vereist zijn, zal de administratie geen kritiek uitoefenen op de hierna vermelde oplossingen:

o indien de gemeenten het beheer volledig aan de intercommunale overlaten (bijvoorbeeld de levering en de voorziening van water, gas, elektriciteit of stoom), mag worden aangenomen dat de intercommunale de goederen en diensten rechtstreeks aan de verbruikers verstrekt. In dat geval kan de belasting betaald worden in de betrekkingen tussen de intercommunale en de verbruikers en mag de intercommunale een globale btw-aangifte indienen voor het geheel van de aan de verbruikers van de aangesloten gemeenten gedane leveringen.

o indien de gemeente het beheer over een bedrijfssector slechts gedeeltelijk aan de intercommunale overlaat kan worden aangenomen dat de intercommunale belastingplichtige is voor dat beheer en mogen de kosten ervan, verhoogd met de belasting, aan de gemeente worden aangerekend. De gemeente moet de belasting betalen op de door haar aan de verbruikers verstrekte leveringen en diensten, na aftrek van de belasting die haar in rekening wordt gebracht, terwijl de intercommunale de belasting waarmee haar beheerskosten bezwaard zijn zelf in aftrek brengt. In dat verband wordt aangestipt dat, bij wederverkoop door een gemeente aan verbruikers van water, gas, elektriciteit of stoom, gekocht bij een intercommunale, de belasting op die aankoop verschuldigd is.

##### b. de werkzaamheden van beheer zijn niet aan de btw onderworpen

Die werkzaamheden zijn die waarvoor de gemeente overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid van het Btw-Wetboek niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft (zie rubrieken E en F van titel 1 ‘ Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen’ hiervoor). Dit is bijvoorbeeld het geval voor het ophalen van huisvuil.

In de betrekkingen tussen de intercommunale en de gemeenten is de belasting op de financiële tussenkomst van die gemeenten in de beheerskosten niet verschuldigd. Maar de intercommunale heeft ten aanzien van die werkzaamheid niet de hoedanigheid van belastingplichtige en ze kan de voorbelasting met betrekking tot die werkzaamheid niet in aftrek brengen.

Die bijzondere regeling is evenwel niet van toepassing wanneer een bij een intercommunale aangesloten gemeente overgaat tot een aanbesteding voor de uitvoering van een werk en die intercommunale uitnodigt in te schrijven zoals de andere aannemers. Desgevallend is de intercommunale een belastingplichtige in de mate waarin zij, als gevolg van de toewijzing, werk verricht voor de gemeente.

#### B. Geen werkelijke afstand is van reglementerings- en beheersrechten

Ten aanzien van deze werkzaamheden waarvoor er geen afstand is van de reglementerings- en beheersrechten ten voordele van de intercommunale vereniging dienen de regels van het gemeen recht te worden toegepast. Aldus handelen de intercommunale verenigingen als zodanig niet overeenkomstig de bepalingen van [artikel 6 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6), maar worden zij aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van artikel 4, § 1, van voornoemd Wetboek.

Zo moet bijvoorbeeld, bij ontstentenis van een werkelijke afstand, een intercommunale vereniging die, in de uitoefening van een geregelde werkzaamheid, leveringen van goederen of diensten als bedoeld in het Wetboek ten voordele van een aangesloten gemeente verricht, zelfs in het kader van een verenigingscontract, deze leveringen van goederen of dienstverleningen aan de btw onderwerpen.

Ten aanzien echter van de diverse werkzaamheden die aan de belasting onderworpen zijn, zelfs indien ze verricht worden door een publiekrechtelijk lichaam (handelingen als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid, van het Btw-Wetboek) zoals bijvoorbeeld de levering en de distributie aan verbruikers van water, gas, elektriciteit of stoom, mogen de bijzondere regels bepaald in punt a. van rubriek A ‘ werkelijke afstand van reglementerings- en beheersrechten’ worden toegepast en dit zelfs bij ontstentenis van een werkelijke afstand.

#### C. Andere handelingen

Hier worden de handelingen beoogd die een intercommunale vereniging buiten het kader van haar statutaire opdracht verricht zoals onder meer het leveren van goederen en het verrichten van diensten rechtstreeks aan andere personen dan de toegetreden gemeenten. Deze handelingen zijn evenwel onderworpen aan de gebruikelijke btw-regeling welke op die handelingen van toepassing is (zie [aanschrijving nr. 148/1971 van 05.10.1971](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/148-1971-aanschrijving-intercommunale-redevable-impot-assujettissement-db99), gewijzigd bij de [aanschrijving nr. 6/1975 van 27.02.1975](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/148-1971-aanschrijving-intercommunale-redevable-impot-assujettissement-db99)).

### 3. Autonome gemeente- en provinciebedrijven

Zoals wordt benadrukt in randnummer 5 van [circulaire AAFisc nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2015-aafisc-redevable-impot-autorite-publique-2505) beogen de bepalingen van [artikel 6 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) niet de publiekrechtelijke verenigingen die bij wijze van vereniging, en aldus niet bij wijze van stichting, tot stand zijn gebracht.

De autonome gemeente- en provinciebedrijven met rechtspersoonlijkheid worden dan ook niet beoogd door de bepalingen van [artikel 6 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) maar worden aangemerkt als belastingplichtigen in de zin van [artikel 4, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), van dit Wetboek indien zij in dat Wetboek bedoelde handelingen verrichten (zie ook [beslissing nr. E.T. 101.890 van 27.03.2002](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-101-890-gemeente-provinciebedrijven-btw-1579)).

De toepassing van bepaalde vrijstellingen opgenomen in de bepalingen van [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), waaraan de voorwaarde is verbonden dat betreffende instellingen niet systematisch het maken van winst mogen beogen, leidt in de praktijk bij autonome gemeentebedrijven nog tot toepassingsmoeilijkheden.

Deze problematiek wordt uitvoerig toegelicht bij [beslissing nr. E.T. 129.288 van 19.01.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-129-288-autonoom-gemeentebedrijf-belastingplicht-instelling-zonder-114c) en waarbij de heer Minister bijkomende toelichting heeft verschaft in zijn antwoord op [mondelinge parlementaire vraag nr. 1.955 van de heer Volksvertegenwoordiger Luk Van Biesen van 06.12.2017](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1955-autonoom-gemeentebedrijf-luk-biesen-d88a).

Wat hun aard betreft lijdt het weinig twijfel dat de handelingen verricht door een autonoom gemeentebedrijf als exploitant van een inrichting voor sport, cultuur en vermaak voor het geheel worden beoogd door een vrijstelling van [artikel 44, § 2, 3°; 4° a); 6°; 7° en 9°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44). Het toepassingsgebied van deze vrijstellingen is echter beperkt tot de handelingen verricht door instellingen die geen winstoogmerk nastreven en van wie de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend worden gebruikt om de kosten ervan te dekken.

#### A. Begrip 'instelling zonder winstoogmerk'

Het begrip 'instelling zonder winstoogmerk' werd verduidelijkt door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest Kennemer Golf & Country Club (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Kennemer Golf & County Club tegen Staatssecretaris van financiën, zaak [C-174/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-174-00-arrest), van 21.03.2002). Om te beoordelen of een instelling kwalificeert als een instelling zonder winstoogmerk dienen alle activiteiten van die instelling in aanmerking te worden genomen. Het volstaat niet dat de handelingen die in aanmerking komen voor de vrijstelling, zonder winstoogmerk worden verricht, terwijl andere handelingen met een commercieel doel worden gesteld. De instelling, in haar geheel beschouwd, heeft geen winstoogmerk indien zij niet tot doel heeft winst te maken met het oog op de verdeling daarvan onder haar leden. Het bestaan van een dergelijk doel, moet worden bepaald aan de hand van het statutaire doel van de instelling en de concrete feitelijke omstandigheden van de zaak.

Als een instelling op basis van voornoemde criteria kwalificeert als een instelling zonder winstoogmerk, is het niet relevant of zij al dan niet systematisch overschotten realiseert of nastreeft. Als een instelling zonder winstoogmerk wordt ook gekwalificeerd de instelling die systematisch streeft naar overschotten, mits deze niet als winst onder de leden worden verdeeld.

De voorwaarde dat de betreffende instellingen de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend mogen gebruiken tot dekking van de kosten ervan, houdt in dat zij wel degelijk overschotten mogen realiseren of zelfs nastreven, mits deze overschotten niet als winst onder de leden worden verdeeld en mits de instellingen deze overschotten aanwenden ten behoeve van hun vrijgestelde handelingen.

Een andersluidende interpretatie zou erop neerkomen instellingen te verbieden hun boekjaar met een batig saldo af te sluiten en hen te verhinderen reserves te creëren die zij kunnen aanwenden voor de instandhouding of de verbetering van de door hen verleende vrijgestelde handelingen.

De administratie heeft zich bij voornoemde principes inzake de draagwijdte van het begrip 'instelling zonder winstoogmerk' aangesloten ([beslissing nr. E.T. 104.780 van 27.11.2003](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-104-780-afwezigheid-winstoogmerk-btw-2918)).

#### B. Het autonoom gemeentebedrijf als instelling met of zonder winstoogmerk

Het feit dat een instelling werkingssubsidies ontvangt heeft op zich geen invloed op de toepassing van voornoemde vrijstellingen.

Het toekennen van werkingssubsidies kan het bewijs vormen dat de instelling of inrichting zelf niet genoeg middelen heeft om haar uitgaven te dekken, met andere woorden dat haar ontvangsten zelf niet voldoende zijn om haar exploitatiekosten te dekken. Hieruit volgt dat het toekennen van werkingssubsidies er op kan wijzen dat winstoogmerk ontbreekt ([schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.320 van de heer Volksvertegenwoordiger Stephan Goris van 12.06.2006](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1320-exploitanten-sportinrichtingen-werkingssubsidies-goris-exploitatie-8a43)).

De toenmalige Minister bevoegd voor de Modernisering van Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude toegevoegd aan de Minister van Financiën heeft de draagwijdte van dit ministerieel antwoord verduidelijkt. Uit dat antwoord blijkt dat de belastingplicht met recht op aftrek van voorbelasting volgens de normale regels niet kan worden betwist voor autonome gemeentebedrijven die niet de vorm van een nv of een bv hebben aangenomen en die een inrichting beoogd door [artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) (mutatis mutandis artikel 44, § 2, 4°, a); 6°; 7°, en 9°, van het Btw-Wetboek) uitbaten, **waarvan uit de statuten blijkt dat zij een winstoogmerk hebben en dat zij zich tot doel stellen winst uit te keren** ([mondelinge parlementaire vraag nr. 519 van de heer Volksvertegenwoordiger Jan Peeters van 11.12.2007](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/519-autonome-gemeentebedrijven-mondelinge-peeters-gemeentebedrijf-c467)).

De heer Minister van Financiën heeft ter zake nog verduidelijkt dat autonome gemeentebedrijven die niet de vorm van een nv of een bv hebben aangenomen en die activiteiten ontwikkelen waarvan de vrijstelling afhankelijk is van het gebrek aan winstoogmerk, buiten het toepassingsgebied van de betreffende vrijstelling vallen wanneer hun statuten voorzien dat de eventuele winsten zullen worden uitgekeerd aan de leden **en dit ook daadwerkelijk gebeurt** ([schriftelijke parlementaire vraag nr. 842 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Valérie Warzee-Caverenne van 02.04.2014](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/842-aftrekbaarheid-btw-investeringen-autonome-gemeentebedrijven-8f26)).

#### C. Invloed van het ontvangen van subsidies door een Autonoom Gemeentebedrijf van de gemeente

De kwalificatie van een autonoom gemeentebedrijf als belastingplichtige met recht op aftrek in de zin van [artikel 4 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) belet niet dat de administratie later kan **onderzoeken of de statutaire bepalingen niet louter theoretisch zijn** en desgevallend kan besluiten dat voornoemde vrijstelling alsnog van toepassing is (zie in dit verband onder meer [mondelinge parlementaire vraag nr. 1.592 van de heer Volksvertegenwoordiger Roel Deseyn van 28.01.2015](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1592-btw-plicht-agb-mondelinge-roel-3165)).

Dit zal het geval zijn wanneer systematisch tekorten voorkomen in hoofde van het autonoom gemeentebedrijf omdat de aan de bezoekers van de inrichting aangerekende prijzen niet volstaan tot dekking van de exploitatiekosten van het autonoom gemeentebedrijf en het bijgevolg onmogelijk is om winsten uit te keren. Hiervoor dient **het operationeel resultaat** van de globale activiteit van het autonoom gemeentebedrijf in aanmerking te worden genomen ([schriftelijke parlementaire vraag nr. 481 van de heer Volksvertegenwoordiger Benoît Dispa van 16.07.2015](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/481-btw-plicht-autonome-gemeentebedrijven-benoit-695f)).

In dat verband kunnen de **werkingssubsidies** die door de gemeente aan het autonoom gemeentebedrijf worden ter beschikking gesteld, gelet op de nauwe band tussen het autonoom gemeentebedrijf en de gemeente, niet worden aangemerkt als ontvangsten uit een bepaalde activiteit. De werkingssubsidies mogen bijgevolg niet als bijkomende ontvangsten worden aangemerkt en mogen evenmin in mindering worden gebracht van de gedane kosten voor het bepalen van het boekhoudkundig resultaat. De door de gemeente aan het autonoom gemeentebedrijf toegekende **subsidies die rechtstreeks verband houden met de prijs** behoren tot de maatstaf van heffing van de btw en worden dan ook gevoegd bij de ontvangsten van het autonoom gemeentebedrijf om te bepalen of de statutaire bepalingen inzake winstoogmerk en het doel winsten uit te keren al dan niet theoretisch zijn.

Van een rechtstreeks verband met de prijs is slechts sprake indien de subsidie specifiek aan het gesubsidieerde orgaan wordt betaald om een welbepaald goed te leveren of een welbepaalde dienst te verrichten. Dit verband tussen de subsidie en de prijs moet duidelijk blijken uit een onderzoek van de concrete omstandigheden die aan de basis van de betaling van de tegenprestatie liggen. Daarentegen is het niet nodig dat de prijs van het goed of de dienst, of een deel ervan, bepaald zou zijn. Het volstaat dat hij bepaalbaar is (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Office des produits wallons ASBL tegen Belgische Staat, zaak [C-184/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-184-00-arrest), van 22.11.2001, punten 11 tot en met 13).

De aandacht wordt erop gevestigd dat prijssubsidies enkel voor de toekomst kunnen worden vastgesteld of aangepast en niet voor het verleden. Zo is het mogelijk om in de loop van het boekjaar het bedrag van de prijssubsidies aan te passen, maar dan enkel voor de toekomst en niet voor het verleden.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zowel werkingssubsidies als subsidies die rechtstreeks verband houden met de prijs die door een andere dan een gemeentelijke overheid aan het autonoom gemeentebedrijf worden ter beschikking gesteld in de regel worden aangemerkt als ontvangsten uit een bepaalde activiteit en worden meegerekend bij de beoordeling van het winstoogmerk (zie ook [schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.955 van de heer Volksvertegenwoordiger Luk van Biesen van 06.12.2017](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1955-autonoom-gemeentebedrijf-luk-biesen-d88a)).

#### D. Andere elementen waarmee rekening moet gehouden worden om te bepalen of een autonoom gemeentebedrijf al dan niet kwalificeert als een instelling zonder winstoogmerk

Om uit te maken of een autonoom gemeentebedrijf al dan niet moet aangemerkt worden als een instelling zonder winstoogmerk moet ook rekening worden gehouden met volgende elementen:

• Voor het bepalen van de winst moet rekening worden gehouden met het boekhoudkundig resultaat (met inbegrip van afschrijvingen, aanleggen van provisies…) en mag men niet louter vergelijken tussen het boek voor inkomende facturen enerzijds en het boek voor uitgaande facturen/dagboek voor ontvangsten anderzijds.

Er wordt opgemerkt dat indien bijvoorbeeld personeelsleden gratis door een gemeente ter beschikking van een autonoom gemeentebedrijf worden gesteld of indien een gemeente gratis handelingen verricht voor een autonoom gemeentebedrijf, respectievelijk de waarde van deze terbeschikkingstelling (potentiële personeelskost) dan wel de waarde van die gratis verrichte handelingen niet in aanmerking dient te worden genomen om voornoemd boekhoudkundig resultaat te bepalen. In casu zou het bepalen van een dergelijke fictieve kost aanleiding geven tot aanzienlijke bijkomende administratieve lasten in hoofde van het autonoom gemeentebedrijf en in hoofde van de administratie tevens praktische moeilijkheden inzake controleerbaarheid met zich kunnen meebrengen (zie ook [schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.955 van de heer Volksvertegenwoordiger Luk van Biesen van 06.12.2017](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1955-autonoom-gemeentebedrijf-luk-biesen-d88a)).

De administratie zal in de regel noch deze kosteloze ter beschikkingstelling van personeel noch het verrichten van dergelijke gratis handelingen door een gemeente voor een autonoom gemeentebedrijf aanmerken als misbruik in de zin van [artikel 1, § 10, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1).

• Het globale resultaat van de activiteit (dus niet activiteit per activiteit) van de instelling dient in aanmerking te worden genomen. Er wordt evenwel geen rekening gehouden met zowel uitzonderlijke opbrengsten (bijvoorbeeld de inkomsten uit onroerende en financiële transacties) als met uitzonderlijke kosten. De winst/verlies-positie moet structureel zijn en onafhankelijk van toevallige gebeurtenissen langs inkomsten- of uitgavenzijde. De uitzonderlijke economische omstandigheden ingevolge de uitbraak van COVID-19 (Coronavirus) worden aangemerkt als een dergelijke toevallige gebeurtenis. Voor een meer omstandige toelichting en voor wat de praktische toepassingsmodaliteiten betreft, wordt verwezen naar [circulaire 2021/C/8 van 05.02.2021 betreffende de beoordeling van de al dan niet aanwezigheid van een winstoogmerk in hoofde van een autonoom gemeentebedrijf](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2021-c-8-beoordeling-al-dan-aanwezigheid-winstoogmerk-b90e).

Tot slot wordt opgemerkt dat al hetgeen voorafgaat mutatis mutandis van toepassing is ten aanzien van autonome provincebedrijven.

### 4. Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden

De behandeling van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals hierna uiteengezet, maakt het voorwerp uit van [beslissing nr. E.T. 111.703 van 06.09.2006](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-111-703-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-ffc7).

Intergemeentelijke samenwerking is de samenwerking op vrijwillige basis tussen twee of meer gemeenten met het oog op het realiseren van een gemeenschappelijke doelstelling. Het Vlaams Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking van 06.07.2001 regelt de bepalingen die gelden voor alle samenwerkingsverbanden van gemeenten waarvan het hele ambtsgebied binnen het Vlaams Gewest valt.

Dit decreet onderscheidt de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid (de interlokale vereniging) en met rechtspersoonlijkheid (de projectvereniging, de dienstverlenende vereniging en de opdrachthoudende vereniging) die hierna worden toegelicht.

#### A. Samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid

De interlokale vereniging is een samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid en zonder beheersoverdracht. Gemeenten kunnen voor deze samenwerkingsvorm opteren om een welbepaald project uit te voeren. Behoudens andersluidende decretale bepalingen kunnen andere rechtspersonen, zowel van publiek recht als van privaat recht, hieraan deelnemen.

Deze interlokale verenigingen treden op onder hun eigen naam en kunnen vanuit hun eigen organisatie goederen en diensten ontvangen en goederen en diensten verstrekken. Ten opzichte van derden treden zij op als een afzonderlijke entiteit. De interlokale vereniging wordt als belastingplichtige aangemerkt voor levering van goederen en diensten ten voordele van deelnemende gemeenten en derden.

De overeenkomst kan bepalen dat één van de deelnemende gemeenten wordt aangesteld als beherende gemeente waar de zetel wordt gevestigd en die de interlokale vereniging vertegenwoordigt. De beherende gemeente kan eigen personeel inzetten ten behoeve van het samenwerkingsverband. Deze terbeschikkingstelling van personeel en de inbrengen van de gemeenten in de interlokale vereniging zijn niet aan de btw onderworpen tenzij de gemeenten op grond van artikel 6, tweede en derde lid, van het Btw-Wetboek handelen als belastingplichtige met recht op aftrek (zie rubrieken E en F van titel 1 ‘Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen’ hiervoor). Inbrengen in geld zijn in geen geval onderworpen aan de btw.

#### B. Samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid

Twee of meer gemeenten kunnen ook een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid tot stand brengen om hun doelstellingen die behoren tot één of meer inhoudelijk samenhangende beleidsdomeinen te realiseren. Naast gemeenten en provincies kunnen behoudens andersluidende decretale bepalingen uitsluitend autonome gemeentebedrijven, OCMW's en hun verenigingen, in zoverre die uitsluitend uit openbare rechtspersonen bestaan, en andere samenwerkingsverbanden, opgericht volgens de bepalingen van het decreet van 06.07.2001, hieraan deelnemen. Het samenwerkings­verband met rechtspersoonlijkheid is een publiekrechtelijke rechtspersoon. Haar verbintenissen hebben evenwel geen handelskarakter.

De gemeenten beslissen over de beheersoverdracht overeenkomstig de statuten van het samenwerkingsverband. Onder beheersoverdracht wordt verstaan het toevertrouwen door de deelnemende gemeenten aan het samenwerkingsverband van de uitvoering van door hen genomen beslissingen in het kader van zijn doelstellingen, in die zin dat de deelnemende gemeenten zich het recht ontzeggen zelfstandig of samen met derden dezelfde opdracht uit te voeren. Het bestaan van beheersoverdracht moet blijken uit de statuten van het intergemeentelijk samenwerkingsverband. In dit opzicht wordt opgemerkt dat het principe van de exclusieve dienstverlening, waarbij gemeenten opteren om bepaalde diensten exclusief af te nemen bij het samenwerkingsverband, niet kan worden aangemerkt als of gelijkgesteld met beheersoverdracht.

Er bestaan drie vormen van een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid:

##### a. projectvereniging

De projectvereniging is een samenwerkingsverband zonder beheersoverdracht dat tot doel heeft een duidelijk omschreven project te plannen, uit te voeren en te controleren.

Inzake btw moet de projectvereniging worden aangemerkt als een gewone belastingplichtige bedoeld in [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4).

##### b. dienstverlenende vereniging

De dienstverlenende vereniging is een samenwerkingsverband zonder beheersoverdracht dat tot doel heeft een duidelijk omschreven ondersteunende dienst te verlenen aan de deelnemende gemeenten, eventueel voor verschillende beleidsdomeinen.

Inzake btw moet de dienstverlenende vereniging worden aangemerkt als een gewone belastingplichtige bedoeld in [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4).

##### c. opdrachthoudende vereniging

De opdrachthoudende vereniging is een samenwerkingsverband met beheersoverdracht waaraan de deelnemende gemeenten de uitvoering van één of meer duidelijk omschreven bevoegdheden met betrekking tot één of meer functioneel samenhangende beleidsdomeinen toevertrouwen.

Vermits er bij de opdrachthoudende vereniging beheersoverdracht is door de deelnemende gemeenten, handelt de opdrachthoudende vereniging voor rekening en in de plaats van deze gemeenten. De handelingen die de opdrachthoudende vereniging aldus in de plaats van de gemeenten verricht zijn al dan niet aan de btw onderworpen en dit naargelang betreffende gemeenten voor het verrichten van die handelingen al dan niet als belastingplichtige met recht op aftrek worden aangemerkt overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid van het Btw-Wetboek (zie rubrieken E en F van titel 1 ‘ Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen’ hiervoor).

Voor verdere toelichting ter zake wordt verwezen naar rubriek A van titel 2 ‘Intercommunales’ hiervoor.

\[Top\]

## Afdeling 7 - Toevallige belastingplichtigen

### 1. Toevallige leveringen van nieuwe gebouwen of van zakelijke rechten op die gebouwen

De hoedanigheid van belastingplichtige wordt in beginsel automatisch verkregen. Dit impliceert dat hij die onder de in het Wetboek bepaalde omstandigheden leveringen van goederen of diensten verricht, van rechtswege belastingplichtige is en dit zonder dat enige formaliteit moet worden vervuld en ongeacht de plaats waar hij zijn economische activiteit uitoefent.

Niettemin wordt opgemerkt dat de personen die slechts toevallig nieuwe gebouwen vervreemden of op die gebouwen zakelijke rechten vestigen, overdragen of wederoverdragen ingevolge de bepalingen van [artikel 8 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) de hoedanigheid van belastingplichtige niet van rechtswege verkrijgen maar dat ze uitdrukkelijk voor deze hoedanigheid moeten opteren.

Beoogd wordt:

• hij die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een gebouw of een gedeelte van een gebouw heeft opgericht, heeft laten oprichten of heeft verkregen met voldoening van de belasting, en het uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat goed, onder bezwarende titel vervreemdt, heeft ten aanzien van de vervreemding van dit goed en het bijhorende terrein de hoedanigheid van belastingplichtig.

• hij die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een gebouw of een gedeelte van een gebouw heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen en waarop hij, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat goed, onder bezwarende titel een zakelijk recht vestigt in de zin van [artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) heeft ten aanzien van deze vestiging de hoedanigheid van belastingplichtige (5).

• hij die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een zakelijk recht in de zin van [artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) dat met voldoening van de belasting te zijnen bate werd gevestigd of aan hem werd overgedragen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat goed, onder bezwarende titel, overdraagt of wederoverdraagt, heeft ten aanzien van de overdracht of wederoverdracht van dit zakelijk recht op een gebouw of een gedeelte van een gebouw de hoedanigheid van belastingplichtige (5).

*(5)* *Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer betreffende vestiging van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein.*

De wijze waarop de optie moet gebeuren, alsmede de regeling op het stuk van de aftrek en de betaling van de btw zijn vastgesteld in het koninklijk besluit nr. 14 van 03.06.1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van [artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) op zulke goederen.

Die optie geeft voornoemde personen en groeperingen de mogelijkheid het nieuwe gebouw of een gedeelte van dat gebouw met toepassing van de btw te vervreemden of een zakelijk recht met betrekking tot een dergelijk gebouw met toepassing van de btw te vestigen, over te dragen of weder over te dragen en overeenkomstig de bepalingen van [artikel 45 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) de voorbelasting te recupereren geheven van de kosten die zij hebben moeten betalen uit hoofde van de oprichting of verkrijging van dat gebouw of uit hoofde van de vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht op een dergelijk gebouw.

Voor een omstandige toelichting van de btw-behandeling van de toevallige leveringen van nieuwe gebouwen of gedeelten van nieuwe gebouwen of van de zakelijke rechten op die gebouwen, en meer in het algemeen voor de btw-behandeling van transacties met betrekking tot onroerende goederen wordt verwezen naar ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16 – Afdelingen 1 en 2’.

### 2. De personen of groepering die toevallig een nieuw vervoermiddel intracommunautair leveren

Overeenkomstig de bepalingen van [artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) wordt als belastingplichtige tevens aangemerkt ‘*eenieder die toevallig onder bezwarende titel een nieuw vervoermiddel levert onder de voorwaarden van artikel 39bis*’.

Vooreerst wordt opgemerkt dat de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van [artikel 8bis, § 1, van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) **van rechtswege**, en aldus niet door optie, wordt verkregen.

Dit artikel draagt drie essentiële kenmerken in zich:

• de hoedanigheid van de persoon: **eenieder** is belastingplichtige

• het voorwerp van de handeling: een **nieuw vervoermiddel**

• de handeling: **levering van het nieuw vervoermiddel wordt onder bezwarende titel verricht onder de voorwaarden van** [**artikel 39bis van het Btw-Wetboek**](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis).

Op grond van [artikel 8bis van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) verkrijgt **eenieder** die in dat artikel bedoelde handelingen verricht de hoedanigheid van belastingplichtige. Worden aldus beoogd:

• particulieren (loontrekkenden, gepensioneerden …)

• publiekrechtelijke lichamen en openbare instellingen en dit zelfs wanneer zij enkel handelingen als overheid verrichten en niet als belastingplichtige met recht op aftrek overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid van het Btw-Wetboek worden aangemerkt (zie rubrieken D, E en F van titel 1 ‘ Belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen’ van afdeling 6 hiervoor)

• passieve holdings

• …

Als tweede voorwaarde geldt dat het vervoermiddel als een ‘**nieuw vervoermiddel**’ in de zin van [artikel 8bis, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) moet worden aangemerkt.

Worden aldus bedoeld de door [artikel 8bis, § 2, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis), van dat Wetboek beoogde:

• landvoertuigen, indien hun levering plaatsvindt binnen de zes maanden na de datum van hun eerste ingebruikneming of die niet meer dan 6000 kilometer hebben afgelegd

• boten indien hun levering plaatsvindt binnen de drie maanden na de datum van hun eerste ingebruikneming of die niet meer dan 100 uren hebben gevaren

• luchtvaartuigen indien hun levering plaatsvindt binnen de drie maanden na de datum van hun eerste ingebruikneming of die niet meer dan 40 uren hebben gevlogen.

Als laatste voorwaarde stellen de bepalingen van [artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) dat slechts de **levering, onder bezwarende titel, van voornoemd nieuw vervoermiddel wordt beoogd wanneer zij wordt verricht onder de voorwaarden van** [**artikel 39bis**](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) **van dat Wetboek.** Zijnde de levering van het nieuw vervoermiddel gebeurt door de verkoper, door de afnemer of wordt voor hun rekening naar de afnemer verzonden of vervoerd, buiten België, maar binnen de Gemeenschap, zonder onderscheid voor de toepassing van deze bepaling of de verwerver in de lidstaat van bestemming een belastingplichtige, een niet-belastingplichtige rechtspersoon of een andere niet-belastingplichtige is.

Voor een verdere toelichting van de gevolgen van de belastingplicht in de zin van [artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) met betrekking tot de toevallige intracommunautaire levering van een nieuw vervoermiddel wordt verwezen naar ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer’.

\[Top\]

## Afdeling 8 - Gedeeltelijke en gemengde belastingplichtigen

De bepalingen van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) hebben reeds verduidelijk dat als belastingplichtige wordt aangemerkt *‘eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend’*.

Nu kan een zelfde persoon of groepering, in de uitoefening van zijn economische activiteit, tegelijk diverse soorten handelingen verrichten, zo kunnen navolgende handelingen worden onderscheiden:

• handelingen die **buiten de toepassingssfeer van het Btw-Wetboek** vallen, zoals bijvoorbeeld gratis handelingen of handelingen verricht als overheid waarvoor het betrokken publiekrechtelijk lichaam niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft (handelingen ‘verricht als overheid’ die noch leiden tot concurrentieverstoring van enige betekenis, noch handelingen beoogd door [artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) in de mate dat zij niet van onbeduidende omvang zijn).

• handelingen die aan betreffende persoon of groepering de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen en **binnen de toepassingssfeer van het Btw-Wetboek** vallen. Deze handelingen kunnen verder worden onderverdeeld in twee groepen:

o belaste handelingen en handelingen die van de belasting zijn vrijgesteld overeenkomstig de artikelen [39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) tot [42](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-42) of [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek die overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 van voornoemd Wetboek recht op aftrek verlenen van de voorbelasting geheven van de op die handelingen betrekking hebbende kosten.

o handelingen beoogd door de bepalingen van [artikel 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) of [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek die van de belasting zijn vrijgesteld en die in beginsel, overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 van voornoemd Wetboek, geen recht op aftrek verlenen van de voorbelasting geheven van de op die handelingen betrekking hebbende kosten.

### 1. Gedeeltelijke belastingplichtige

Als gedeeltelijke belastingplichtige wordt beschouwd, elke belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) die zowel handelingen verricht die binnen als buiten de toepassingssfeer van het dat Wetboek vallen.

Voor wat de handelingen betreft die binnen de toepassingssfeer van het Btw-Wetboek vallen, worden beide hiervoor beoogde groepen handelingen bedoeld, zijnde:

• de belaste handelingen en handelingen die van de belasting zijn vrijgesteld overeenkomstig de artikelen [39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) tot [42](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-42) of [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek die recht op aftrek van de voor belasting verlenen.

• de handelingen beoogd door de bepalingen van [artikel 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) of [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek die in beginsel geen recht op aftrek van de voorbelasting verlenen.

Voorbeelden:

• een passieve holding verleent rechten op een octrooi, fabrieksmerk, handelsmerk

• een publiekrechtelijk lichaam heeft twee werkzaamheden. Enerzijds het uitreiken van officiële documenten zoals identiteitskaarten, reispassen, rijbewijzen … waarvoor zij overeenkomstig [artikel 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) als niet-belastingplichtig wordt aangemerkt. Het betreft aldus een handeling buiten de toepassingssfeer van het Btw-Wetboek. Anderzijds verzorgt zij personenvervoer als bedoeld in [artikel 6, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) waarvoor zij aldus als belastingplichtige wordt aangemerkt wanneer dit vervoer van meer dan onbeduidende omvang is.

### 2. Gemengde belastingplichtige

Gemengde belastingplichtige is elke belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) die uitsluitend handelingen verricht die binnen de toepassingssfeer van dat Wetboek vallen en waarbij het enerzijds handelingen betreft die worden beoogd door de bepalingen van [artikel 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) of [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek die in beginsel geen recht op aftrek van de voorbelasting verlenen en anderzijds belaste handelingen of handelingen die van de belasting zijn vrijgesteld overeenkomstig de artikelen [39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) tot [42](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-42) of [44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) van het Btw-Wetboek en die recht op aftrek van de voor belasting verlenen.

Voorbeelden:

• geneesheren die een vergunning hebben om geregeld geneesmiddelen te verkopen

• een onderneming van personenvervoer die eveneens zieken en gewonden vervoert met speciaal daartoe uitgeruste vervoermiddelen.

Zowel de gedeeltelijke als gemengde belastingplichtige kunnen hun recht op aftrek van de voorbelasting overeenkomstig de bepalingen van [artikel 45 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) slechts uitoefenen naar verhouding van de handelingen waarvoor aanspraak op aftrek bestaat. Voor een verdere toelichting dienaangaand wordt verwezen naar ‘Boekwerk III: Recht op aftrek van de voorbelasting – Hoofdstuk 11: Recht op aftrek’.

\[Top\]

## Afdeling 9 - Stille handelsvennootschappen, tijdelijke handelsvennootschappen, maatschappen en feitelijke verenigingen

Ingevolge de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (BS van 04.04.2019) verdwijnen een aantal vennootschapsvormen met ingang van 01.05.2019 geleidelijk aan, waaronder onder meer de stille handelsvennootschap en de tijdelijke handelsvennootschap.

Gelet op de overgangsbepalingen waarin de wet 23.03.2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen (BS van 04.04.2019) voorziet, gaat hierna nog steeds een omstandige toelichting met betrekking tot de btw-belastingplicht van stille handelsvennootschappen en de tijdelijke handelsvennootschappen.

### 1. Stille handelsvennootschap

De stille handelsvennootschap is een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid waarbij één of meer personen een belang nemen in de verrichtingen van één of meer anderen die in eigen naam optreden (artikelen 2, § 1, en 48 van het Wetboek van Vennootschappen).

De stille handelsvennootschap blijft onbekend aan derden. Ze heeft geen gemeenschappelijke naam en ook geen rechtspersoonlijkheid. Derden handelen slechts met de beheerder (zaakvoerder) van de vennootschap en hebben geen rechtstreekse vordering tegen de vennoten van een stille handelsvennootschap, die zich tot een loutere deelneming hebben beperkt (artikel 54 van het Wetboek van Vennootschappen).

De stille handelsvennootschap wordt niet aangemerkt als een belastingplichtige.

Voor de toepassing van de btw wordt de beheerder van de stille handelsvennootschap geacht als een commissionair te handelen in de zin van de artikelen [13, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-13), en [20, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20), van het Btw-Wetboek (zie [aanschrijving nr. 17/1971 van 22.01.1971](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/17-1971-aanschrijving-vervangen-777a), randnummers 1 tot en met 6). De beheerder wordt bijgevolg geacht de goederen en diensten van de verborgen vennoten te hebben ontvangen en op zijn beurt te hebben geleverd aan derden. In de relatie van de vennoten tot de beheerder is de belasting verschuldigd op de belastbare inbrengen in natura die de vennoten in de vennootschap doen. De beheerder verricht geheel alleen en in eigen naam de leveringen van goederen en de diensten aan derden en brengt hen de btw in rekening. Hij mag de belasting aftrekken die hem door zijn vennoten met betrekking tot hun inbreng wordt aangerekend.

### 2. Tijdelijke handelsvennootschap

De tijdelijke handelsvennootschap is een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, die zonder een gemeenschappelijke naam te voeren, één of meer bepaalde handelsverrichtingen tot doel heeft (artikelen 2, § 1, en 47 van het Wetboek van Vennootschappen). Er is sprake van een tijdelijke handelsvennootschap zodra twee of meer personen gezamenlijk, zonder gemeen­schappelijke naam te voeren, met een derde, één of meer welbepaalde verrichtingen uitvoeren.

De tijdelijke handelsvennootschap bezit geen rechtspersoonlijkheid, maar de vennoten zijn bekend aan derden met wie ze handelen. Deze vennoten zijn ten opzichte van derden met wie zij hebben gehandeld hoofdelijk gehouden en kunnen dan ook rechtstreeks en persoonlijk worden gedagvaard (artikel 53 van het Wetboek van Vennootschappen).

In principe wordt de tijdelijke handelsvennootschap niet aangemerkt als een belastingplichtige. De vennoten kunnen er onder bepaalde voorwaarden evenwel voor opteren om de vennootschap aan te merken als een belastingplichtige. Deze keuze is onherroepelijk.

#### A. De tijdelijke handelsvennootschap die geen belastingplichtige is

De leveringen van goederen en de diensten die de tijdelijke handelsvennootschap verricht voor derden die met haar overeenkomsten hebben gesloten, worden in deze veronderstelling geacht rechtstreeks door de vennoten te zijn verricht en dit elk voor zijn deel. De verplichtingen die rusten op een belastingplichtige die goederen levert of diensten verstrekt, moeten worden nagekomen door iedere vennoot afzonderlijk en dit tevens elk voor zijn deel. De vennoten mogen evenwel iemand aanwijzen die belast is met het uitreiken van de facturen aan derden. Op die facturen moeten uitdrukkelijk de vennoot of vennoten worden vermeld in wiens naam en voor wiens rekening ze werden opgemaakt (zie [aanschrijving nr. 17/1971 van 22.01.1971](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/17-1971-aanschrijving-vervangen-777a), randnummer 10).

#### B. De tijdelijke handelsvennootschap die belastingplichtige is

Hoewel de tijdelijke handelsvennootschap geen rechtspersoonlijkheid bezit, kan zij als belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) worden geïdentificeerd wanneer de handelingen waarvoor zij is opgericht voldoende belangrijk zijn. De vennootschap moet een eigen boekhouding voeren die voldoende gedetailleerd is en de vennoten, die hier te lande een domicilie moeten kiezen, wijzen iemand aan die belast wordt met het nakomen van de verplichtingen ingevolge de belastingplicht van de tijdelijke handelsvennootschap. De leveringen van goederen en de diensten die de vennoten in het kader van de vennootschap ten behoeve van derden verrichten, worden geacht door de vennootschap te zijn gedaan. De vennoten moeten dus aan de vennootschap de prijs of de waarde van die goederen en diensten factureren en aan de vennootschap de belasting in rekening brengen, die over de handelingen in de relatie van de vennoten tot de vennootschap verschuldigd wordt (zie [aanschrijving nr. 17/1971 van 22.01.1971](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/17-1971-aanschrijving-vervangen-777a), randnummers 12 en 13).

### 3. De oude maatschap (vóór de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen)

Ingevolge de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (BS van 04.04.2019) en gelet op de overgangsbepalingen waarin de wet 23.03.2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen (BS van 04.04.2019) voorziet, zal de ‘oude’ maatschap stillaan verdwijnen.

Deze maatschap is een vennootschap met een burgerlijk of een handelsdoel die geen rechtspersoonlijkheid bezit (artikelen 2, § 1, en 46 van het Wetboek van Vennootschappen). Het is een consensueel contract, onafhankelijk van enige vormelijkheid.

De vennoten van deze maatschap zijn ten aanzien van derden verbonden, hetzij voor een gelijk deel, wanneer de vennootschap een burgerlijk doel heeft, hetzij hoofdelijk, wanneer zij een handelsdoel heeft. Van deze aansprakelijkheid kan niet worden afgeweken dan door een uitdrukkelijk beding in de met derden gesloten akte. Een van de vennoten van een maatschap kan de andere vennoten in principe niet verbinden tenzij zij hem daartoe een volmacht hebben gegeven (artikelen 51 en 52 van het Wetboek van Vennootschappen).

Indien men aldus niet gekozen heeft voor een welbepaalde rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid vervat in het Wetboek van Vennootschappen, voor een tijdelijke handelsvennootschap of voor een stille handelsvennootschap, is de vennootschap onderworpen aan de bepalingen gemeenschappelijk aan alle vennootschappen.

Een onregelmatige vennootschap die daden van koophandel tot doel heeft en die noch een vennootschap in oprichting is, noch een tijdelijke handelsvennootschap of een stille handelsvennootschap, wordt beheerst door de regels van de maatschap.

Inzake belastingplicht zijn de regels die van toepassing zijn op de tijdelijke handelsvennootschap, mutatis mutandis van toepassing op de ‘oude’ maatschap (voor de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen) (zie titel 2 hiervoor).

### 4. De nieuwe maatschap

Ingevolge de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (BS van 04.04.2019) onderging de rechtsfiguur van de ‘maatschap’ grondige wijzigingen. Deze wordt omstandig toegelicht in [Circulaire 2020/C/17 van 22.01.2020 met betrekking tot de impact op het stuk van de btw van de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2020-c-17-betrekking-impact-stuk-btw-invoering-521b).

De maatschap is thans een vennootschap met een burgerlijk of een handelsdoel die geen rechtspersoonlijkheid bezit (artikelen 1:5 en 4:1 tot en met 4:3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen). Het is een consensueel contract.

De maatschap is een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich verbinden om hun inbrengen in gemeenschap te brengen, met het oogmerk het rechtstreekse of onrechtstreekse vermogensvoordeel dat daaruit kan ontstaan, met elkaar te delen. Zij wordt in het gemeenschappelijk belang van de partijen aangegaan.

De maatschap is ‘stil’ wanneer overeengekomen wordt dat zij bestuurd wordt door een of meer zaakvoerders, al dan niet vennoten, die handelen in eigen naam. Tenzij anders overeengekomen, wordt zij aangegaan met inachtneming van de persoon van de vennoten.

De ‘stille’ maatschap wordt niet aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4). Wanneer dergelijke stille maatschap handelingen verricht dewelke worden beoogd door het Btw-Wetboek, zullen deze handelingen geacht worden te zijn verricht door de maat-vennoot die bevoegd is (of maten-vennoten die bevoegd zijn) om in naam van de

maten-vennoten samen te handelen maar in de betrekkingen met derden alleen en in

eigen naam handelt voor de handelingen die de economische activiteit van deze

maatschap uitmaken. De maat-vennoot zal voor het verrichten van deze handelingen worden aangemerkt als een btw-belastingplichtige in de zin van de bepalingen van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) (zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest XT tegen Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos en Vilniaus apskrities valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos, zaak [C-312/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-312-19-arrest), van 16.09.2020)

De maatschap waarvan de vennoten overeenkomen dat zij rechtspersoonlijkheid zal genieten, neemt de vorm aan van een vennootschap onder firma of van een commanditaire vennootschap.

Zij is een vennootschap onder firma wanneer alle vennoten onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap.

Zij is een commanditaire vennootschap wanneer zij wordt aangegaan door één of meer vennoten die onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap, de gecommanditeerde vennoten genoemd, en nog één of meer vennoten die zich beperken tot inbreng in geld of in natura en die niet deelnemen aan het beheer, de commanditaire vennoten genoemd.

In de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap zijn de zaakvoerder(s) het bestuursorgaan (zie artikel 4:22 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen).

De maatschap waarvan de vennoten overeenkomen dat zij rechtspersoonlijkheid zal genieten, wordt steeds aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden.

De maatschap dewelke niet als een ‘stille maatschap’ in de zin van hetgeen voorafgaat wordt aangemerkt en dewelke geen rechtspersoonlijkheid geniet, wordt thans als btw-belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) aangemerkt voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden. Zij zal zich bijgevolg voor btw-doeleinden dienen te laten identificeren.

### 5. De oude feitelijke vereniging (vóór de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen)

Wanneer twee of meer personen beslissen samen een activiteit uit te oefenen, vormt deze samenwerking geen vennootschap in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Vennootschappen wanneer er geen gemeenschappelijke naam is of wanneer er geen winst wordt nagestreefd. Een dergelijke samenwerking wordt beschouwd als een feitelijke vereniging (bijvoorbeeld een wandelclub onder de vorm van een feitelijke vereniging).

De feitelijke vereniging kan een burgerlijk of een handelsdoel hebben. Ofschoon deze geen rechtspersoonlijkheid heeft, kan zij geïdentificeerd worden voor de doeleinden van de btw.

### 6. De nieuwe feitelijke vereniging (sinds de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen)

Ingevolge de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (BS van 04.04.2019) is de feitelijke vereniging thans een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid beheerst door de overeenkomst tussen partijen (artikel 1:6 van het van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen). Deze wordt omstandig toegelicht in [Circulaire 2020/C/17 van 22.01.2020 met betrekking tot de impact op het stuk van de btw van de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2020-c-17-betrekking-impact-stuk-btw-invoering-521b).

Daarenboven stelt voornoemd Wetboek van vennootschappen en verenigingen dat een ‘vereniging’ wordt opgericht bij een overeenkomst tussen twee of meer personen, leden genaamd. Zij streeft een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft. Zij mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel. Elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig (artikel 1:2 van het van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen).

De feitelijke vereniging in de zin van voornoemd artikel 1:6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen kan dan ook enkel een belangeloos doel nastreven. Zij kan aldus economische activiteiten stellen in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) maar mag daarbij enkel een belangloos doel nastreven.

Het nastreven van een vermogensvoordeel om het uit te keren of te bezorgen aan de leden is aldus niet toegelaten overeenkomstig de bepalingen van artikel 1:2 van voornoemd Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Het nastreven van een vermogensvoordeel is aldus enkel toegelaten wanneer dat vermogensvoordeel kadert in het belangeloos doel

Hoewel de feitelijke vereniging geen rechtspersoonlijkheid bezit, wordt zij steeds aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden en dient zij zich bijgevolg voor btw-doeleinden te laten identificeren.

\[Top\]

## Afdeling 10 - Niet in België gevestigde belastingplichtigen

### 1. Beginsel

Uit de definitie van de belastingplichtige volgens [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) blijkt dat de toekenning van de hoedanigheid van belastingplichtige aan een natuurlijk of rechtspersoon niet afhankelijk is van het bestaan in België van een woonplaats, maatschappelijke of statutaire zetel van deze persoon, noch van om het even welke andere uitbatingszetel.

Een niet in België gevestigd persoon die buiten België een activiteit als belastingplichtige in de zin van het Wetboek uitoefent, wordt, voor de handelingen (leveringen van goederen en diensten) die hij hier te lande verricht, voor de toepassing van de Belgische btw-wetgeving beschouwd als een belastingplichtige.

De regeling welke van toepassing is op de niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België leveringen of diensten verrichten, verschilt evenwel naargelang ze in België al dan niet over een vaste inrichting beschikken.

Hierna vindt u een beknopt overzicht ter zake.

### 2. De buitenlandse belastingplichtige met een vaste inrichting in België

#### A. Het begrip vaste inrichting voor de uitgaande handelingen (leveringen van goederen en/of diensten)

Voor de toepassing van artikel 21*bis*, § 1, artikel 21*bis*, § 2, 7°*ter*, artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 5° en 6°, artikel 51, § 2, tweede lid, en [artikel 55, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55), beschikt een buitenlandse belastingplichtige over een vaste inrichting in België wanneer de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn (zie [artikel 11, § 2, van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-11) van de Raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG):

• de belastingplichtige heeft hier te lande een directiezetel, een filiaal, een fabriek, een werkplaats, een agentschap, een magazijn, een kantoor, een laboratorium, een inkoop- of verkoopkantoor, een depot of enige andere vaste inrichting maar met uitzondering van bouwwerven (ongeacht de duur van de werken)

• die inrichting wordt gekenmerkt door een voldoende graad van bestendigheid en een aangepaste structuur in termen van menselijke en technische middelen

• de voornoemde menselijke en technische middelen staan die inrichting toe geregeld goederen te leveren of diensten in de zin van het Btw-Wetboek te verstrekken, waar deze activiteit ook plaatsvindt en zonder onderscheid te maken naargelang deze handelingen daadwerkelijk aan de belasting onderworpen of vrijgesteld zijn.

De belastingplichtige wiens zetel van economische activiteit of woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats niet gevestigd is in België en voor wie de hierboven beoogde voorwaarden niet voldaan zijn, wordt voor de toepassing van het Btw-Wetboek beschouwd als een niet in België gevestigde belastingplichtige.

Dit betekent bijgevolg dat hij beschouwd wordt als niet gevestigd in België voor zijn uitgaande handelingen :

• de buitenlandse belastingplichtige die in België over geen enkele inrichting beschikt;

• de buitenlandse belastingplichtige die in België beschikt over een inrichting die geen enkele uitgaande handeling (leveringen van goederen of diensten), beoogd door het Btw-Wetboek, verricht. Het betreft meer bepaald de inrichting die louter een kantoor met het oog op vertegenwoordiging of marketing is en die slechts wordt aangewend voor reclamedoeleinden, voor gratis informatieverstrekking aan het publiek of voor vergelijkbare activiteiten, of de inrichting die alleen wordt aangewend voor opslag of stockage van goederen.

De buitenlandse belastingplichtige met een vaste inrichting in België bevindt zich ten aanzien van de Belgische btw voor de handelingen die door deze vaste inrichting worden verricht in dezelfde toestand als de belastingplichtige wiens woonplaats of maatschappelijke of statutaire zetel zich in België bevindt. Hij bezit dezelfde rechten en is gehouden tot dezelfde verplichtingen. Hij ressorteert onder het Centrum KMO Specifieke Materies (Finto, Kruidtuinlaan, 50, bus 3410, 1000 Brussel).

#### B. Het begrip vaste inrichting voor de inkomende handelingen (ontvangst van een dienst)

Overeenkomstig [artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21), vinden de diensten die worden verschaft aan de vaste inrichting van de belastingplichtige gevestigd op een andere plaats dan waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, plaats daar waar die vaste inrichting is gevestigd, **voor zover die vaste inrichting de enige genieter is van die dienst**.

Onder een ‘vaste inrichting ten behoeve waarvan een dienst wordt verstrekt’, wordt verstaan een inrichting die een voldoende graad van bestendigheid heeft en beschikt over een aangepaste structuur in termen van menselijke en technische middelen **om de verstrekte diensten te kunnen ontvangen en te kunnen verbruiken,** m.a.w. de bedoelde inrichting moet in staat zijn om de diensten materieel te ontvangen en te verbruiken (de juridische bekwaamheid speelt ter zake geen rol). De ontvangen diensten zullen dus daadwerkelijk verbruikt worden door de vaste inrichting (zie [artikel 11, § 1, van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-11) van de Raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG):

Het begrip ‘vaste inrichting voor inkomende handelingen’ is dus ruimer, aangezien het omvat:

• de belastingplichtige die al wordt beschouwd als een vaste inrichting voor zijn uitgaande handelingen (zie rubriek A hiervoor)

• de buitenlandse belastingplichtige die in België beschikt over een inrichting van waaruit geen enkele handeling (levering van goederen of dienst), beoogd door het Btw-Wetboek, wordt verricht. Het betreft meer bepaald de inrichting die louter een kantoor met het oog op vertegenwoordiging of marketing is en die slechts wordt aangewend voor reclamedoeleinden, voor gratis informatieverstrekking aan het publiek of voor vergelijkbare activiteiten, of de inrichting die alleen wordt aangewend voor opslag of stockage van goederen. Een vertegenwoordigings- of informatiekantoor van een buitenlandse onderneming in zijn hoedanigheid van ‘vaste inrichting voor inkomende handelingen’ moet zich slechts voor de btw laten identificeren in België indien hij inkomende handelingen verricht waarvoor hij schuldenaar is van de Belgische btw (zoals de ontvangst van een dienst die krachtens [artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) plaatsvindt in België en wordt verschaft door een niet in België gevestigde belastingplichtige). Een dergelijke belastingplichtige ressorteert onder het Centrum KMO Specifieke Materies (Finto, Kruidtuinlaan, 50, bus 3410, 1000 Brussel) gezien hij niet beschikt over een vaste inrichting voor zijn uitgaande handelingen. In de mate waarin de buitenlandse belastingplichtige, die in België beschikt over een eenvoudig vertegenwoordigingskantoor, in België uitgaande handelingen verricht waarvoor hij schuldenaar van de btw is, wordt hij voor zijn uitgaande handelingen beschouwd als een belastingplichtige zonder vaste inrichting (zie titel 3 ‘De buitenlandse belastingplichtige zonder vaste inrichting in België’ hierna).

### 3. De buitenlandse belastingplichtige zonder vaste inrichting in België

Enkel de belastingplichtigen die niet in de Gemeenschap zijn gevestigd, zijn in principe, gehouden een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen vooraleer enige handeling in België te verrichten, behalve een handeling waarvoor de belasting overeenkomstig [artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° of 6° van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) door de medecontractant verschuldigd is en behalve indien het een handeling betreft waarvoor het bijzonder regime beoogd in artikel 58*ter* van voornoemd Wetboek wordt toegepast ([artikel 55, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55) en [koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-april-betrekking-toepassingsmodaliteiten-belasting-toegevoegde-2e67)).

De belastingplichtigen die in een andere lidstaat van de Gemeenschap zijn gevestigd, hebben dus niet meer de verplichting om een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen voor de handelingen die in België plaatsvinden en waarvoor zij schuldenaar van de btw zijn. Indien zij het wensen, kunnen zij echter een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen wanneer zij in België handelingen verrichten die, indien ze door een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige werden verricht, de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger zouden vereisen ([artikel 55, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55)).

Wanneer een niet in België maar in een andere lidstaat van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige handelingen verricht in België waarvoor hij schuldenaar is van de belasting in België, behalve een handeling waarvoor het bijzonder regime beoogd in [artikel 58quater van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58quater) wordt toegepast, is hij, in principe, gehouden zich in België voor btw-doeleinden te laten identificeren.

Aangezien deze identificatie niet meer verbonden is met de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger zegt men dat hij geniet van een ‘rechtstreekse identificatie’.

Wanneer een niet in België maar buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige handelingen verricht in België waarvoor hij in België schuldenaar is van de belasting, is hij, in principe, gehouden zich in België voor btw-doeleinden te laten identificeren en deze identificatie is, in principe, verbonden aan de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger in België.

Echter, als die belastingplichtige gevestigd is in een land waarmee er een rechtsinstrument bestaat inzake wederzijdse bijstand waarvan de strekking gelijk is aan die van richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen en die van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de strijd tegen de fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde, moet hij geen aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen en kan hij genieten van een “rechtstreekse identificatie” ([artikel 55, § 1, Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55)). Een rechtsinstrument van dit type werd afgesloten met Noorwegen.

Het Centrum KMO Specifieke Materies kan, onder bepaalde voorwaarden, met name in geval van invoer of van vrijgestelde handelingen, de niet in België gevestigde belastingplichtige ontslaan of ontheffen van zijn verplichtingen tot identificatie voor de btw en erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger in België.

Tot slot worden de niet in België gevestigde belastingplichtigen die één van de in de artikelen [58ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58ter) en [58quater](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58quater) van het Btw-Wetboek voorziene bijzondere regelingen gebruiken voor de telecommunicatiediensten, de radio- en televisieomroepdiensten en de elektronische diensten (Enig Mini Loket – MOSS) die zij in België verrichten voor niet-belastingplichtigen, niet beoogd door de algemene regels inzake identificatie voor de btw en erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger in België voor zover het gaat om de enige handelingen waarvoor zij schuldenaar zijn van de btw in België.

De **aansprakelijke vertegenwoordiger** wordt in de plaats gesteld van zijn buitenlandse lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend en van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van het Wetboek. Hij is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de hier te lande verrichte handelingen.

In België bestaan er twee categorieën van aansprakelijke vertegenwoordiging die hierna beide zullen besproken worden.

#### A. Eerste categorie van aansprakelijke vertegenwoordiging: toekenning van een individueel btw-identificatienummer

De eerste categorie van aansprakelijke vertegenwoordiging bestaat in de toekenning van een individueel btw-identificatienummer in België aan de buitenlandse belastingplichtige.

In dat geval richt de niet in België gevestigde belastingplichtige aan het Centrum KMO Specifieke Materies een aanvraag waarin hij de bij [artikel 53, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) voorgeschreven aangifte van aanvang van werkzaamheid doet en de volledige identiteit vermeldt van de aansprakelijke vertegenwoordiger die hij de administratie ter erkenning voorstelt.

De administratie beoordeelt de solvabiliteit van de aansprakelijke vertegenwoordiger rekening houdend met zijn verbintenissen. Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtige opeisbaar zou kunnen worden uit hoofde van belasting, geldboeten, interesten en kosten. Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld op ten hoogste een vierde van de belasting welke door de niet in België gevestigde belastingplichtige verschuldigd is over een periode van twaalf kalendermaanden. Ze wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger.

#### B. Tweede categorie van aansprakelijke vertegenwoordiging (vereenvoudigde regeling): vooraf erkende aansprakelijke vertegenwoordiger die over een globaal btw-identificatienummer beschikt waaronder hij meerdere buitenlandse belastingplichtigen vertegenwoordigt

De vereenvoudigde regeling kan door de niet in België gevestigde belastingplichtige, die niet beschikt over een individueel btw-identificatienummer in België, worden ingeroepen wanneer deze belastingplichtige in België uitsluitend de hierna vermelde handelingen verricht.

Overeenkomstig [artikel 2, § 1, van koninklijk besluit nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-9c47), voornoemd, kunnen navolgende handelingen onder een globaal btw-identificatienummer worden verricht:

*‘1° wanneer de belastingplichtige schuldenaar is van de belasting ingevolge invoer van goederen in België die niet geplaatst zijn onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, in de mate waarin de invoer is geschied met het oog op een volgende levering van dezelfde goederen;*

*2°* *wanneer de belastingplichtige schuldenaar is van de belasting ingevolge handelingen bedoeld in* [*artikel 39quater, § 1, eerste lid, 1° en 3°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39quater)*, van het Wetboek, of wanneer hij een handeling verricht van plaatsing van goederen onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot die niet aan de belasting is onderworpen;*

*3°* *wanneer hij de goederen onttrekt aan een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, bedoeld in* [*artikel 39quater*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39quater) *van het Wetboek;*

*4°* *wanneer hij een intracommunautaire verwerving van goederen of een krachtens* [*artikel 25quater, § 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quater)*, van het Wetboek daarmee gelijkgestelde handeling verricht en die goederen niet geplaatst zijn onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, in de mate waarin de intracommunautaire verwerving van goederen of de daarmee gelijkgestelde handeling is geschied met het oog op een volgende levering van dezelfde goederen, vrijgesteld door* [*artikel 39, § 1, 1° en 2°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39)*, van het Wetboek;*

*5°* *wanneer hij een intracommunautaire verwerving van goederen of een krachtens* [*artikel 25quater, § 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quater)*, van het Wetboek daarmee gelijkgestelde handeling verricht en die goederen niet geplaatst zijn onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, met uitzondering van elke andere handeling onderworpen aan de belasting in België’.*

De administratie kent aan de vooraf erkende aansprakelijke vertegenwoordiger toe:

• een globaal btw-identificatienummer **met beginkenmerk BE 0796.5**, uitsluitend bestemd voor de vertegenwoordiging van buitenlandse belastingplichtigen die in België de in [artikel 2, § 1, 1°, van koninklijk besluit nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-9c47), voornoemd, bedoelde handelingen verrichten ;

• een globaal btw-identificatienummer **met beginkenmerk BE 0796.6**, uitsluitend bestemd voor de vertegenwoordiging van buitenlandse belastingplichtigen die in België de in [artikel 2, § 1, 2°, 3°, 4°, of 5°, van koninklijk besluit nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-april-betrekking-toepassingsmodaliteiten-belasting-toegevoegde-2e67), voornoemd, bedoelde handelingen verrichten.

Deze vereenvoudigde regeling van fiscale vertegenwoordiging kenmerkt zich als volgt:

• de buitenlandse belastingplichtige die in België niet over een individueel btw-identificatienummer beschikt en die in België uitsluitend handelingen verricht waarvoor de vereenvoudigde regeling van toepassing is, mag zich voor de handelingen als bedoeld in [artikel 2, § 1, 1°, 4° en 5° van koninklijk besluit nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-9c47), voornoemd, laten vertegenwoordigen door om het even welke aansprakelijke vertegenwoordiger met een globaal btw-identificatienummer met het juiste beginkenmerk.

Anderzijds zijn de vergunninghouders van de regeling btw-entrepot verplicht ten aanzien van de handelingen bedoeld in [artikel 2, § 1, 2° en 3°, van koninklijk besluit nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-9c47), voornoemd, verricht in hun btw-entrepot door de niet in België gevestigde belastingplichtigen, gebruik te maken van het globaal btw-identificatienummer BE 0796.6 voor het vertegenwoordigen van laatstgenoemde belasting­plichtigen.

In het kader van de regeling btw-entrepot wordt iedere andere persoon dan de vergunninghouder uitgesloten van de mogelijkheid om onder een globaal btw-identificatienummer buitenlandse belastingplichtigen te vertegenwoordigen. Deze uitsluiting geldt uiteraard niet ten aanzien van de regeling van fiscale vertegenwoordiging via individueel btw-identificatienummer;

• de aansprakelijke vertegenwoordiger mag onder het globaal btw-identificatienummer, zonder dat voor iedere onderneming een afzonderlijke erkenning door de administratie is vereist, iedere buitenlandse belastingplichtige vertegenwoordigen die niet over een individueel btw-identificatienummer in België beschikt en die uitsluitend handelingen verricht waarvoor de vereenvoudigde regeling kan worden toegepast;

• de administratie beoordeelt de solvabiliteit van de aansprakelijke vertegenwoordiger rekening houdend met zijn verbintenissen. Indien hij niet voldoende solvabel is, wordt een zekerheid gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtigen opeisbaar zou kunnen worden als belasting, boeten, interesten en kosten. Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld op ten hoogste 10 % van de opeisbare belasting voor alle vertegenwoordigde belastingplichtigen samen. Dit bedrag wordt periodiek herzien rekening houdend met de verbintenissen van de aansprakelijke vertegenwoordiger.

Er wordt opgemerkt dat de regeling van het globaal btw-identificatienummer **nooit** mag worden toegepast voor een niet in België gevestigde belastingplichtige die, om welke reden ook, reeds beschikt over een individueel Belgisch btw-identificatienummer dat hij verkregen heeft hetzij via een rechtstreekse identificatie hetzij via de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger.

**De regeling van het globaal btw-identificatienummer mag evenwel worden toegepast wanneer de niet in België gevestigde belastingplichtige hier te lande ook handelingen verricht waarvoor hij geniet van een ontslag of ontheffing van de verplichting om in België voor btw-doeleinden geïdentificeerd te zijn. Bovendien kan de niet in België gevestigde belastingplichtige de voorkeur geven aan een individueel btw-identificatienummer en bijgevolg afzien van de regeling van identificatie onder een globaal btw-identificatienummer wanneer, uiteraard, deze laatstbedoelde regeling kan worden toegepast.**

\[Top\]

## Afdeling 11 - Toepassingsgevallen

### 1. Vennoten waarvan de in het Wetboek bedoelde handelingen zich beperken tot de inbreng in vennootschap van bedrijvigheid

Ieder die zijn bedrijvigheid inbrengt in een vennootschap is in principe een belastingplichtige, wanneer die inbreng bestaat in het verlenen van in het Btw-Wetboek bedoelde en niet ingevolge [artikel 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) van dat Wetboek vrijgestelde diensten, ongeacht of die inbreng geschiedt in een regelmatig opgerichte vennootschap dan wel in een zogenaamde feitelijke vennootschap. De inbrenger is er derhalve toe gehouden alle verplichtingen na te komen die normaal aan belastingplichtigen worden opgelegd, maar geniet ook de aan deze hoedanigheid verbonden rechten. Voor zover de diensten in België zijn gebruikt, moet de inbrenger de belasting voldoen tegen het volgens de aard van de ingebrachte diensten toepasselijk tarief en dit over het bedrag van de netto-vergoeding die hij als tegenwaarde van zijn inbreng ontvangt.

Indien die persoon een natuurlijk persoon is die daarenboven zaakvoerder of beheerder is van de vennootschap, is hij geen belastingplichtige in de mate waarin hij handelt ter uitvoering van zijn statutaire opdracht en is de belasting niet verschuldigd over de verloning die hij uit hoofde van deze functie ontvangt.

Om praktische redenen eist de administratie niet dat vennoten als belastingplichtige worden geregistreerd wanneer zij alleen om reden van hun inbreng in vennootschap belastingplichtige zijn ( zie ook [beslissing nr. E.T. 14.699 van 22.06.1973](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-14-699-diensten-btw-dienst-7a7f) en [schriftelijke parlementaire vraag nr. 22 van de heer Senator Lindemans van 08.11.1973](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/22-vennootschap-diensten-verricht-vennoten-lindemans-3bd6)).

Deze regel is in principe slechts van toepassing wanneer de vennootschap waarin de inbreng wordt gedaan een belastingplichtige is, die gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften en waarvan de volledige werkzaamheid aan de btw is onderworpen. Wanneer echter de vennootschap waarin de bedrijvigheid wordt ingebracht tegelijkertijd handelingen verricht met recht op aftrek en andere handelingen, mag deze regel eveneens worden toegepast onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ingebrachte bedrijvigheid niet uitsluitend wordt gebruikt voor het verrichten van handelingen die geen recht op aftrek meebrengen ([beslissing nr. E.T. 19.082 van 24.06.1975](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-19-082-belastingplichtige-btw-belastingschuldige-86b7) en [schriftelijke parlementaire vraag nr. 258 van de heer Senator Paul Hatry van 23.05.1997](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/258-mandatarissen-venn-btw-plichtigen-hatry-00b0)).

### 2. Zelfstandige journalisten en dagbladcorrespondenten

In de relatie tussen journalisten en dagbladcorrespondenten enerzijds en de uitgevers van kranten en tijdschriften anderzijds, aanvaardt de administratie de interpretatie van de betrokken partijen dat de door eerstgenoemden geschreven artikelen door een auteursrecht worden beschermd en het verstrekken ervan aan de uitgevers plaatsvindt in het kader van een contract voor uitgave dat op grond van [artikel 44, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) van de belasting is vrijgesteld.

Indien volgens de bovengenoemde partijen het verstrekken van die geschreven artikelen niet beantwoordt aan de voorwaarden om als een contract van uitgave te worden aangemerkt, hebben de journalisten en dagbladcorrespondenten die geregeld tegen vergoeding artikelen of berichten aan uitgevers verstrekken, de hoedanigheid van belastingplichtige. Ze zijn eventueel wel onderworpen aan de vrijstellingsregeling bepaald in [artikel 56bis, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56bis) ([aanschrijving nr. 8/1993 van 10.03.1993](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/8-1993-aanschrijving-redevable-impot-assujettissement-service-db83)).

### 3. Bezorgers van kranten en andere publicaties

De natuurlijke personen die geregeld en zelfstandig zelf van deur tot deur kranten en andere publicaties bezorgen, moeten niet als belastingplichtige worden geïdentificeerd en zijn niet gehouden de aan belastingplichtigen opgelegde verplichtingen na te komen voor zover zij geen enkele andere werkzaamheid uitoefenen waardoor zij de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgen ([aanschrijving nr. 6/1971 van 22.01.1971](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1971-aanschrijving-obligation-declaration-redevable-impot-20db)).

De personen die kranten of andere publicaties kopen om ze, van deur tot deur, voor eigen rekening weder te verkopen, moeten daarentegen wel als btw-belastingplichtige worden geïdentificeerd, eventueel onderworpen aan de vrijstellingsregeling bepaald in [artikel 56bis, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56bis) ([beslissing nr. E.T. 13.351 van 07.08.1973](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1971-aanschrijving-obligation-declaration-redevable-impot-20db)).

### 4. Syndici

De btw-regeling die van toepassing is ten aanzien van syndici wordt uiteengezet in [aanschrijving nr. 13/1995 van 20.09.1995](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/13-1995-aanschrijving-gestion-immeuble-appartements-ca34).

Ingevolge de bepalingen van artikel 577-5 van het Burgerlijk Wetboek, heeft de vereniging van mede-eigenaars van gebouwen of groepen van gebouwen (bijvoorbeeld flatgebouwen) rechtspersoonlijkheid. Die rechtspersoon, wettelijk ‘de vereniging van medeëigenaars’ genoemd, gevolgd door de vermeldingen betreffende de ligging van het gebouw of de groep van gebouwen, treedt op door middel van haar organen met name de algemene vergadering van de medeëigenaars en de syndicus.

Als orgaan van de rechtspersoon heeft de syndicus die als **natuurlijk persoon** optreedt binnen de hem door artikel 577-8, § 4, van het Burgerlijk Wetboek en door het reglement van mede-eigendom (statuten van de rechtspersoon) verleende opdracht, niet de hoedanigheid van belastingplichtige.

Wanneer **een rechtspersoon** als syndicus wordt aangesteld, kan laatstgenoemde zoals dat geldt voor een natuurlijk persoon, bezwaarlijk als niet-zelfstandige worden aangemerkt. Derhalve heeft een syndicus die als zodanig onder de vorm van een rechtspersoon optreedt, in de regel de hoedanigheid van belastingplichtige. Niettemin en naar analogie met de natuurlijke personen die als syndicus optreden, wordt hun identificatie als btw-belastingplichtige door de administratie niet geëist. Derhalve heeft een rechtspersoon die naast zijn activiteit als syndicus, waarvoor hij niet als belastingplichtige wordt geïdentificeerd, nog andere handelingen verricht in het kader van een economische activiteit (bijvoorbeeld makelaar bij de verhuur of de verkoop van onroerende goederen), de hoedanigheid van gedeeltelijke btw-belastingplichtige.

Wanneer een syndicus, natuurlijk persoon of rechtspersoon, daarentegen optreedt ter uitvoering van een conventionele opdracht, met andere woorden buiten het kader van zijn opdracht als orgaan van de rechtspersoon, handelt hij zelfstandig en moet hij in de regel voor die activiteit als belastingplichtige worden aangemerkt.

Dit is onder meer het geval wanneer een mede-eigenaar aan de syndicus het beheer van zijn private kavel toevertrouwt.

### 5. Bestuurders of zaakvoerder

In het verleden liet de administratie aan **rechtspersonen** die ten aanzien van derden handelden als orgaan (bestuurders, zaakvoerders, vereffenaars …, hierna: bestuurders-rechtspersonen) van de rechtspersoon die ze vertegenwoordigden, de keuze om zich al dan niet voor de btw te laten identificeren en om de door hun in dit kader verrichte handelingen al dan niet aan de btw te onderwerpen.

De gemaakte keuze was in principe onherroepelijk en moest gelijktijdig worden toegepast voor alle mandaten die werden uitgeoefend door bestuurders-rechtspersonen. Enkel wanneer kon bewezen worden dat de bedrijfseconomische situatie ingrijpend was veranderd, konden deze rechtspersonen het bevoegde btw-controlecentrum vragen om terug te komen op de gemaakte keuze.

Ingevolge een advies van de Europese Commissie, dat van aard was om dit keuzestelsel voor rechtspersonen die optreden als bestuurder of zaakvoerder ter discussie te stellen, heeft de administratie beslist om met ingang van 01.06.2016 de gewone btw-regels toe te passen. Dit heeft tot gevolg dat alle voornoemde rechtspersonen zich voor btw-doeleinden dienen te identificeren en dat de door hen ontvangen vergoedingen voor al hun handelingen die zij als dusdanig verrichten, principieel aan de btw moeten worden onderworpen, en dit zonder keuzemogelijkheid.

De betrokken bestuurders-rechtspersonen dienen zich in principe vanaf die datum verplicht als belastingplichtige te laten identificeren voor de in het kader van hun mandaat verrichte handelingen.

Als de toepassingsvoorwaarden vervuld zijn, kunnen deze bestuurders-rechtspersonen evenwel in aanmerking komen voor de vrijstellingen van [artikel 44 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) of voor de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen op grond van artikel 56*bis* van voornoemd Wetboek.

De invoering van de verplichte btw-identificatie voor bestuurders-rechtspersonen vanaf 01.06.2016 wordt uitvoering toegelicht in [beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-127-850-rechtspersonen-handelend-bestuurder-belastingplicht-btw-614d).

Wat de **natuurlijke personen** betreft neemt de administratie omwille van de bijzondere aard van hun opdracht als lasthebber nog steeds aan dat bestuurders of zaakvoerders die handelen in de gewone uitoefening van hun statutaire opdracht ten aanzien van derden optreden als orgaan van de rechtspersoon die ze vertegenwoordigden. Zodoende handelen zij niet zelfstandig in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) en zijn de door hun in het kader van deze statutaire opdracht verrichte handelingen niet aan de belasting onderworpen ([beslissing nr. E.T. 79.581 van 27.01.1994](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-79-581-belastingplicht-bestuurders-zaakvoerders-vereffenaar-btw-8f31)).

### 6. Vereffenaar

Bij toepassing van de [beslissing nr. E.T. 125.180 van 20.11.2014](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-125-180-belastingplicht-bestuurders-zaakvoerders-vereffenaar-btw-d3cc) kunnen de rechtspersonen die optreden als vereffenaar (statutair of door de algemene vergadering benoemd of gerechtelijk aangesteld), sinds 01.06.2016 niet meer genieten van een keuzestelsel voor de handelingen die zij als zodanig verrichten. Zij zijn er vanaf die datum toe gehouden zich voor btw-doeleinden te laten identificeren, tenzij zij reeds waren geïdentificeerd omwille van andere door hen buiten hun mandaat verrichte activiteiten.

De vereffenaar kan zelf aandeelhouder of vennoot zijn of een gewezen zaakvoerder of bestuurder, advocaat of cijferberoeper zoals een bedrijfsrevisor, een accountant of een belastingconsulent. De uitoefening door een rechtspersoon van een mandaat als vereffenaar is een dienst bedoeld in [artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) en is in principe aan de btw onderworpen wanneer dit mandaat onder bezwarende titel wordt verricht.

Net zoals dit het geval is bij de bestuurders en zaakvoerders is de vraag of een mandaat van de vereffenaar kosteloos wordt uitgeoefend een feitenkwestie. Alle rechtspersonen die onder bezwarende titel een mandaat als vereffenaar uitoefenen in een rechtspersoon moeten op de hiervoor ontvangen vergoedingen btw aanrekenen tegen het normale tarief dat thans 21% bedraagt.

Behoudens andersluidende bepaling heeft de vereffenaar slechts recht op zijn vergoeding bij de beëindiging van zijn mandaat, zijnde bij de sluiting van de vereffening. Bij vrijwillige ontbinding wordt de sluiting van de vereffening beslist door de algemene vergadering.

Niets belet dat bij de aanstelling van de vereffenaar en de bepaling van de omvang en de modaliteiten van zijn vergoeding uitdrukkelijk wordt voorzien dat de vereffenaar kan vragen dat hij voor zijn prestaties betaald wordt vooraleer de vereffening wordt afgesloten (tussentijdse betalingen).

Bij een gerechtelijke ontbinding moet de vereffenaar, vooraleer de vereffening kan worden gesloten, een plan voor de verdeling van de activa onder de verschillende schuldeisers voor akkoord voorleggen aan de bevoegde Rechtbank van Koophandel. In geval van een vereffening die wordt gevorderd door de rechtbank heeft de vereffenaar slechts recht op zijn vergoeding op het tijdstip van de sluiting van de vereffening, tenzij hij de toelating bekomt om tussentijds al een vergoeding te ontvangen. Dergelijke tussentijdse betalingen aan gerechtelijk aangestelde vereffenaars zijn niet gebruikelijk. Zij kunnen voorkomen bij lang aanslepende vereffeningen ([beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-127-850-rechtspersonen-handelend-bestuurder-belastingplicht-btw-614d)).

Wat de **natuurlijke personen** betreft neemt de administratie omwille van de bijzondere aard van hun opdracht als lasthebber nog steeds aan dat vereffenaars die handelen in de gewone uitoefening van hun statutaire opdracht ten aanzien van derden optreden als orgaan van de rechtspersoon die ze vertegenwoordigden. Zodoende handelen zij niet zelfstandig in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) en zijn de door hun in het kader van deze statutaire opdracht verrichte handelingen niet aan de belasting onderworpen ([beslissing nr. E.T. 79.581 van 27.01.1994](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-79-581-belastingplicht-bestuurders-zaakvoerders-vereffenaar-btw-8f31)).

### 7. Auteurs en componisten

De auteurs en de componisten van wie alle handelingen van het verlenen van licenties inzake auteursrechten worden gedaan door bemiddeling van de samenwerkende vennootschap ‘Belgische vereniging van auteurs, componisten en uitgevers’ (S.A.B.A.M.) of de ‘Société des Auteurs et Compositeurs dramatiques’, en die geen enkele andere aan de btw onderworpen werkzaamheid uitoefenen zijn ontheven van de btw-verplichtingen.

Aan de auteurs en de componisten, van wie alle handelingen van het verlenen van licenties inzake auteursrechten worden gedaan door bemiddeling van de ene of de andere van deze vennootschappen en die geen enkele andere aan de btw onderworpen werkzaamheid uitoefenen, moet bijgevolg geen btw-registratienummer worden toegekend ([aanschrijving nr. 166/1971 van 25.11.1971](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/166-1971-aanschrijving-obligation-declaration-paiement-impot-d7e6)).

### 8. Solvabiliteitsonderzoekers

Sommige kredietinstellingen hebben op hun aanvraag een vergunning verkregen om, ter ontlasting van de zelfstandige onderzoekers waarop zij een beroep hebben gedaan, zelf de verschuldigde btw op de prestaties van deze laatsten te voldoen ([aanschrijving nr. 181/1971 van 30.12.1971](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/181-1971-aanschrijving-9af6)). In overeenstemming hiermee worden de onderzoekers, die op aanvullende wijze werken voor rekening van kredietinstellingen die de bovenbedoelde vergunning hebben aangevraagd, ontslagen van alle verplichtingen inzake identificatie, het indienen van aangiften en het betalen van de btw, op voorwaarde dat ze geen andere aan de btw onderworpen werkzaamheid uitoefenen.

### 9. Notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten

De diensten verricht door enerzijds notarissen en gerechtsdeurwaarders en anderzijds door advocaten in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid waren tot respectievelijk 01.01.2012 en 01.01.2014 van de belasting vrijgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 44, § 1, 1°, (oud) van het Btw-Wetboek.

Met ingang van voornoemde data zijn betreffende diensten evenwel niet langer van de belasting vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 1, 1°, (oud) van het Btw-Wetboek maar dienen zij in principe aan de belasting te worden onderworpen. Voor een omstandige toelichting ter zake wordt verwezen naar de nagenoemde publicaties:

• notarissen: [beslissing nr. E.T. 121.923 van 03.04.2012](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-121-923-wetswijziging-januari-artikel-44-btw-5d4b) en [beslissing nr. E.T. 121.923/2 van 15.12.2014](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-121-923-2-belastingplicht-notarissen-plaatsvervanging-overlijden-notaris-1d62)

• gerechtsdeurwaarders: [beslissing nr. E.T. 122.121 van 08.03.2012](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-122-121-wetswijziging-januari-artikel-44-btw-65ff) en [beslissing nr. E.T. 122.121/2 van 23.04.2012](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-122-121-2-onderwerping-btw-prestaties-gerechtsdeurwaarders-vanaf-ab60)

• advocaten: [circulaire AAFisc nr. 47/2013 (nr. E.T. 124.411) van 20.11.2013](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/47-2013-aafisc-bijwerking-avocat-redevable-impot-50ab), [beslissing nr. E.T. 125.543 van 06.02.2014](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-125-543-opheffing-btw-vrijstelling-prestaties-advocaten-d831), [beslissing nr. E.T. 126.564 van 18.07.2014](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-126-564-advocaten-belastingplicht-plaats-dienst-belastbaar-9ed2), [beslissing nr. E.T. 127.108 van 27.11.2014](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-127-108-diensten-advocaten-recht-aftrek-historische-5ef6), [beslissing nr. E.T. 124.411/2 van 23.02.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-124-411-2-advocaten-bijzondere-regeling-advocaat-medewerkers-19ad), [beslissing nr. E.T. 130.012 van 02.06.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-130-012-advocaten-rechtspersonen-optreden-bestuurder-zaakvoerder-3588) en [beslissing nr. E.T. 126.564/2 van 23.09.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-126-564-2-bepaling-medecontractant-in-kader-rechtsbijstandsverzekeringen-9334).

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bijvoorbeeld een advocaat handelingen kan verrichten die overeenkomstig een andere bepaling van [artikel 44, van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) van de belasting zijn vrijgesteld zoals onder meer sociale bemiddelingsdiensten, diensten als voorlopig bewindvoerder, diensten als schuldbemiddelaar …

Tot slot wordt opgemerkt dat er werd beslist om de pro deo-diensten die door advocaten worden verstrekt in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand, evenals de pro deo-diensten verricht door gerechtsdeurwaarders in het kader van de rechtsbijstand, met ingang van 01.04.2017, aan het normaal btw-tarief van 21 % te onderwerpen (zie [beslissing nr. E.T. 131.005 van 23.12.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-131-005-btw-tarief-normaal-pro-deo-ec96)).

### 10. Erkende ondernemingsloketten

Erkende ondernemingslokketten verrichten zowel taken van openbare dienst of van algemeen belang als een aantal adviserende en begeleidende diensten (met uitzondering van diensten die bij wet exclusief voorbehouden zijn aan voorbepaalde vrije, dienstverlenende en intellectuele beroepen uit de economische sector).

De taken van openbare dienst of van algemeen belang worden onder meer opgesomd in artikel III.59, van het Wetboek van Economisch Recht van 28.02.2013 (bijvoorbeeld de inschrijvingsplichtige ondernemingen in die hoedanigheid inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, het ontvangen voor rekening van de Schatkist van de inschrijvings- en registratierechten, retributies en kosten voor publicatie, het afwikkelen van vergunningsaanvragen, enzovoort). De vergoeding die het ondernemingsloket voor deze diensten ontvangt, wordt bepaald bij artikel III.73, van voornoemd Wetboek.

Bijkomend kunnen ondernemingsloketten aan ondernemingen adviserende en begeleidende diensten verlenen, met uitzondering van diensten die bij wet exclusief zijn voorbehouden voor bepaalde vrije, dienstverlenende en intellectuele beroepen uit de economische sector (artikel III.59, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht). Bij toepassing van artikel III.73, § 2, van datzelfde Wetboek kunnen de erkende ondernemingsloketten voor deze taken een eigen prijszetting bepalen per verrichting of forfaitair op jaarbasis.

De btw-behandeling van deze taken wordt omstandig toegelicht in [circulaire 2019/C/18 van 20.02.2019 betreffende de belastingplicht van erkende ondernemingsloketten](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2019-c-18-belastingplicht-erkende-ondernemingsloketten-assujettissement-guichet-491c) (E.T. 130.000).

### 11. Deeleconomie en occasionele diensten tussen burgers

Vanaf 01.07.2016, werd op fiscaal vlak in een wettelijk kader voorzien voor de regeling van de deeleconomie (Programmawet van 01.07.2016 – Belgisch Staatsblad van 04.07.2016). De persoon die diensten verstrekt door tussenkomst van een erkend platform kan, onder naleving van een aantal voorwaarden, genieten van een fiscale gunstregeling.

Die regeling van de deeleconomie wordt beheerst door zowel de wetgeving inzake directe belastingen als die inzake btw. Echter, ofschoon de twee belastingen betrokken zijn, moeten de door elk van hen uitgevaardigde regels afzonderlijk worden bekeken en beïnvloeden zij mekaar geenszins. Immers, het is bijvoorbeeld niet omdat een belastingplichtige natuurlijke persoon geïdentificeerd is voor de btw dat hij ambtshalve uitgesloten is van de regeling van de deeleconomie inzake directe belastingen.

Inzake btw, is de grootste troef van deze regeling het feit dat de belangstellende persoon zich in principe niet voor de btw moet laten identificeren. Die administratieve ontheffing wordt met name verleend indien een natuurlijke persoon uitsluitend een activiteit uitoefent die valt onder de regeling van de deeleconomie of, als de persoon een belastingplichtige is, als de uitgeoefende activiteit(en) geen identificatie voor de btw vereisen.

Met ingang op 01.07.2018, werd deze fiscale gunstregeling gewijzigd en uitgebreid naar het verenigingswerk en de occasionele diensten tussen burgers (Wet van 18.07.2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie – Belgisch Staatsblad van 26.07.2018). Voor de toepassing van de btw evenwel betreft deze uitbreiding alleen de regeling van de occasionele diensten tussen burgers.

Voor een omstandige toelichting met betrekking tot de regeling van de deeleconomie en de regeling voor occasionele diensten tussen burgers wordt verwezen naar [Circulaire 2019/C/40 van 05.05.2019 FAQ betreffende de deeleconomie en occasionele diensten tussen burgers inzake Btw](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2019-c-40-faq-deeleconomie-occasionele-diensten-tussen-c0bf) (met het erratum van 04.07.2019)

\[Top\]

## Afdeling 12 - De btw-eenheid

[Artikel 4, § 2, van Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) bepaalt het volgende: ‘*De Koning kan, in de gevallen en volgens de regels die Hij bepaalt, de in België gevestigde personen die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, voor de toepassing van dit Wetboek als één belastingplichtige aanmerken*.’

Dit artikel vormt de omzetting in het Belgisch recht van [artikel 11, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-11).

Aan [artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) werd uitvoering gegeven bij [koninklijk besluit nr. 55 van 09.03.2007 met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd).

Het stelsel van de btw-eenheid is in werking getreden op 01.04.2007.

In het kader van het hoofdstuk ‘Belastingplicht’ volgt hierna een algemene bespreking van het begrip ‘btw-eenheid’. Voor een uitvoerige commentaar wordt verwezen naar ‘Boekwerk VI: ‘Specifieke topics’ - hoofdstuk 16 – afdeling 5: Btw-eenheid’ en [circulaire AOIF nr. 42/2007 (nr. E.T. 111.702) van 09.11.2007](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2007-aoif-unite-tva-a24b).

### 1. Algemene principes van het stelsel van de btw-eenheid

De btw-eenheid wordt aangemerkt als **één belastingplichtige** die vanaf haar oprichting in de plaats treedt van haar leden voor al hun verplichtingen en rechten zoals voorzien in het Btw-Wetboek en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten.

De btw-eenheid impliceert, onder andere, dat er geen btw wordt geheven op transacties tussen de leden (de zogenaamde **interne handelingen**). De handelingen die elk lid voor derden verricht (de **externe handelingen**), worden geacht te zijn verricht door de btw-eenheid.

De btw-eenheid wordt dus aangemerkt als één belastingplichtige voor de goederen en de diensten bekomen van derden en voor de prestaties verstrekt aan die derden. Hieruit volgt dat:

• de leveringen van goederen en de diensten verricht tussen de leden van een btw-eenheid buiten de werkingssfeer van de btw vallen

• de leveringen van goederen en de diensten verricht door derden voor elk lid, voor de toepassing van de btw, verricht worden voor de btw-eenheid

• de invoeren en intracommunautaire verwervingen verricht door elk lid, verricht worden door de btw-eenheid

• de leveringen van goederen en de diensten die elk lid verricht voor derden ten overstaan van de btw-eenheid verricht worden door de btw-eenheid

In zekere zin is de btw-eenheid, op het vlak van de btw, een **wettelijke fictie** waarop de bepalingen van het Btw-Wetboek van toepassing zijn. De btw-eenheid moet, op basis van de gewone regels, worden beschouwd als een belastingplichtige met dezelfde rechten en plichten als elke andere belastingplichtige.

De btw-eenheid wordt aangemerkt als één enkele belastingplichtige en wordt dus geïdentificeerd onder een uniek btw-identificatienummer voor de btw-eenheid. Dat nummer geldt voor het indienen van de periodieke btw-aangifte van de btw-eenheid, voor het houden van de btw rekening-courant van de btw-eenheid, voor het eventueel houden van bijzondere rekeningen, voor alle bijkomende taxaties en voor alle heffings- en invorderingstitels die uitgaan van de administratie.

Een belastingplichtige kan bovendien niet tegelijk lid zijn van meer dan één btw-eenheid.

Overeenkomstig de bepalingen van [artikel 51ter van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51ter) zijn de leden van de btw-eenheid ten opzichte van de Staat hoofdelijk aansprakelijk voor alle btw-schulden van de btw-eenheid.

### 2. Wie kan lid worden van een btw-eenheid?

#### A. Btw-belastingplicht

Krachtens [artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art1), voornoemd, kunnen, in de mate dat ze **in** **België** zijn gevestigd, de **belastingplichtigen** **in de zin van** [**artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek**](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), overeenkomstig [artikel 4, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), van dat Wetboek als één belastingplichtige worden aangemerkt indien voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

• de leden zijn **financieel** nauw met elkaar verbonden

• de leden zijn **organisatorisch** nauw met elkaar verbonden

• de leden zijn **economisch** nauw met elkaar verbonden

Enkel **belastingplichtigen** die in België gevestigd zijn, kunnen toetreden tot een btw-eenheid.

Betreffende de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Commissie tegen Ierland, zaak [C-85/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-11-arrest), van 09.04.2013, en Arrest Commissie tegen Zweden, zaak [C-480/10](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-480-10-arrest) van 25.04.2013, dient het volgende te worden opgemerkt. [Artikel 11, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-11) bepaalt dat elke lidstaat personen die binnen het grondgebied van deze lidstaat gevestigd zijn en die juridisch gezien zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, tezamen als één belastingplichtige kan aanmerken. Uit de bewoordingen van [artikel 11, eerste alinea](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-11), voornoemd, blijkt niet dat niet-belastingplichtigen niet in een btw-eenheid kunnen worden opgenomen.

Uit de bewoordingen van [artikel 11, eerste alinea](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-11), voornoemd, noch uit het dictum van voornoemde rechtspraak volgt echter evenmin dat lidstaten verplicht zijn om in de mogelijkheid te voorzien dat niet-belastingplichtigen deel kunnen uitmaken van een btw-eenheid.

Op grond van [artikel 11, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-11) kunnen de lidstaten immers alle maatregelen nemen die nodig zijn om belastingfraude en –ontwijking middels de in de eerste alinea van artikel 11 voorziene mogelijkheid, te voorkomen. Dergelijke maatregelen moeten evenwel met eerbiediging van het Unierecht worden genomen. Het staat de lidstaten dus onder dit voorbehoud vrij de toepassing van de regeling van dat artikel 11 te beperken om belastingfraude en –ontwijking tegen te gaan.

België heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid van [artikel 11, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-11) teneinde de toepassing van artikel 11, eerste alinea, te beperken. Hoewel er in artikel 4, § 2, van het Belgisch Btw-Wetboek ook sprake is van ‘personen’ dient voornoemd artikel evenwel te worden samengelezen met de bepalingen van het [koninklijk besluit nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd), voornoemd. Krachtens [artikel 1, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art1), van dat koninklijk besluit kunnen enkel btw-belastingplichtigen lid worden van een btw-eenheid.

Er dient dan ook te worden besloten dat de voornoemde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie noch gevolgen hebben op de Belgische wetgeving inzake de btw-eenheid noch op de administratieve rechtsleer.

**Niet-belastingplichtige personen kunnen derhalve niet toetreden tot een btw-eenheid.**

Zijn bijvoorbeeld uitgesloten als lid van een btw-eenheid:

• de passieve holdings

• de openbare instellingen, in de mate dat ze niet handelen in het kader van een economische activiteit die hen de hoedanigheid geeft van belastingplichtige (zie ook de schriftelijke parlementaire [vraag nr. 367 van de heer Volksvertegenwoordiger Benoît Piedboeuf van 13.05.2020](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/367-publiekrechtelijk-lichaam-benoit-piedboeuf-52ba)).

• natuurlijke personen die als zodanig niet de hoedanigheid hebben van belastingplichtige, zelfs indien zij functies als zaakvoerder of bestuurder van vennootschappen uitoefenen, waarvan zij geheel of gedeeltelijke aandeelhouder zijn

• de belastingplichtigen die in het buitenland zijn gevestigd.

#### B. In België gevestigd

In overeenstemming met het territorialiteitsbeginsel van de fiscale wet, kan een btw-eenheid slechts worden gevormd door belastingplichtigen die **in België gevestigd** zijn.

Voor de toepassing van de bepalingen van het Btw-Wetboek en de ter uitvoering daarvan genomen besluiten wordt een belastingplichtige aangemerkt als in België gevestigd wanneer hij in België:

• zijn woonplaats heeft (indien het een natuurlijke persoon betreft)

• zijn maatschappelijke of statutaire zetel heeft (indien het een rechtspersoon betreft)

• of een vaste inrichting heeft (bijvoorbeeld een bijhuis).

Wanneer een in België gevestigde belastingplichtige toetreedt tot een btw-eenheid, dient hij voor het geheel van zijn juridische entiteit tot de btw-eenheid toe te treden, met inbegrip dus van al zijn in België gevestigde inrichtingen (exploitatiezetels, filialen).

De niet in België gevestigde belastingplichtigen kunnen geen deel uitmaken van een Belgische btw-eenheid. Hetzelfde geldt voor de buitenlandse vaste inrichtingen van Belgische ondernemingen.

In het kader van het Belgisch stelsel van de btw-eenheid kan een in België gelegen vaste inrichting van een buitenlandse onderneming daarentegen wel deel uitmaken van een Belgische btw-eenheid.

Er wordt in het bijzonder opgemerkt dat wanneer een inrichting van een belastingplichtige deel uitmaakt van een btw-eenheid, die inrichting, voor de toepassing van de btw, feitelijk wordt aangemerkt als een persoon onderscheiden van haar hoofdkantoor.

Dit blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarin voor recht wordt gezegd dat de artikelen [2, lid 1](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-2), [9](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) en [11](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-11) van de richtlijn 2006/112/EG moeten worden uitgelegd in die zin dat de diensten die een in een derde land gevestigd hoofdkantoor verricht voor zijn filiaal in een lidstaat, belastbare handelingen vormen indien dat filiaal lid is van een groep personen die voor de belasting over de toegevoegde waarde als één belastingplichtige kunnen worden aangemerkt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Skandia America Corp. (USA), filial Sverige tegen Skatteverket, zaak [C-7/13](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-7-13-arrest), van 17.09.2014)

Voornoemd arrest heeft slechts gevolgen indien een belastingplichtige beschikt over meerdere inrichtingen waarvan minstens één niet gevestigd in België. Het is immers zo dat een Belgische belastingplichtige die toetreedt tot een btw-eenheid in België steeds geacht wordt toe te treden met alle inrichtingen waarover hij in België beschikt.

Bijgevolg zijn de handelingen verricht onder bezwarende titel, wanneer ze worden verricht tussen twee inrichtingen van een belastingplichtige A, met name een inrichting A1 in België en een inrichting A2 buiten België, onderworpen aan de btw, wanneer één of beide inrichtingen in hun land deel uitmaken van een btw-eenheid in de zin van [artikel 11 van de richtlijn 2006/112/EG](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-11).

Voor meer uitleg wordt verwezen naar de [beslissing nr. E.T. 127.577 van 03.04.2015](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-127-577-btw-eenheid-handelingen-hoofdkantoor-filiaal-40af).

Hetgeen voorafgaat werd bevestigd in het Arrest Danske Bank A/S, Danmark, Sverige Filial, zaak [C-812/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-812-19-arrest), van 11.03.2021.

### 3. De verbondenheidsvoorwaarden

Het stelsel van de btw-eenheid is, uitgezonderd hetgeen wordt gezegd onder titel 4 ‘Verplichte toetreding van een belastingplichtige’ hierna, **optioneel**. Zodra alle voorwaarden inzake verbondenheid zijn vervuld, kunnen in België gevestigde belastingplichtigen ervoor opteren om een btw-eenheid te vormen of om toe te treden tot een bestaande btw-eenheid.

De voorwaarden inzake nauwe financiële, economische en organisatorische verbondenheid zijn overigens **cumulatief** en moeten worden voldaan door de belastingplichtigen die een btw-eenheid zouden willen vormen. Deze verbondenheid moet reeds bestaan op het tijdstip van het verzoek tot oprichting van de btw-eenheid en een **permanent karakter** hebben, wat betekent dat die verbondenheid tijdens het bestaan van de btw-eenheid moet worden behouden (zie bijvoorbeeld de [schriftelijke parlementaire vraag nr. 542 van de heer Volksvertegenwoordiger Peter Luykx van 24.07.2012](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/542-belastingplichtige-btw-eenheid-peter-luykx-5b97)).

De verbondenheid tussen de belastingplichtigen die een btw-eenheid willen vormen kan evenwel aangetoond worden via belastingplichtigen of niet-belastingplichtigen die zelf geen deel willen of kunnen uitmaken van de btw-eenheid.

#### A. Financiële verbondenheid

[Artikel 1, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art1), voornoemd, bepaalt dat belastingplichtigen nauw financieel met elkaar verbonden moeten zijn om te kunnen genieten van het stelsel van de btw-eenheid.

##### a. Financiële verbondenheid bij rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal

Het [koninklijk besluit nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd), voornoemd, vestigt een vermoeden op grond waarvan aan de voorwaarde inzake nauwe financiële verbondenheid in ieder geval wordt voldaan wanneer tussen hen, in rechte of in feite, een rechtstreekse of onrechtstreekse **controleverhouding** bestaat (zie [circulaire AOIF nr. 42/2007 (nr. E.T. 111.702) van 09.11.2007](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2007-aoif-unite-tva-a24b), hoofdstukken 3.1.2. en 3.1.3.).

Naast dat vermoeden, neemt de administratie aan de voorwaarde inzake financiële verbondenheid is vervuld wanneer een belastingplichtige, rechtstreeks of onrechtstreeks, **10 % of meer van de maatschappelijke rechten bezit** van een andere vennootschap waarmee hij een btw-eenheid wenst te vormen. Voor zover een belastingplichtige via meerdere tussenpersonen cumulatief 10% of meer van de maatschappelijke rechten bezit van een andere vennootschap waarmee hij een btw-eenheid wenst te vormen, wordt deze voorwaarde tevens geacht vervuld te zijn (zie [circulaire AOIF nr. 42/2007 (E.T.111.702) van 09.11.2007](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2007-aoif-unite-tva-a24b), hoofdstuk 3.1.1).

De administratie neemt tevens aan dat deze voorwaarde is vervuld wanneer **10% of meer van de maatschappelijke rechten** van de belastingplichtigen die deel wensen te nemen aan de btw-eenheid, rechtstreeks of onrechtstreeks, **in dezelfde handen** is. Hierbij is het niet van belang of de aandeelhouder al dan niet deel uitmaakt van de btw-eenheid. Met andere woorden er is tevens aan de voorwaarde voldaan wanneer de aandeelhouder ervoor opteert om zelf geen deel uit te maken van de btw-eenheid of zelf geen deel kan uitmaken van de btw-eenheid.

In het geval van onrechtstreekse deelneming (A bezit een onrechtstreekse deelneming in C, wanneer ze maatschappelijke rechten bezit in B die zelf maatschappelijke rechten bezit in C), dient een dubbele beperking te worden toegepast voor de berekening van de verhouding van maatschappelijke rechten (eerst in functie van de verhouding van maatschappelijke rechten gehouden door A in B en vervolgens in functie van de verhouding van maatschappelijke rechten gehouden door B in C).

Het gegeven dat vennootschappen deel uitmaken van een consortium in de zin van artikel 1:19 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen volstaat op zich evenwel niet om het bestaan aan te tonen van een financiële verbondenheid tussen de vennootschappen.

In dezelfde gedachtegang kan de voorwaarde inzake financiële verbondenheid in geen geval geacht te zijn vervuld als twee vennootschappen, waarvan de ene geen deelneming heeft in het kapitaal van de andere, een overeenkomst sluiten krachtens welke een van die vennootschappen aan de andere het beheer of de bedrijfsvoering toevertrouwt, zelfs indien die overeenkomst de beherende vennootschap toelaat om alle beslissingen te nemen op welk domein ook (commercieel of sociaal beleid, enzovoort).

##### b. Financiële verbondenheid bij andere personen dan rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal

In hoofde van andere personen dan rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal wordt deze financiële verbondenheid, overeenkomstig [artikel 1, § 1, 1°, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art1), van het [koninklijk besluit nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd), voornoemd, in ieder geval voldaan wanneer de meerderheid van de activa die zij hebben ingezet voor de behoeften van hun economische activiteit rechtstreeks of onrechtstreeks toebehoren aan dezelfde persoon (zie ook [circulaire AOIF nr. 42/2007 (nr. E.T. 111.702) van 09.11.2007](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2007-aoif-unite-tva-a24b), hoofdstuk 3.1.4.).

Er wordt opgemerkt dat uitsluitend rekening wordt gehouden met activa die door eenzelfde persoon **om niet** worden ter beschikking gesteld.

Men kan zich, wat de beoordeling betreft van de financiële verbondenheid bij personen andere dan rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal, bij analogie ook steunen op de basisprincipes ter zake van toepassing op rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal. In dat verband heeft de administratie de [beslissing nr. E.T. 122.346 van 16.10.2014](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-122-346-btw-eenheid-personen-andere-dan-ffa5) gepubliceerd. Overeenkomstig die beslissing bestaat er eveneens een nauwe financiële verbondenheid indien één van de volgende voorwaarden is vervuld:

• een persoon bezit minstens 10% van het patrimonium van een persoon andere dan een rechtspersoon met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal.

Bedoeld wordt het geval waarin een persoon A, zonder tegenprestatie, activa ter beschikking stelt van persoon B en dat deze activa een waarde vertegenwoordigen van minstens 10% van het patrimonium van persoon B. De verhuur onder bezwarende titel van goederen is geen element van financiële verbondenheid.

De waarde van de ter beschikking gestelde activa moet minstens 10% van de waarde van het patrimonium van B bedragen. Het is aan de partijen om de waarde van dergelijke activa te bepalen. Het spreekt voor zich dat die waarde noch onder- noch overschat mag worden. Indien de gratis ter beschikking gestelde activa niet in de jaarrekening worden opgenomen, dan dient de waarde van voornoemde activa aan de hand van andere stukken te worden aangetoond.

Er wordt bovendien opgemerkt dat de activa die A ter beschikking stelt van B niet definitief verworven mogen worden door B. In dat geval is er immers geen financiële verbondenheid meer tussen A en B. Zo worden, bijvoorbeeld, lidgelden, inbrengen, giften en subsidies in principe definitief verworven door B.

• een persoon verbindt er zich toe de exploitatieverliezen van een persoon andere dan een rechtspersoon met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal ten laste te nemen.

Bedoeld wordt het geval waarin een persoon A er zich onherroepelijk toe verbindt de verliezen die voortvloeien uit de economische activiteit van een persoon B ten laste te nemen. Het verstrekken van een krediet of lening is geen element van financiële verbondenheid.

• een persoon heeft een doorslaggevende of betekenisvolle invloed op het beleid van een persoon andere dan een rechtspersoon met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal.

Bedoeld wordt onder meer het geval waarin een persoon A ten aanzien van persoon B het recht heeft de meerderheid van de bestuurders te benoemen of te ontslaan, minstens 20% van de stemrechten in de algemene vergadering bezit, enzovoort.

De administratie onderzoekt bovendien de specifieke gevallen die haar worden voorgelegd om te bepalen of in hoofde van die personen al dan niet zodanige verbondenheid bestaat.

Het loutere feit dat kandidaat-leden over één of meer gemeenschappelijke bestuurders beschikken volstaat echter niet als bewijs van financiële verbondenheid.

#### B. Organisatorische verbondenheid

[Artikel 1, § 1, 2°, van koninklijk besluit nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art1), voornoemd, bepaalt dat belastingplichtigen nauw organisatorisch met elkaar verbonden moeten zijn om te kunnen genieten van het stelsel van de btw-eenheid.

Aan deze voorwaarde wordt in elk geval voldaan wanneer:

• ze in rechte of in feite, rechtstreeks of onrechtstreeks, onder een gemeenschappelijke leiding staan (dit is in het bijzonder het geval wanneer de raden van bestuur of de directiecomités bestaan uit dezelfde personen en, meer algemeen, in het geval van een consortium in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen), of

• ze hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk in gemeenschappelijk overleg organiseren, of

• ze in rechte of in feite, rechtstreeks of onrechtstreeks, onder de controlebevoegdheid staan van één persoon.

#### C. Economische verbondenheid

[Artikel 1, § 1, 3°, van koninklijk besluit nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art1), voornoemd, bepaalt dat belastingplichtigen economisch nauw met elkaar verbonden moeten zijn om te kunnen genieten van het stelsel van de btw-eenheid.

Aan deze voorwaarde wordt in elk geval voldaan wanneer:

• de voornaamste werkzaamheid van ieder van hen van dezelfde aard is, of

• hun werkzaamheden elkaar aanvullen of beïnvloeden of kaderen in het nastreven van een gezamenlijk economisch doel, of

• de werkzaamheid van de ene belastingplichtige geheel of gedeeltelijk wordt uitgeoefend ten behoeve van de anderen.

### 4. Verplichte toetreding van een belastingplichtige

In een bepaald geval moet een belastingplichtige verplicht toetreden tot een btw-eenheid. Deze verplichting geldt enkel voor rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal.

Wat rechtspersonen betreft, wordt vermoed dat van zodra een vennootschap, lid van een btw-eenheid, **een rechtstreekse participatie van meer dan 50%** in een andere vennootschap bezit, voldaan is aan de drie cumulatieve deelnemingsvoorwaarden voor het toetreden tot een btw-eenheid en dat laatstgenoemde vennootschap, in principe, deel moet uitmaken van die bestaande btw-eenheid (zie [artikel 1, § 2, van koninklijk besluit nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art1), voornoemd).

Er wordt alleen met rechtstreekse participaties van meer dan 50% rekening gehouden. Het vermoeden geldt bijvoorbeeld niet voor een dochteronderneming die voor 33% in handen is van haar drie moederondernemingen, ook al zijn die alle drie lid van de btw-eenheid.

Vermits alleen de in België gevestigde entiteiten kunnen deel uitmaken van de btw-eenheid, is het vanzelfsprekend dat het vermoeden niet geldt ten aanzien van een dochteronderneming die uitsluitend in het buitenland is gevestigd.

Het vermoeden is daarentegen van toepassing op de in het buitenland gevestigde dochteronderneming wanneer die beschikt over een vaste inrichting in België.

Het vermoeden en de daaraan verbonden verplichting worden ‘trapsgewijs’ toegepast. Er moet in feite op individuele wijze nagegaan worden of haar rechtstreekse dochterondernemingen zich in dat geval bevinden.

Het vermoeden dat een dochteronderneming die voor meer dan 50% in handen is, voldoet aan de voorwaarden inzake financiële, economische en organisatorische banden voor het vormen van een btw-eenheid, kan weerlegd worden, in die zin dat, niettegenstaande de participatie, de betreffende rechtspersonen kunnen aantonen dat er geen of slechts zwakke economische of organisatorische banden tussen hen bestaan of dat er andere omstandigheden bestaan die de uitsluiting van de dochteronderneming uit de btw-eenheid kunnen verantwoorden.

Als een lid van een btw-eenheid een rechtstreekse deelneming verwerft van meer dan 50% in een belastingplichtige die reeds lid is van een andere btw-eenheid, is laatstgenoemde belastingplichtige niet langer lid van de btw-eenheid waartoe hij behoorde en wordt hij lid van de btw-eenheid waartoe de belastingplichtige behoort die hem voor meer dan 50% in zijn bezit heeft, behoudens indien zij kunnen aantonen dat zij organisatorisch, economisch of omwille van andere omstandigheden niet met elkaar verbonden zijn of kunnen zijn.

Voor bijkomende uitleg hieromtrent wordt verwezen naar de [circulaire AOIF nr. 42/2007 (nr. E.T. 111.702) van 09.11.2007](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2007-aoif-unite-tva-a24b), hoofdstuk 4.

### 5. Bijzonder geval: de oprichting van een btw-eenheid tussen een bestuurder-rechtspersoon ten aanzien van de rechtspersoon waarin hij een bestuurdersmandaat uitoefent

De bestuurder-rechtspersoon die ten aanzien van de rechtspersoon waarin hij een bestuurdersmandaat uitoefent en waarmee hij een btw-eenheid wil vormen moet kunnen aantonen dat hij met die vennootschap financieel, economisch en organisatorisch nauw verbonden is in de zin van [artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4). Hiertoe moeten de kandidaat-leden rekening houden met de principes opgenomen in de [circulaire AOIF nr. 42/2007 (nr. E.T. 111.702) van 09.11.2007](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/42-2007-aoif-unite-tva-a24b).

Het komt evenwel voor dat meerdere bestuurders-rechtspersonen samen een exploitatievennootschap besturen. Aan de administratie werd de vraag gesteld onder welke voorwaarden de bestuurders-rechtspersonen samen met de exploitatievennootschap een btw-eenheid kunnen vormen in het geval waarin tussen de bestuurders-rechtspersonen onderling geen deelneming in het maatschappelijk kapitaal bestaat. In die omstandigheden is er immers op basis van één van de criteria vermeld in de circulaire AOIF nr. 42/2007, voornoemd, geen financiële verbondenheid mogelijk tussen de bestuurders-rechtspersonen onderling.

In het kader van de opheffing van het keuzestelsel ten aanzien van de belastingplicht van bestuurders-rechtspersonen (zie [beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-127-850-rechtspersonen-handelend-bestuurder-belastingplicht-btw-614d)) heeft de heer Minister beslist dat bestuurders-rechtspersonen samen met hun exploitatievennootschap een btw-eenheid kunnen vormen (en bijgevolg geacht worden te voldoen aan de voorwaarden inzake financiële, organisatorische en economische verbondenheid) indien voldaan is aan volgende voorwaarden:

• de bestuurders-rechtspersonen zijn zowel aandeelhouder als bestuurder van de exploitatievennootschap

• de bestuurders-rechtspersonen bezitten samen rechtstreeks meer dan 50% van de stemrechten verbonden aan de maatschappelijke rechten van de exploitatievennootschap

• er bestaat een overeenkomst tussen de bestuurders-rechtspersonen op grond waarvan zij er zich toe verbinden dat elke beslissing inzake de oriëntatie van het beleid van de exploitatievennootschap moet genomen worden met hun toestemming (bij unanimiteit). Geen enkele beslissing van de bestuurders-rechtspersonen gebonden door deze overeenkomst kan opgelegd worden aan één van de andere vennoten die gebonden zijn door deze overeenkomst. Noch de statuten van de bestuurders-rechtspersonen noch die van de gecontroleerde vennootschap mogen bepalingen bevatten die strijdig zijn met de bepalingen van deze overeenkomst.

In die omstandigheden worden de betrokken bestuurders-rechtspersonen en de exploitatievennootschap gezamenlijk geacht nauw financieel, economisch en organisatorisch verbonden te zijn.

Voor meer uitleg wordt verwezen naar de [beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016](https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-127-850-rechtspersonen-handelend-bestuurder-belastingplicht-btw-614d), hoofdstuk III ‘btw-eenheid’.

\[Top\]

## Aangehaalde teksten

63

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 52 voorkomens

[WBTW art. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) 26 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 24 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 11](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-11) 8 voorkomens

[KB nr. 55 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd) 7 voorkomens

[WBTW art. 44bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44bis) 7 voorkomens

[WBTW art. 8bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) 7 voorkomens

[WBTW art. 39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) 5 voorkomens

[WBTW art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) 5 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 9](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) 5 voorkomens

[KB nr. 31 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-9c47) 4 voorkomens

[WBTW art. 42](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-42) 4 voorkomens

[WBTW art. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55) 4 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 3 voorkomens

[WBTW art. 50](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) 3 voorkomens

[WBTW art. 56bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56bis) 3 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 13](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-13) 3 voorkomens

[KB nr. 10 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-10-december-betrekking-uitoefeningsmodaliteiten-keuzen-5679) 2 voorkomens

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 2 voorkomens

[WBTW art. 25quater](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quater) 2 voorkomens

[WBTW art. 25ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) 2 voorkomens

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 2 voorkomens

[WBTW art. 39quater](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39quater) 2 voorkomens

[WBTW art. 58quater](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58quater) 2 voorkomens

[uitvoeringsverordening 282/2011 art. 11](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-11) 2 voorkomens

[KB nr. 30 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a) 1 voorkomen

[WBTW art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) 1 voorkomen

[WBTW art. 13](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-13) 1 voorkomen

[WBTW art. 15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) 1 voorkomen

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 1 voorkomen

[WBTW art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) 1 voorkomen

[WBTW art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20) 1 voorkomen

[WBTW art. 21bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) 1 voorkomen

[WBTW art. 51ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51ter) 1 voorkomen

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 1 voorkomen

[WBTW art. 58ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58ter) 1 voorkomen

[WBTW art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 4](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 10](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-10) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 2](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-2) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 44](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-44) 1 voorkomen

[C-110/94, arrest van 29 februari 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-110-94-arrest) 2 voorkomens

[C-230/94, arrest van 26 september 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-94-arrest) 2 voorkomens

[C-62/12, arrest van 13 juni 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-12-arrest) 2 voorkomens

[C-102/08, arrest van 4 juni 2009](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-102-08-arrest) 1 voorkomen

[C-174/00, arrest van 21 maart 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-174-00-arrest) 1 voorkomen

[C-184/00, arrest van 22 november 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-184-00-arrest) 1 voorkomen

[C-186/89, arrest van 4 december 1990](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-186-89-arrest) 1 voorkomen

[C-23/98, arrest van 27 januari 2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-23-98-arrest) 1 voorkomen

[231/87 en 129/88, arrest van 17 oktober 1989](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-231-87-arrest) 1 voorkomen

[C-263/11, arrest van 19 juli 2012](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-263-11-arrest) 1 voorkomen

[268/83, arrest van 14 februari 1985](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-83-arrest) 1 voorkomen

[C-288/07, arrest van 16 september 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-288-07-arrest) 1 voorkomen

[C-312/19, arrest van 16 september 2020](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-312-19-arrest) 1 voorkomen

[C-320/17, arrest van 5 juli 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-320-17-arrest) 1 voorkomen

[C-355/06, arrest van 18 oktober 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-355-06-arrest) 1 voorkomen

[C-420/18, arrest van 13 juni 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-420-18-arrest) 1 voorkomen

[C-480/10, arrest van 25 april 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-480-10-arrest) 1 voorkomen

[C-655/19, arrest van 20 januari 2021](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-655-19-arrest) 1 voorkomen

[C-7/13, arrest van 17 september 2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-7-13-arrest) 1 voorkomen

[C-812/19, arrest van 11 maart 2021](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-812-19-arrest) 1 voorkomen

[C-85/11, arrest van 9 april 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-11-arrest) 1 voorkomen
