---
title: "Décision anticipée 2022.0465 · Impôt des sociétés, Plus-values sur actions I.Soc"
description: "Impôt des sociétés, Plus-values sur actions I.Soc, Changement du contrôle d’une société. Décision anticipée belge n° 2022.0465 du 24 octobre 2023."
url: "https://juriel.be/fr/rulings/2022-0465-impot-societes-plus-values-actions-9439"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Impôt des sociétés, Plus-values sur actions I.Soc · Impôts sur les revenus - Impôt des sociétés - Plus-values sur actions I.Soc - Changement du contrôle d’une société - Besoins légitimes de caractère financier ou économique - Usage anti-abus - Vlabel - TVA - Frais professionnels déductibles - Avantage anormal ou bénévole

**Numéro**

2022.0465

**Date**

24 octobre 2023

## Sur le document

**Collection**

Décisions anticipées

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

271 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2022.0465 du 24.10.2023

*Impôts sur les revenus* · *Impôt des sociétés* · *Plus-values sur actions I.Soc* · *Changement du contrôle d’une société* · *Besoins légitimes de caractère financier ou économique* · *Usage anti-abus* · *Vlabel*

*TVA* · *Frais professionnels déductibles* · *Avantage anormal ou bénévole*

## Résumé

1\. Les plus-values sur les actions ou parts du SPV, que X est réputé(e) avoir réalisées à la date à laquelle la propriété juridique des actions ou parts du SPV est transférée, sont exonérées de l’impôt des sociétés conformément à l’article 192, § 1 er, alinéa 1 er, du CIR 92 en combinaison avec les articles 202 et 203 du CIR 92.

2\. Le changement de contrôle répond à des besoins légitimes de caractère financier ou économique dans le chef du SPV au sens de l’article 207, alinéa 8, du CIR 92 de sorte que les pertes constituées et reportées (le cas échéant) au sein du SPV, après le changement de contrôle, restent déductibles des bénéfices du SPV de toute période imposable ultérieure.

3\. Les frais de structuration qui sont octroyés à X par le SPV, et ce à titre d’indemnités pour les services intragroupe fournis ayant trait à la structuration et au financement du SPV, ne sont pas qualifiés d’avantage anormal ou bénévole accordé ou retiré au sens des articles 26, 79 et 206/3, § 1 er, du CIR 92, et constituent, dans le chef du SPV, des frais professionnels déductibles fiscalement au sens de l’article 49 du CIR 92.

4\. La vente des actions ou parts (dont le paiement s’effectuera en tranches) se justifie, pour ce qui concerne l’application de l’article 192 en combinaison avec les articles 202 et 203 du CIR 92, par d’autres motifs que la volonté d’éviter les impôts sur les revenus au sens de l’article 344, § 1 er, du CIR 92.

5\. Le Vlaamse Belastingdienst (Service fiscal flamand) a confirmé que les opérations envisagées ne sont pas visées par l’article 3.17.0.0.2 du VCF, dans la mesure où les actions ou parts du SPV ne sont pas cédées à un ou plusieurs tiers dans un court délai.

6\. La vente des actions ou parts du SPV est exemptée de la TVA conformément à l’[article 44, § 3, 10°, du CTVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44).

7\. Les intérêts du prêt d’actionnaires accordé par X et les investisseurs-actionnaires au SPV sont en principe des dépenses professionnelles déductibles pour le SPV au sens de l’article 49 du CIR 92, étant entendu que le taux d’intérêt applicable doit répondre aux conditions prévues à l’article 55, alinéa 1 er, 2°, du CIR 92.

8\. Les intérêts sur le prêt d’actionnaires accordé par X et les investisseurs au SPV ne sont pas qualifiés d’avantage anormal ou bénévole accordé ou retiré au sens des articles 26, 79 et 206/3, § 1 er, du CIR 92.

***La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.***

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat:

1.1. de meerwaarde die wordt vastgesteld n.a.v. de verkoop van de aandelen in de SPV door X erkend dient te worden voor fiscale doeleinden op datum van de juridische eigendomsoverdracht van de betrokken aandelen, hetgeen niet noodzakelijk samenvalt met de data waarop X, als verkoper van de aandelen, de prijs (of gedeelte ervan) verbonden aan deze transactie ontvangt. De beoordeling of X kan genieten van een vrijstelling in de vennootschapsbelasting op basis van artikel 192 WIB92 j. artikelen 202 en 203 WIB92 dient tevens te gebeuren op de datum van de juridische eigendomsoverdracht, hetgeen de datum is waarop de aandelen geacht kunnen worden gerealiseerd te zijn;

1.2. de controlewijziging in hoofde van de SPV, naar aanleiding van de overdracht van de meerderheid van de aandelen door X aan een veelheid van investeerders, beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften in de zin van artikel 207, achtste lid WIB92 zodat de (eventuele) opgebouwde, overgedragen verliezen binnen de SPV bij voortduur aftrekbaar blijven van de winsten na verkoop van de SPV aandelen door X (m.a.w. na controlewijziging);

1.3. de structuring fee die vanuit de SPV wordt toegekend aan X als vergoeding voor de intra-groep dienst verband houdend met de structurering en financiering van de SPV, kwalificeert niet als een verleend of verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel, zoals bepaald in de artikelen 26, 79 en 206/3, §1 *(1)* WIB92 en is bovendien aftrekbaar als een beroepskost in de zin van artikel 49 WIB92 in hoofde van de SPV;

---

*\[(1) Oud artikel 207 WIB92, zoals gewijzigd bij de Wet van 21 januari 2022 houdende diverse fiscale bepalingen (1), BS 28 januari 2022.\]*

---

1.4. de verkoop van de aandelen (waarvan de betaling in schijven zal plaatsvinden) maakt geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 344, §1 WIB92 en artikel 3.17.0.0.2 VCF, inzake de toepassing, respectievelijk, van de artikelen 192 j. 202 en 203 WIB92 en artikelen 2.9.1.0.1 j. 2.9.4.1.1 VCF;

1.5. de verkoop van de aandelen in Y aan de investeerders is vrijgesteld van btw overeenkomstig artikel 44, § 3, 10° Wbtw;

1.6. de interesten op de aandeelhouderslening, verstrekt door X en de investeerders-aandeelhouders aan SPV, zijn voor SPV in principe aftrekbare beroepsuitgaven in de zin van artikel 49 WIB92, met dien verstande dat de toepasselijke interestvoet bepaald zal worden overeenkomstig een nog uit te voeren benchmarking studie en dat deze als zodanig zal voldoen aan de voorwaarden gesteld bij artikel 55, eerste lid, 2° WIB92;

1.7. de interesten op de aandeelhouderslening verleend door X en de investeerders aan de SPV kwalificeren niet als een verleend of verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel, zoals bepaald in de artikelen 26 WIB92, 79 WIB92 en 206/3, §1 WIB92.

## II. Beslissing

2\. De aanvragers hebben in de aanvraag de voorwaarden vervat in de artikelen 21 en 22 van de voormelde wet van 24 december 2002 nageleefd.

3\. Eén van de toekomstige projecten onder de koepel van X betreft project Z: m.n. de ontwikkeling van een vastgoedproject in de binnenstad van stad A.

4\. De grond (met af te breken gebouw) werd in yyyy aangekocht via een onderhandse overeenkomst door T, en dit met de mogelijkheid om de optie over te dragen aan een gelieerde vennootschap (zijnde uiteindelijk de SPV), en dit onder opschortende voorwaarden van o.a. het bekomen van een omgevingsvergunning en het verlaten van het gebouw door de huidige huurders.

5\. Op dd/mm/yyyy werd, door X, de SPV opgericht die de grond (en af te breken gebouw) zal verwerven bij vervulling van de opschortende voorwaarden. Het is de SPV die het project zal realiseren. Eind yyyy diende de SPV een aanvraag tot omgevingsvergunning in. De vergunning werd afgeleverd, maar vervolgens vernietigd. Het dossier wordt momenteel behandeld op het niveau van de Raad van Vergunningsbetwistingen. In parallel heeft de SPV een nieuwe vergunningsaanvraag ingediend. De aanvragers verwachten de vergunning in de loop van yyyy, dan wel yyyy.

6\. De aanvragers schatten de waarde van het project bij oplevering, binnen de opzet voorzien onder de eerst verkregen vergunning op # EUR.

7\. De aanvragers stellen dat het in stad A niet toegelaten is om dergelijke units individueel op de markt te verkopen. Op die manier wenst de stad A het beheer van grootschalige units beter te regelen. Door een stukverkoop te verbieden wordt een overkoepelend beheer gerealiseerd die de kwaliteit op de lange termijn ten goede zou komen.

8\. De aanvragers menen dat er een beter resultaat bereikt kan worden indien het project te koop wordt aangeboden aan private investeerders, en dit in vergelijking met de verkoop aan één institutionele investeerder.

9\. In dit kader zou het project ontwikkeld worden binnen de SPV, waarvan de aandelen aan (naar schatting een #tal) investeerders (zowel natuurlijke personen als rechtspersonen) worden aangeboden (waarbij een investeerder minimaal # EUR zou moeten investeren). Dergelijke (alternatieve) structuur zou volgens de aanvragers m.n. aanvaardbaar zijn binnen de beperkingen opgelegd door de visie van de stad A (centraal beheer en geen versnipperde eigendomsstructuur).

10\. De werking met een SPV laat toe om te voorzien in een gezamenlijk beheer en uitbating van het vastgoed. Volgens de aanvragers zou dit ook een (bijkomend) aantrekkingspunt zijn voor investeerders: het gehele complex wordt door een professionele dienstverlener beheerd (geen sprake van verschillende standaarden in beheer en verhuur) en de uitbating vraagt geen tijdsintensieve betrokkenheid rond het zoeken van huurders, het onderhouden van de units,…

11\. Bovendien zou de vooropgestelde structuur ook een vorm van risicospreiding voor de investeerders vormen: verspreiden van het leegstandrisico over een veelheid van units.

12\. X zal de SPV reeds voorafgaandelijk aan de voorlopige oplevering van het project aanbieden aan investeerders.

13\. De plaatsing van het project bij investeerders zou als volgt verlopen:

13.1. Bij aanvang van de ontwikkeling stelt X een partij aan om de SPV aan te bieden aan investeerders.

13.2. X biedt de investeerders een optieovereenkomst aan, waarbij zij zich het recht zou voorbehouden om de aandelen aan te bieden aan de investeerders zodra er voldoende investeerders hebben ingetekend (m.n. vereiste voor het bekomen van een bankfinanciering door de SPV).

13.3. Na het bereiken van de drempel licht X de optie en wordt er een verkoopovereenkomst afgesloten tussen X en de investeerders inzake de aan- en verkoop van SPV aandelen.

In de verkoopovereenkomst zou voorzien worden dat de betaling van de koopprijs op basis van schijven (in functie van de vooruitgang van het project) zou gebeuren.

13.4. Daarnaast zou de overeenkomst eveneens stipuleren dat de juridische eigendomsoverdracht van de aandelen uitgesteld wordt tot op het moment dat de koopprijs voor de aandelen volledig wordt voldaan (samenvallend met de voorlopige oplevering van het project).

Volgens de aanvrager impliceert dat vanaf dan de risico’s verbonden aan de investering volledig overgedragen worden aan de investeerders.

Tot de datum van voorlopige oplevering (en dus eigendomsoverdracht van de aandelen) zal X elk risico op verlies van haar participatie in de SPV dragen en desgevallend de reeds betaalde voorschotten aan de investeerders moeten terugbetalen (zie ook randnummer 13.6 van de beslissing).

13.5. Bij ondertekening van de verkoopovereenkomst wordt een aandeelhoudersovereenkomst ondertekend (onder opschortende voorwaarde van de juridische eigendomsoverdracht van de aandelen), waarin de belangrijkste zaken inzake bestuur worden vastgelegd.

Hier worden ook afspraken gemaakt rond het uittreden van investeerders (‘lockup’ en ‘standstill’ periodes’), vervreemding van de aandelen in het kader van een te organiseren “markt” waarbij de koopprijs voor de aandelen vastgelegd zou worden op basis van een prijsformule. Elk uittrede zou, in de regel, voorafgaandelijk goedgekeurd moeten worden door het bestuursorgaan (voldaan zijn aan de voorwaarden/periode waaronder/waarin er mag worden verhandeld, zonder dat de goedkeuring een discretionair element bevat).

De SPV kent twee aandelenklassen. De klasse A aandelen zullen aangehouden worden door de investeerders, en de klasse B aandelen zullen aangehouden worden door X (of een verbonden vennootschap). Voor de juridische eigendomsoverdracht van de aandelen zou het bestuursorgaan uit # bestuurders bestaan (op voordracht van houder klasse B aandelen). Bij de eigendomsoverdracht worden # bestuurders benoemd door de houders van klasse A aandelen (investeerders), en de houder van klasse B aandelen (X) heeft recht op de voordracht van # bestuurders. Het bestuursorgaan beslist met gewone meerderheid (op iedere vergadering dient minstens #A én B bestuurders aanwezig te zijn, en geen enkele bestuurder zou een vetorecht hebben). Voor het overige zouden deze klasse van aandelen dezelfde (uitkerings-)rechten hebben.

13.6. X verschaft een zekerheid aan de investeerders over de realisatie van het project. Zij zou hiervoor de nodige stappen aan het ondernemen zijn t.a.v. de betrokken financiële instellingen en verzekeraars. Indien de SPV beslist om het project alsnog niet uit te voeren (voor de aanvang van de werken), zullen, al naar gelang de situatie, de betaalde voorschotten door X worden terugbetaald of zal er gewerkt worden middels zekerheiden geboden door de banken. In dit laatste geval zou er naar een voltooiingsgarantie (de investeerder krijgt de garantie dat het project voltooit zal worden) of terugbetalingsgarantie (de investeerders worden door een bankgarantie terugbetaald) gekeken worden.

13.7. Bij de juridische eigendomsoverdracht van de aandelen zou er een # / # verhouding bestaan tussen eigen inbreng en de aandeelhouderslening in de SP: bij de oprichting onderschrijft X een eigen vermogensinbreng dat # bedraagt van de totale, geraamde projectkost. Enkel het gedeelte dat vereist is als eigen inbreng voor het bekomen van de banklening zou effectief door X worden volstort. De openstaande, niet-volstorte eigen vermogensinbreng zou op het moment van juridische eigendomsoverdracht van de aandelen worden aangezuiverd, en dit door een gedeelte van de aandeelhoudersleningen om te zetten in eigen vermogensinbreng.

Vanaf de inbreng van een deel van de aandeelhouderslening in het eigen vermogen van de SPV zal er, op het ingebrachte deel, geen interest meer worden gerekend.

14\. De financiering van het project zou als volgt verlopen:

14.1. De aankoop van de grond (met af te breken gebouw) door de SPV zou voor # % gefinancierd worden via bankfinanciering en voor # % door X. De percentages betreffen het vooropgestelde doel, en zou nog door de bank bevestigd moeten worden.

Voor het bekomen van een bankfinanciering zouden de banken eisen dat er reeds een intentie tot verwerving is van investeerders met betrekking tot # % van de aandelen in de SPV.

De financiering door X zou gebeuren via een combinatie van eigen vermogen en aandeelhouderslening.

14.2. De ontwikkeling van het project zou vervolgens voor # % gefinancierd worden door X (combinatie van eigen vermogen en aandeelhouderslening) en voor # % door bankfinanciering. De percentages betreffen het vooropgestelde doel, en zou nog door de bank bevestigd moeten worden.

X zou de financiering van de schijf van # % halen uit voorschotten op de verkoopprijs van de SPV aandelen (#%) en uit eigen middelen (#%).

14.3. In de verkoopovereenkomst, afgesloten tussen X en de investeerders, zou voorzien worden dat de betaling van de koopprijs in schijven zou gebeuren.

Aanvullend op de koopprijs van de SPV aandelen zou door iedere investeerder aan de SPV tegelijkertijd (en volgens dezelfde betalingsschijven) een aandeelhouderslening worden verstrekt.

Deze aandeelhouderslening dient enerzijds om de bankfinanciering (ter gedeeltelijke financiering van het project) te kunnen terugbetalen en anderzijds om later de investeerder een recurrent rendement te kunnen garanderen. Door de lening kan er aan de investeerder een stabiel en periodiek rendement worden uitgekeerd aangezien verwacht wordt dat in de eerste jaren na de realisatie van het project de SPV geen of slechts een beperkte capaciteit zal hebben om over te gaan tot dividenduitkeringen (t.g.v. de boekhoudkundige afschrijvingen op het vastgoed).

De looptijd van de aandeelhoudersleningen is in beginsel #jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop de juridische eigendomsoverdracht van de aandelen in de SPV plaatsvindt.

14.4. Tijdens de opstart en ontwikkeling van het project zelf zal er gebruik worden gemaakt van bankfinanciering, doch eens het project is opgeleverd en de investeerders aandeelhouder zijn geworden van de SPV zou er geen bankfinanciering meer openstaan of opgenomen worden (deze zou volledig afgelost zijn middels de ontvangen aandeelhoudersleningen).

15\. Daarnaast beoogt X ervoor te zorgen dat de investeerders zekerheid hebben inzake het rendement op de dag dat zij inschrijven op het project: de prijs voor de aandelen blijft in principe ongewijzigd. Hierbij is het de intentie om het rendement van de investeerders stabiel te houden:

15.1. Indien de bouwkost door onvoorziene omstandigheden hoger zou uitvallen, dan zou door X hiertoe de nodige financiering voorzien worden bij de SPV om het project te realiseren. In zover dit zou inhouden dat X extra middelen moet beschikbaar maken voor de SPV (om het rendement van de investeerders stabiel te houden), dan zal dit een impact hebben op het rendement van X. Indien de bouwkost lager uitvalt dan voorzien, dan zou X het verschil voorafgaand de aandelenoverdracht kunnen laten opstromen naar X (via een vermindering van de eigen vermogensinbreng).

15.2. Er zou evenwel gewerkt worden met een indexatiemechanisme (gekoppeld aan de lonenindex) ten aanzien van de prijs van de aandelen, dit om toe te laten marktevoluties (en bijhorende prijsstijgingen) te vatten. In dit kader zou de koopprijs van de aandelen (en de aandeelhouderslening) geïndexeerd worden bij de verkoop aan potentiële investeerders, waarbij de prijsherziening bij iedere betalingsschijf zou plaatsvinden.

16\. X draagt volgens de aanvragers aldus de risico’s in zover er zich situaties voordoen ten gevolge waarvan additionele investeringen en kosten gemaakt moeten worden door de SPV ter realisatie van het project. In zover additionele kosten volgen uit de normale marktevolutie van prijzen zou de additionele kost gedragen worden door de investeerders.

17\. X zal als dienstverlener optreden voor de SPV. De SPV zal instaan voor de eigenlijke realisatie van het project. De door X geleverde diensten worden gevat door een overeenkomst met betrekking tot ‘projectmanagement’, en een overeenkomst met betrekking tot ‘structurering’ diensten.

18\. X zou volgende diensten leveren in het kader van de projectmanagement overeenkomst:

\- Verlenen van ondersteuning, bijstand, begeleiding en advies in het kader van de ontwikkeling van vastgoedprojecten, vanaf de effectieve aankoop van vastgoedprojecten;

\- Coördinatie, ondersteuning en advies in het kader van de ontwikkeling van de Opdrachtgever op het technische vlak, zo onder meer het uitwerken en verkrijgen van nodige vergunningen voor de realisatie van vastgoedproject, evenals de effectieve uitvoering en opvolging van de werken;

\- Coördinatie, ondersteuning en adviesverlening op financieel, fiscaal, juridisch en boekhoudkundig vlak;

\- Coördinatie, ondersteuning en adviesverlening op commercieel vlak (verkoop, marketing, marktpositionering).

19\. De projectmanagementvergoeding vergoedt volgens de aanvragers verscheidene diensten die X verleent / zal verlenen aan de SPV in het kader van het project. Het betreft bijstand en advies op organisatorisch, commercieel, technisch, juridisch, fiscaal en financieel gebied.

20\. Voor haar werkzaamheden onder de projectmanagementovereenkomst zou X een vergoeding krijgen gelijk aan #% dewelke enerzijds berekend wordt op de bouwkost en anderzijds op de aankoopprijs van de grond (omwille van het feit dat ook de bijstand bij de aankoop van de grond zelf, in de dienstverlening door X begrepen zit). De aanvragers stellen dat het tarief van #% binnen de X groep op geheel consistente wijze toegepast wordt voor al haar ontwikkelactiviteiten (ook wanneer zij in Joint Venture met derde partijen deze werkzaamheden verricht).

21\. Daarnaast dient de SPV ook een zogenaamde ‘structureringsvergoeding’ te betalen aan X die de bijstand dekt dewelke X verricht voor de hele set up van de SPV als ‘beleggingsproduct’:

\- het onderhouden van de contacten met de juridische adviseurs;

\- het uitwerken van de cash flow plannen en de design van de financieringswijze tijdens de bouw en de periode die hierop volgt;

\- het ‘vermarkten’ van het ‘product’ bij geïnteresseerde partijen;

\- de contacten met de FSMA aangaande het AIF regime van de SPV;

\- het bewerkstelligen dat de nodige equity ( / leningen) uiteindelijk bij de beleggers opgehaald kan worden.

22\. X zal hiervoor een vergoeding aanrekenen dewelke gelijk is aan #% van het totale bedrag aan bij de beleggers opgehaalde middelen. Voorgaande weerspiegelt volgens de aanvragers een bijkomende vergoeding ten bedrage van EUR #, dewelke begrepen zal zijn in de belastbare basis van X in de vennootschapsbelasting, alsook onderworpen zal zijn aan 21% BTW.

23\. De totale “fee” (excl. BTW) die X zal aanrekenen aan de SPV voor de projectmanagementvergoeding en de structureringsvergoeding samengenomen bedraagt volgens de aanvragers c. #% van de meerwaarde die zou worden gerealiseerd (meerwaarde in vergelijking met de totale kostprijs). Omgerekend naar ‘rendement op projectkost’, en na vergelijking met een studie van de rentabiliteit van gelijkaardige partijen op de Belgische markt blijkt volgens de aanvragers dat deze totale vergoeding in lijn zou zijn met het at arms’s lenghts principe. Volledigheidshalve benadrukken de aanvragers dat de verschuldigde structureringsvergoeding en projectmanagement vergoeding niet in rekening wordt gebracht als projectkosten van de SPV om de meerwaarde te berekenen.

### *II.A. Meerwaarden op aandelen*

24\. X zal als aandeelhouder van de SPV, en dit naar aanleiding van de verkoop van de SPV aandelen aan investeerders, in principe een meerwaarde op aandelen realiseren.

25\. Artikel 192, §1, eerste lid WIB92 stelt:

> “De niet in artikel 45, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde meerwaarden op aandelen verwezenlijkt, of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een ontbonden vennootschap, zijn eveneens volledig vrijgesteld in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aandelen in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203, van de winst te worden afgetrokken of, voor wat betreft de overeenkomstig artikel 194 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aangehouden aandelen, krachtens de artikelen 202, § 1 en § 2, eerste lid, 2°, en 203, van de winst te worden afgetrokken.”

26\. Overeenkomstig artikel 192 WIB92 zijn meerwaarden op aandelen volledig vrijgesteld in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aandelen in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203 WIB92 van de winst te worden afgetrokken.

27\. Artikel 202, §2, eerste lid, WIB92 bepaalt dat de in § 1, 1° en 2°, vermelde inkomsten, behalve voor zover deze voortkomen uit de toepassing van artikel 211, § 2, derde lid, of van bepalingen met een gelijkaardig effect in een andere Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, slechts aftrekbaar zijn in zoverre:

1° op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van deze inkomsten, de vennootschap die de inkomsten verkrijgt in het kapitaal van de vennootschap die ze uitkeert, een deelneming bezit van ten minste 10 pct of met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 EUR;

2° deze inkomsten betrekking hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden.

28\. Onder de beoogde structuur zouden de SPV aandelen pas aan de investeerders overgedragen worden op het moment dat de koopprijs voor de aandelen volledig werd voldaan (wat volgens de aanvragers in de praktijk, in principe, zou samenvallen met de voorlopige oplevering van het project binnen de SPV).

29\. Op het ogenblik van dergelijke eigendomsoverdracht zal X, in de regel, # % van de aandelen voor meer dan 1 jaar hebben aangehouden (rekening houdend dat op vandaag X de aandelen in de SPV reeds meer dan één jaar aanhoudt).

30\. De aanvragers stellen nog dat de SPV een normaal belaste Belgische vennootschap betreft. De aanvragers achten dus dat de uitsluitingsbepalingen zoals voorzien onder artikel 203 WIB92 geen toepassing vinden in hoofde van de SPV.

31\. Gelet op voorgaande kan gesteld worden dat de eventuele meerwaarden die X zou realiseren bij de verkoop van de SPV aandelen vrijgesteld zijn van de vennootschapsbelasting overeenkomstig artikel 192, §1, eerste lid WIB92.

32\. De verkoopprijs van de aandelen zal in schijven vooruitbetaald worden. De aanvragers wensen dan ook de bevestiging te krijgen dat het verkrijgen van dergelijke voorschotten op de aandelenprijs niet impliceert dat er bij het ontvangen van de verschillende schijven een erkenning als opbrengst op fiscaal vlak zou dienen te gebeuren in hoofde van X van een (gehele of gedeeltelijke) verkoop van de aandelen. Dit laatste gelet op het gegeven dat deze schijven terugbetaald zouden worden aan de investeerders in het geval het project niet gerealiseerd zou worden, de aandelen juridisch slechts overgedragen zouden worden bij voorlopige oplevering van het project, en dat het ontvangen van de voorschotschijven boekhoudkundig gecompenseerd zou worden via het boeken van een schuld.

33\. Artikelen 1582 en 1583 (Oud) Burgerlijk Wetboek stellen:

> “Artikel 1582. Koop is een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om een zaak te leveren, en de andere om daarvoor een prijs te betalen.
>
> Hij kan bij authentieke of bij onderhandse akte worden aangegaan.
>
> Artikel 1583. Hij is tussen partijen voltrokken, en de koper verkrijgt van rechtswege de eigendom ten aanzien van de verkoper, zodra er overeenkomst is omtrent de zaak en de prijs, hoewel de zaak nog niet geleverd en de prijs nog niet betaald is.”

34\. Artikel 1138 (Oud) Burgerlijk Wetboek stelt:

> “De verbintenis tot geven wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 3.14, § 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
>
> Behoudens andersluidend akkoord van partijen heeft de eigendomsovergang tot gevolg dat het risico van het goed voor de eigenaar is, ook al heeft de overgave van het goed niet plaatsgehad, tenzij de schuldenaar in gebreke is het te leveren; in dit geval blijft het risico van het goed voor de laatstgenoemde”.

35\. Daarnaast verwijzen de aanvragers nog naar CBN-advies 2012/17 – Erkenning van opbrengsten en kosten:

4\. De CBN meent dat de opbrengsten en kosten die voortvloeien uit de vervreemding van een goed, in overeenstemming met de voornoemde beginselen, zullen worden toegerekend aan het boekjaar waarin de voornaamste risico’s van het goed worden overgedragen aan de verkrijger, waarbij rekening moet worden gehouden met de aard van het contract en het betrokken goed. De overdracht van de voornaamste risico’s zal in principe overeenstemmen met de overdracht van de eigendom over het goed of, indien de eigendomsoverdracht hiervan losgekoppeld is, met de overdracht van de risico’s van verlies of beschadiging van het goed.

Het ogenblik waarop de voornaamste risico’s van het goed worden overgedragen is steeds een feitenkwestie en moet geval per geval worden beoordeeld.

Bij vervreemding van een actief dient te worden opgemerkt dat de boekhoudkundige realisatie van dit actief (en de uitboeking van dit actief van de balans) en de uitdrukking van het resultaat van de vervreemding in principe aan elkaar gekoppeld zijn.”

36\. De aanvragers stellen dat alle risico’s verbonden aan de investering in de SPV slechts naar de investeerders zouden overgaan op het ogenblik van eigendomsoverdracht van de aandelen. Tot die datum zou X elk risico op verlies van haar participatie in de SPV dragen en desgevallend de reeds betaalde voorschotten aan de investeerders moeten terugbetalen (waarvoor X een zekerheid zou bieden aan de investeerders). De aanvragers stellen dat indien de SPV het project niet zou kunnen realiseren, de investeerders er zeker van zouden zijn dat zij hier geen nadeel van zouden ondervinden. De overdracht van de eigendomsrechten, ten aanzien van de aandelen, zouden aldus gekoppeld zijn aan de overdracht van de voornaamste risico’s. Omgekeerd impliceert dit volgens de aanvragers ook dat de investeerders tot het ogenblik van eigendomsoverdracht geen rechten kunnen laten gelden t.a.v. de SPV of de aandelen, ook al zou een meerderheid van de verkoopprijs betaald zijn.

37\. Onder de verkoopovereenkomst zou volgens de aanvragers gestipuleerd worden dat de juridische eigendomsoverdracht van de aandelen wordt uitgesteld tot op het moment dat de koopprijs voor de aandelen volledig wordt voldaan, wat de facto zal samenvallen met de voorlopige oplevering van het project.

38\. Com.IB 24/55, eerste lid stelt:

> “Er is verwezenlijking of realisatie bij elke rechtshandeling waarbij één of meer activa de onderneming verlaten en door een tegenwaarde worden vervangen (Gent, 20.6.1961, NV "Tuileries du Sterreberg", Bull. 384, blz. 425). \[…\]”

39\. Rekening houdende met het principe van de primauteit van het boekhoudrecht, en bij gebrek aan afwijkende fiscale regels hieromtrent, stellen de aanvragers dat aangenomen wordt dat ook voor fiscale doeleinden de eigendomsoverdracht en de bijhorende realisatie van de aandelen in casu slechts plaatsvindt bij betaling van de laatste schijf van de aandelenprijs.

40\. De aanvragers stellen dat, in combinatie met CBN Advies 2012/17, voorgaande impliceert dat de meerwaarde op aandelen slechts geacht wordt gerealiseerd te zijn wanneer de aandelen het actief van X verlaten, wat slechts zou gebeuren op datum van de betaling van de laatste schijf door de investeerders.

41\. Gelet op wat voorafgaat kan gesteld worden dat de meerwaarden op de SPV aandelen geacht worden gerealiseerd te zijn op datum waarop de juridische eigendom van de aandelen wordt overgedragen zodat in principe aan de voorwaarden van artikel 192 WIB92 j. artikelen 202 en 203 WIB92 voldaan zijn.

### *II.B. Controlewijziging*

42\. Artikel 207, laatste lid WIB92 stelt:

> “In geval van verwerving of van wijziging tijdens het belastbaar tijdperk van de controle van een vennootschap die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, zijn, noch aftrekbaar van de winst van dat tijdperk, noch van deze van enig later belastbaar tijdperk:
>
> \- in afwijking van artikel 72, de niet-verleende investeringsaftrek wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken welke voorafgaan aan eerstgenoemde tijdperk;
>
> \- in afwijking van artikel 205, § 3, de wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken die voorafgaan aan het eerstgenoemde tijdperk niet-verleende in de artikelen 202 tot 205 bedoelde aftrek;
>
> \- in afwijking van artikel 205/1, § 1, tweede lid, de wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken die voorafgaan aan het eerstgenoemde tijdperk niet-verleende aftrek voor innovatie-inkomsten;
>
> \- in afwijking van artikel 536, de niet-verleende aftrek voor risicokapitaal wegens geen of onvoldoende winst van de belastbare tijdperken welke voorafgaan aan eerstgenoemd tijdperk;
>
> \- in afwijking van artikel 206, de vorige beroepsverliezen.”

43\. Artikel 1:14, §1 en §2, 1° WVV stelt:

> “§1. Onder "controle" over een vennootschap wordt verstaan, de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of zaakvoerders of op de oriëntatie van het beleid.
>
> §2. De controle is in rechte en wordt onweerlegbaar vermoed: 1°wanneer zij voortvloeit uit het bezit van de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen of andere effecten van de betrokken vennootschap;”

44\. De vooropgestelde verrichting bestaat o.a. in de verkoop van ca. #% - #% van de door X aangehouden SPV aandelen. Overeenkomstig de aandeelhoudersovereenkomst zou X, vanaf de juridische eigendomsoverdracht van de SPV aandelen, niet langer de meerderheid van de bestuurders van de SPV kunnen benoemen (zie ook randnummer 13.5 van de beslissing).

45\. Gelet op voorgaande zal er in principe een controlewijziging plaatsvinden in hoofde van de SPV. De aanvragers menen dat de verkoop van de SPV aandelen door X, en de daarmee gepaard gaande controlewijziging, in principe geen aanleiding zou mogen geven tot het tenietgaan van de (eventueel aanwezige) overgedragen fiscale verliezen aangezien de beoogde transactiestructuur verantwoord zou zijn op grond van rechtmatige financiële of economische behoeften.

46\. De aanvragers stellen dat deze controlewijziging niet ingegeven is vanuit fiscale motieven, maar volgt uit het feit dat de structurering van het project via een vennootschap (alsook de navolgende verkoop van de aandelen ervan) ingegeven is door bedrijfseconomische redenen.

47\. Uit de visie die de Stad A zou hanteren in het kader van vergunningen zou blijken dat het in Stad A niet toegelaten zou zijn om dergelijke units individueel op de markt te verkopen.

48\. Op die manier wenst de stad A het beheer van grootschalige units beter te regelen. Door een stukverkoop te verbieden zou een overkoepelend beheer van het project gerealiseerd kunnen worden die de kwaliteit op de lange termijn ten goede komt.

49\. De verkoop van het project aan één investeerder zou volgens de aanvragers niet haalbaar zijn. De aanvragers zijn van mening dat er een beter resultaat bereikt kan worden indien het project te koop wordt aangeboden aan private investeerders in vergelijking met een verkoop aan één institutionele investeerder.

50\. De aanvragers menen dat er met de voorgenomen structuur er geen bezwaar vanuit de stad A zou komen voor de realisatie van het project.

51\. Bovendien stellen de aanvragers dat de private investeerders geen enkele interesse zouden hebben in bepaalde ‘tax assets’ die de SPV (eventueel) zou hebben, en louter geïnteresseerd zijn in het rendement en de inkomsten die zij hopen te verkrijgen uit de investering door middel van interesten, dividenden, verminderingen van eigen vermogen en de waardestijging van de aandelen.

52\. De aanvragers verwachten dat enige fiscale attributen beperkt in omvang zouden zijn aangezien de constructiekosten en kosten van adviseurs/architecten in de regel geactiveerd zouden, waarbij enige fiscale verliezen in de regel louter het gevolg zouden zijn van algemene, niet-project specifieke en administratieve kosten en bijgevolg beperkt zouden zijn.

53\. Daarenboven bevestigen de aanvragers dat de activiteiten van de SPV, na controlewijziging, ongewijzigd verdergezet zouden worden. Het onroerend goed zou op het ogenblik van de eigendomsoverdracht in principe verhuurd zijn en deze activiteit zou na controlewijziging worden voortgezet. De afgesloten contracten voor makelaarsdiensten, rentmeesterschap en beheer zouden eveneens behouden blijven.

54\. De SPV zou geen personeelsleden tewerkstellen.

55\. Gelet op voorgaande kan gesteld worden dat de controlewijziging beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften in de zin van artikel 207, achtste lid, WIB92.

### *II.C. Antimisbruikbepalingen*

56\. De aanvragers wensen de bevestiging te krijgen dat de voorgenomen transacties, zijnde de verkoop van de aandelen waarvan de betaling in schijven zal plaatsvinden, geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 344, §1 WIB92 en artikel 3.17.0.0.2 VCF, inzake de toepassing van respectievelijk artikelen 192 j. 202 en 203 WIB92 en artikelen 2.9.1.0.1 j. 2.9.4.1.1 VCF.

#### II.C.1. Antimisbruikbepaling WIB92

57\. Artikel 344, §1 WIB92 stelt dat:

> “Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
>
> Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
>
> 1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of
>
> 2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
>
> Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen. \[…\].”

58\. Uit de aanvraag blijkt dat de voorgenomen verrichting, met name de aandelentransactie en het aanrekenen van voorschotten op de aandelenprijs voorafgaand aan de (contractueel bepaalde) eigendomsoverdracht, voor wat betreft artikelen 192 WIB92 j. 202 en 203 WIB92, verantwoord is door volgende andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, §1 WIB92:

58.1. Het onderbrengen van vastgoedprojecten in een aparte SPV betreft volgens de aanvragers een courante marktpraktijk.

58.2. Na de aankoop van de grond zal de SPV het project ontwikkelen (waarvoor zij een beroep zal doen op T via een projectmanagementovereenkomst, alsook een externe aannemer) met het oog op de latere verhuring van het onroerend goed aan diverse eindgebruikers. De SPV zou naast het louter aanhouden van vastgoed tevens werkelijke activiteiten hebben, weliswaar alle gefocust op de loutere verhuuractiviteit (die volgens de aanvragers niet geheel zonder risico zouden zijn).

58.3. Het zou in Stad A niet toegestaan zijn om dergelijke units apart te verkopen. Indien er in strijd met het vergunningsbeleid van de stad A toch overgegaan zou worden tot de zogenaamde stukverkoop, dan zou er gewoon geen vergunning afgeleverd worden (minstens zou dit een risico zijn).

Door de stad A zou opgelegd worden – teneinde een omgevingsvergunning te bekomen - dat, enerzijds het geheel aan units door één centrale beheerder wordt beheerd, en anderzijds dat het project een gemengde bestemming heeft waardoor een gedeelte van het gebouw ontwikkeld moet worden als kantoor. Dit was volgens de aanvragers initieel niet de intentie van T, echter uit de gesprekken die plaatsvonden met de stad A in het kader van het vergunningstraject werden deze twee bijkomende voorwaarden naar voren geschoven bovenop de beperking die reeds bestond i.v.m. stukverkoop van dergelijke units.

58.4. Rekening houdende met de bijkomende vereisten van de stad A verkiest T om de eigendom van de units, gegroepeerd in één gebouw, eveneens samen te houden en ook het beheer centraal bij één professionele partij te plaatsen. Het samengaan van dergelijke units zou volgens de aanvragers geen evidentie zijn. Door een mede-eigendomsstructuur te vermijden en te werken met één professionele beheerder kan dit samengaan van functies volgens de aanvragers goed opgevolgd en beheerd worden. T meent dat dit in het belang is voor zowel beide gebruikersgroepen, alsook voor de investeerders.

58.5. De aandelentransactie zou volgens de aanvragers ook vanuit investeerders perspectief juridisch en economisch onderbouwd zijn. De overdracht van aandelen is volgens de aanvragers eenvoudig te organiseren (bij overeenkomst), in tegenstelling tot de overdracht van (een (onverdeeld) aandeel in) een onroerend goed, waarbij iedere investeerder een notariële akte zal moeten ondertekenen. Bovendien wordt er volgens de aanvragers vermeden dat iedere investeerder een aandeel in het onroerend goed (of in de gemeenschappelijke delen) verwerft en er een mede-eigendom ontstaat wat de opmaak van een basisakte vereist. De mede-eigendom maakt het beheer van het onroerend goed complexer. Doordat de SPV enige eigenaar is van het onroerend goed, is er volgens de aanvragers meer flexibiliteit naar het beheer van het onroerend goed dat op het niveau van de vennootschap vrijelijk kan worden ingevuld (en waar er dus bv. geen akkoord nodig is van elke mede-eigenaar inzake bepaalde beslissingen aangaande het onroerend goed). Dit zou des te meer zo zijn nu het eigenaarschap niet verder kan versnipperd worden door bv. schenking of vererving. Ook een eventuele exit zou vergemakkelijkt worden, aangezien er vooraf in de statuten en aandeelhoudersovereenkomst duidelijke afspraken zullen worden gemaakt wanneer en onder welke voorwaarden hetzij de aandelen van de SPV door de aandeelhouders, hetzij het onroerend goed zelf door de SPV kan worden verkocht.

58.6. Het doelpubliek dat X tracht te bereiken zijn investeerders die in roerend vermogen (i.e. aandelen) wensen te investeren, eerder dan in onroerend vermogen (i.e. vastgoed). Het betreft passieve investeerders die niet actief bij het beheer van het vastgoed wensen betrokken te worden. De aanvragers stellen met andere woorden dat de investeerders niet geïnteresseerd zijn in het onroerend goed an sich, maar wel in het rendement dat hun investering oplevert (via dividenden, meerwaarden op aandelen en interesten – die indirect worden gegenereerd in de SPV door de verhuring/uitbating van het onroerend goed). Het beheer van het onroerend goed en de verhuring ervan maakt integraal deel uit van de investering die aangeboden wordt aan de investeerders. In het investeringsmemorandum zou bovendien ook beschreven worden dat het een investering betreft in een vennootschap met een werkelijke vastgoed- en (gedelegeerde) verhuuractiviteit. Vandaar dat een verkoop van de aandelen in de SPV volgens de aanvragers (i) meer strookt met het type investering dat de investeerders wensen te doen, (ii) risicospreiding teweeg brengt en (iii) een hoge mate van complexiteit inzake het beheer en verhuring van de units (gelet op de situatie van mede-eigendom) vermijdt. Ook een toekomstige exit van de investeerders wordt volgens de aanvragers gefaciliteerd, aangezien zij (tussentijds) eenvoudig hun aandelen in de SPV kunnen verkopen en een formalistische verkoop van een deel van het onroerend goed via notariële akte niet tot de mogelijkheden zou behoren in stad A.

Omgekeerd kan volgens de aanvragers bovendien gesteld worden dat het weinig waarschijnlijk is dat passieve (particuliere) investeerders zelf een vennootschap zouden oprichten om vervolgens over te gaan tot de aankoop van de grond en het project te ontwikkelen. Dat vereist volgens de aanvragers namelijk dat de verschillende individuele investeerders (dit kan gaan tot naar schatting een #tal) zich gezamenlijk gaan organiseren, wat in de praktijk weinig gangbaar noch werkbaar zou zijn. Dit zou volgens de aanvragers eerder de praktijk zijn voor zogenaamde ‘actieve’ en professionele investeerders. Vandaar zou het volgens de aanvragers noodzakelijk en aangewezen zijn om reeds van meet af aan een afzonderlijke SPV op te richten waarbinnen het project wordt ontwikkeld en een sterk juridisch kader te voorzien waarin de verschillende (passieve) investeerders kunnen participeren (via aankoop van een pakket aandelen).

58.7. De aanvragers stellen dat er dankzij dit project en transactiestructuur veel belastingopbrengsten voor de Belgische respectievelijk Vlaamse Schatkist gegeneerd zouden worden, dewelke afgewogen zouden moeten worden tegenover enig fiscaal ‘voordeel’. De aanvragers stellen dat de door haar meegedeelde cijfers slechts indicatief zijn en nog kunnen variëren in functie van de uiteindelijke financiële parameters in het licht van de nieuwe vergunningsaanvraag:

A. Fiscale voetafdruk bij opzet van het project. Het project en de structurering daarvan zou tot volgende fiscale ‘kosten’ leiden in de verschillende ‘levensfases’ van het project:

• Aankoop grond – registratierechten:

Bij de aankoop van de grond door de SPV zal toepassing gemaakt worden van het registratierecht aan 12%. Rekening houdende met de geschatte aankoopprijs van c. EUR #, kan het te betalen registratierecht geschat worden op c. EUR #.

• Constructiewerkzaamheden & diensten - BTW:

Voor wat betreft de constructiekosten verwijst de T groep naar een door haar verkregen akkoord van de algemene administratie inzake de toepassing van 6% BTW onder het regime van ‘afbraak en wederopbouw’.

Wat betreft de erelonen en diensten die opgelopen worden voor de realisatie van het project zou er toepassing gemaakt worden van 21% BTW.

Vermits de SPV na voltooiing van het bouwproject de units zal verhuren, zou er een gedeeltelijke beperking gelden op de recuperatie van dergelijke BTW kost. Op basis van de plannen van het oorspronkelijk vergund project, was verwacht dat de recuperatie inzake BTW circa #% zou bedragen. Aldus werd origineel ingeschat dat #% van de opgelopen BTW een definitieve fiscale kost zou zijn voor de SPV. Vermits het project evenwel een vergunning dient te bekomen kan het niet uitgesloten worden dat dit percentage nog kan wijzigen, afhankelijk van enige aanpassingen aan de invulling van het project.

• Diensten – vennootschapsbelasting:

Wat betreft de diensten die aangetrokken worden door de SPV ter realisatie van het project, worden projectmanagementvergoedingen aangerekend. Dit zijn inkomsten die voor de betrokken dienstverlenende vennootschap deel uitmaken van de belastbare basis. Naast de projectmanagement diensten zal de SPV ook een structureringsvergoeding aangerekend krijgen door X, hetgeen voor X ook een belastbaar inkomen vormt, waarbij deze vergoeding ook onderworpen zal zijn aan 21% BTW.

• Vennootschapsbelasting – meerwaarde op aandelen:

Onder de huidige opzet en rekening houdende met de huidige marktprijzen was de inschatting dat er een potentiële meerwaarde gerealiseerd kon worden met het project rond c. EUR # (rekenend met een ‘kosten koper’ verkoopwaarde). Hierop zou X dan in principe een ‘belastingvoordeel’ kunnen realiseren ten belope van c. EUR #, waarbij de aanvragers opmerken dat het ingeschatte rendement enerzijds onder invloed staat van de evoluties in de markt en anderzijds van het verdere verloop van de vergunningsprocedures en de potentieel daaraan gelieerde wijzigingen aan het project.

Wat betreft de marktomstandigheden betreft zouden volgens de aanvragers enkele tendensen onderscheiden kunnen worden, waaronder:

o De toenemende rente waartegen het aanbod van X moet concurreren om aantrekkelijk te zijn voor particuliere investeerders.

o De sterke prijsstijgingen in de bouwmaterialen, die verwacht worden verder het beoogde rendement onder druk te zetten.

Zelfs louter en alleen kijkende naar de fiscaliteit van het project t.e.m. de verkoop van de aandelen in de SPV stellen de aanvragers vast dat de fiscale ‘kosten’ (‘opbrengsten’ voor de respectievelijke overheden, daarbij rekenend met de cijfers van het project zoals voorzien onder de eerst verkregen vergunning) het fiscale ‘voordeel’ in hoofde van X, ruim zou overtreffen.

Bovendien komt het de aanvragers voor dat dit fiscale voordeel, al bij al maar beperkt zou zijn in vergelijking met de overwegingen waarom de transactiestructuur wordt gekozen.

B. Fiscale voetafdruk van het project na oplevering:

• Vennootschapsbelasting:

Uitgaande van een investeringstermijn van #jaar zou de vennootschapsbelasting in hoofde van de SPV geschat kunnen worden op c. EUR # (berekend als 25% op het beoogde resultaat over die periode, met verlies voor belastingen de eerste jaren).

• Roerende voorheffing:

De SPV dient roerende voorheffing in te houden en door te storten voor wat betreft de door haar, aan de investeerders, uitbetaalde dividenden en interesten. Gedurende een investeringsperiode van #jaar verwachten de aanvragers dat de SPV een totaal aan c. EUR #aan interesten zal betalen aan haar investeerders, en een bedrag van c. EUR #aan dividenden zal uitkeren. Rekening houdende met het gegeven dat het doelpubliek van X in de eerste plaats private ‘financiële’ investeerders zijn, impliceren zulke uitkeringen volgens de aanvragers een roerende voorheffing (van 30%), wat zich in absolute cijfers zou laten uitdrukken als een totale ‘kost’ van roerende voorheffing van c. EUR # over de gestelde investeringstermijn.

58.8. De aanvragers stellen nog dat voorgaande cijfers slechts illustratief zijn gelet op het gegeven dat deze werden gebaseerd op de cijfers van het project zoals het voorzien werd gerealiseerd te worden onder de verkregen, maar ondertussen vernietigde, vergunning. Als zodanig zijn bovenstaande cijfers volgens de aanvragers uiteraard slechts indicatief en zouden zij in dit stadium niet als ‘vaststaand’ mogen worden beschouwd, maar zouden wel nuttig zijn om de ‘fiscale voetafdruk’ van het project in kaart te brengen. Het kan daarbij volgens de aanvragers ook niet uitgesloten worden dat deze cijfers zouden wijzigen in functie van het verkrijgen van een nieuwe vergunning. De totale “fee” (excl. BTW) die X zal aanrekenen voor de projectmanagementvergoeding en de structureringsvergoeding bedraagt volgens de aanvragers samengenomen c. #% van de meerwaarde die zou worden gerealiseerd (meerwaarde in vergelijking met de totale kostprijs), waarbij de verschuldigde structureringsvergoeding en projectmanagementvergoeding niet in rekening wordt gebracht als projectkosten van de SPV om de meerwaarde te berekenen.

58.9. Het aanrekenen van voorschotten op de aandelenprijs is volgens de aanvragers slechts een modaliteit van betaling van de prijs en zou geen afbreuk mogen doen aan de zakelijke overwegingen. Naast bijkomende financiering geeft het aanrekenen van voorschotten comfort aan X dat de investeerders de aandelen ook effectief zullen verwerven. Dergelijke vroegtijdige commitment (i.e. tijdens het ontwikkelingsproces) zou volgens de aanvragers op vandaag gangbare praktijk zijn in de vastgoedmarkt in het kader van transacties met institutionele investeerders. Dit zou het gevolg zijn van het feit dat de sector gekenmerkt wordt door een verkopersmarkt gezien de relatieve schaarste aan ‘goede’ projecten en de hoge vraag van investeerders naar verschillende types van kwalitatieve vastgoedbeleggingen. In vele gevallen zouden institutionele investeerders bereid zijn om een voorschot te betalen op de aankoopprijs van de aandelen (die wordt vastgesteld in functie van de onderliggende vastgoedwaarde en yield die men bereid is te betalen op de toekomstige, geschatte huurinkomsten) ten einde hun deelname in het project te verzekeren, ook wanneer zij slechts enig rendement kunnen verwachten een hele tijd later bij overdracht van het project of de vennootschap (indien deze opgeleverd is). In die zin is de vooropgestelde werkwijze volgens de aanvragers in casu dus niet bijzonder of afwijkend in vergelijking met andere transacties op vandaag in de markt met het verschil X beoogt om het project aan te bieden aan private investeerders in plaats van institutionele investeerders (gelet op het betere resultaat dat hierdoor gerealiseerd kan worden).

58.10. Er kan volgens de aanvragers moeilijk voorbijgegaan worden aan de duidelijke, en zwaarwichtige motieven onderliggend aan de opzet (verkoop aan een bepaald type investeerder en creatie van een beleggingsproduct) en de praktische aspecten verbonden aan de uitvoering van het project. T zou immers de visie van de stad A dienen na te leven, voorwaarden die door de Stad A afgedwongen zouden worden. Rekening houdende hiermee begrijpen de aanvragers moeilijk hoe de beoogde opzet aangeduid zou kunnen worden als een ‘misbruik-situatie’, om de enkele reden dat er sprake is van een belastingvrije meerwaarde op aandelen, dewelke volgens de aanvragers al bij al een relatief beperkt belastingvoordeel zou genereren.

Het komt de aanvragers voor dat dit relatief beperkte fiscale voordeel niet zou opwegen tegen de lijst van niet fiscale motieven waarom dit project zo wordt gestructureerd.

De aanvragers verwijzen in dit kader tevens naar een arrest van het HvB van Gent van 6 december 2022, waarin het Hof zich uitspreekt over een beslissing van Vlabel. Daarin wordt volgens de aanvragers bevestigd dat de enkele vaststelling dat er een ‘fiscaal voordeel’ is, onvoldoende zou zijn om tot toepassing van de anti – misbruikbepaling te besluiten (inzake de VCF, maar de principes terzake zijn volgens de aanvragers dezelfde als voor het WIB92). De aanvragers hebben in casu een lijst van redenen waarom de transactie gestructureerd wordt zoals voorgelegd (als share deal), die toch zwaarwichtig zouden zijn en zouden moeten opwegen tegen het vermeende fiscale voordeel.

De aanvragers zijn van mening dat aangetoond is dat er, alles samengenomen, helemaal geen fiscaal voordeel zou zijn. Er moet volgens de aanvragers op gewezen worden dat de SPV, samen met de investeerders, onderworpen zouden zijn aan een veel groter bedrag aan belastingen en bijgevolg recurrente belastinginkomsten zullen genereren voor de Vlaamse en Belgische schatkist(en), op niveau van de SPV en de investeerders samen genomen.

58.11. De aanvragers stellen nog dat de juridische eigendomsoverdracht van de aandelen, en zodoende ook de risico’s inherent daaraan, plaatsvindt bij voorlopige oplevering van het project. Vooraf aan deze datum blijft X eigenaar van de aandelen en draagt zij in dit verband, als aandeelhouder, alle relevante risico’s. Dit zou ook weerspiegeld worden door het gegeven dat X de investeerders een zekerheid zou bieden inzake een terugbetaling van hun gelden indien het project binnen de SPV alsnog niet gerealiseerd zou (kunnen) worden. Het gegeven dat de eigendomsoverdracht van de aandelen zou plaatsvinden bij voorlopige oplevering, en niet op het moment dat de koop-verkoop overeenkomst wordt gesloten voor de aandelen van SPV, sluit volgens de aanvragers hierdoor aan bij de economische realiteit van het project.

#### II.C.2. Antimisbruikbepaling VCF

59\. Op dd/mm/yyyy ontving de DVB het bindend advies van Vlabel. Dit advies luidt letterlijk als volgt:

> “Gelet op artikel 3.22.0.0.2 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot volgend bindend advies:
>
> 8\. Het besluitvormingsorgaan kan zich enkel uitspreken over de situaties of verrichtingen die onder haar bevoegdheid vallen.
>
> 9\. Er moet worden onderzocht of op de hoger beschreven verrichting(en) de artikelen 2.9.1.0.1 j. 2.9.4.1.1. VCF van toepassing zijn en aldus de overdracht van de aandelen aan het verkooprecht zijn onderworpen en getaxeerd moeten worden aan het tarief van 12% ingevolge de toepassing van de anti-misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF.
>
> 10\. De voorgenomen verrichtingen zijn voldoende bedrijfseconomisch gemotiveerd zodat deze op zich niet geviseerd worden door art. 3.17.0.0.2 VCF.
>
> Het besluit dat de voorgenomen verrichtingen niet geviseerd worden door artikel 3.17.0.0.2 VCF, blijft slechts gelden voor zover de aandelen van SPV niet binnen een korte termijn worden overgedragen aan één of meerdere derde partijen.
>
> 11\. Deze beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvragers werden vermeld. De Vlaamse Belastingdienst doet enkel uitspraak over de fiscale aspecten met betrekking tot de Vlaamse registratiebelasting. Zij spreekt zich niet uit over de vennootschapsrechtelijke en boekhoudkundige aspecten van de hoger beschreven verrichtingen.
>
> Behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt, en hiervoor wordt bevestigd, wordt de beslissing op basis van dit bindend advies getroffen voor een termijn van vijf jaar. Het is raadzaam om in de vooropgestelde notariële akte(n) het nummer van het bindend advies te vermelden bij de fiscale verklaringen.
>
> De voorafgaande beslissing bindt de Vlaamse Belastingdienst voor de toekomst behalve:
>
> \- als de voorwaarden waaraan de voorafgaande beslissing onderworpen is, niet vervuld zijn;
>
> \- als blijkt dat de situatie of de verrichtingen door de aanvrager onvolledig of onjuist omschreven zijn, of als essentiële elementen van de verrichtingen niet verwezenlijkt zijn op de wijze die de aanvrager omschreven heeft;
>
> \- in geval van wijziging van bepalingen van de verdragen, van het gemeenschapsrecht of van het interne recht die van toepassing zijn op de door de voorafgaande beslissing beoogde situatie of verrichting;
>
> \- als blijkt dat de voorafgaande beslissing niet in overeenstemming is met de bepalingen van de verdragen, van het gemeenschapsrecht of van het interne recht;
>
> \- als de voornaamste gevolgen van de situatie of de verrichtingen gewijzigd zijn door toedoen van de aanvrager; in dat geval heeft de intrekking van de voorafgaande beslissing uitwerking vanaf de dag van de aan de aanvrager ten laste gelegde feiten.”

### *II.D. BTW*

60\. Opdat een verkoop van aandelen onder het toepassingsgebied van de btw valt, moet voorafgaand worden nagegaan of de verkoop een belastbare handeling uitmaakt, om vervolgens na te gaan in welke mate die eventueel vrijgesteld kan worden van btw overeenkomstig art. 44, § 3, 10° Wbtw.

61\. Enkel handelingen gesteld door een btw-plichtige in het kader van zijn economische activiteit kunnen zich binnen het toepassingsgebied van de btw vallen.

62\. Derhalve dat vooreerst onderzocht wordt of de verkoper de hoedanigheid heeft van btw-belastingplichtige als bedoeld in artikel 2 en 4 Wbtw.

63\. Op basis van de voorgelegde informatie dient vastgesteld dat betrokkene naast het aanhouden van participaties in andere vennootschappen, ook instaat voor de financiering van andere projecten en in dit kader interestinkomsten ontvangt die weliswaar bij toepassing van artikel 44, § 3, 5° Wbtw vrijgesteld zijn van btw. In het licht van deze reeds bestaande handelingen, heeft betrokkene de hoedanigheid van (vrijgestelde) btw-belastingplichtige.

64\. Volgens vaste rechtspraak zijn de enkele aankoop, het enkele bezit en de enkele verkoop van aandelen op zich geen economische activiteiten in de zin van de richtlijn. Deze handelingen zijn namelijk geen exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, omdat de enige opbrengst ervan voortspruit uit eventuele winst bij de verkoop van deze aandelen.

65\. Daarentegen vallen handelingen inzake aandelen of deelnemingen in een vennootschap blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie wel binnen de werkingssfeer van de btw wanneer zij worden verricht in het kader van een bedrijfsmatig handelen in effecten dan wel met het oog op een directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschappen waarin wordt deelgenomen, of wanneer zij het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare activiteit vormen.

66\. Gezien betrokkene de hoedanigheid heeft van btw-belastingplichtige in het kader van financieringsactiviteiten, zij bovendien financieringen zal verstrekken en zelf een participatie zal blijven aanhouden, dient geconcludeerd te worden dat zij – in het kader van de beoogde verkopen van de aandelen eveneens optreedt in de hoedanigheid van btw-belastingplichtige.

67\. Gegeven het feit dat de overdracht van aandelen als een belastbare handeling aangemerkt wordt, dient deze verder gespecifieerd met het oog op het bepalen van de plaats van de handeling om – voorzover deze geacht wordt in België plaats te vinden – de toepasselijkheid van een btw-vrijstelling te onderzoeken.

68\. [Artikel 44, §3, 10° WBTW](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) stelt:

> “§ 3.Van de belasting zijn nog vrijgesteld:
>
> (…)
>
> 10° handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitsluiting van documenten die goederen vertegenwoordigen”.

69\. Gelet op de voorgaande analyse dient vastgesteld te worden dat de verkoop van de aandelen aan in België gevestigde btw-plichtigen als beoogd door artikel 21 Wbtw als bij verkoop aan door artikel 21 bis §1 beoogde niet belastingplichtigen, geacht worden in België plaats te vinden - onder de toepassing vallen van de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 3, 10° Wbtw.

### *II.E. Interesten op aandeelhoudersleningen*

#### II.E.1. Fiscaal aftrekbare beroepskost

70\. Artikel 49 WIB92 stelt:

> “Als beroepskosten zijn aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
>
> Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.”

71\. Artikel 55, eerste lid WIB92 stelt:

> “Interesten van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen worden slechts als beroepskosten aangemerkt in zover ze niet hoger zijn dan een bedrag dat overeenstemt met:
>
> \[…\]
>
> 2° voor andere dan in 1° bedoelde interesten: de overeenkomstig de marktrente geldende rentevoet, rekening houdende met de bijzondere gegevens eigen aan de beoordeling van het aan de verrichting verbonden risico en inzonderheid met de financiële toestand van de schuldenaar en met de looptijd van de lening”

72\. Het project zal in eerste instantie gefinancierd worden door eigen inbreng, een aandeelhouderslening van X en middels bankfinanciering (zowel voor wat betreft de aankoop van de grond en het af te breken gebouw, als voor de hard costs en soft costs verbonden aan de ontwikkeling van het project). Het is verder de intentie om de bankfinanciering stelselmatig af te lossen, en dit via de voorschotten van de investeerders op de aandeelhoudersleningen. Tegen de oplevering van het project zou de SPV aldus volledig gefinancierd worden met eigen inbreng en aandeelhoudersleningen van X en de toetredende investeerders.

73\. Op de door X verstrekte aandeelhouderslening (zowel ter financiering van de aankoop van de grond als tijdens de ontwikkeling van het project) zou een jaarlijkse interest van ca. #% verschuldigd zijn. Voor de periode voorafgaand de juridische eigendomsoverdracht van de aandelen zouden de investeerders op hun toegekende aandeelhoudersleningen een interest van ca. #% verkrijgen. Deze periode zou volgens de aanvragers niet meetellen voor de looptijd van de (aandeelhouders)lening, rekening houdende met het gegeven dat de duurtijd van deze periode inherent onzeker is en steeds afhankelijk van het verloop van de constructiewerkzaamheden.

74\. Het verschil tussen de interestpercentages vooraf aan de eigendomsoverdracht van de aandelen (ca. #% in vergelijking met ca. #%) is volgens de aanvragers het gevolg aan de additionele risico’s eigen aan het opstarten en ontwikkelen van een bouwproject (X draagt alle risico’s en kosten voor de voltooiing van het project) en het feit dat X de investeerders de zekerheid biedt omtrent de succesvolle realisatie van het project (dan wel dat de betaalde voorschotten terugbetaald zouden worden).

75\. Aangezien X zelf een participatie van maximaal #% - #% in de SPV beoogt te behouden na plaatsing bij de investeerders, zal zij een (nieuwe) aandeelhouderslening verschaffen aan de SPV (à rato van haar deelname in de SPV).

76\. Na de oplevering van het project zouden de aandeelhouders, vermoedelijk, aan #% vergoed worden. Wanneer X instapt als aandeelhouder-investeerder zal dit percentage in lijn worden gebracht met de interest die geldt voor de aandeelhoudersleningen verstrekt door de investeerders, en die naar verwachting ca. #% zou bedragen.

77\. Eens het project gefinaliseerd is wordt de eerste lening van X afgelost door een nieuwe lening verstrekt door X (in haar hoedanigheid als investeerder).

78\. De aanvragers stellen dat de precieze percentages bepaald zou worden naar aanleiding van een transfer pricing benchmark oefening.

79\. De aanvragers menen dat de vooropgestelde interestpercentages voor de aandeelhoudersleningen marktconform zijn rekening houdend met het feit dat:

79.1. de gehanteerde interestvoet finaal bevestigd zou worden middels een benchmark studie (die lopende is), waarna de aanvragers de resultaten zou overmaken aan de Dienst Voorafgaande Beslissingen;

79.2. de lening achtergesteld zou zijn ten opzichte van bankfinanciering tijdens de ontwikkelingsfase. De SPV zou, na plaatsing, door een veelheid van investeerders worden aangehouden waarbij geen van deze investeerders (behoudens X in de beginfase) naar verwachting een controle zou hebben over deze SPV en waarbij de investeerders voorafgaandelijk akkoord gaan met de aanrekening van #% interest op de aandeelhouderslening.

80\. De aanvragers menen dat dit op zich reeds de marktconformiteit van de interestvoet zou moeten kunnen bevestigen.

81\. Vermits de financiering die door de SPV wordt aangegaan bij X en de investeerders, en dit teneinde het project te realiseren en te verhuren, wordt aangegaan met het oog op verkrijgen of behouden van belastbare inkomsten, en de interest op de financiering volgens de aanvragers marktconform zou zijn, kan gesteld worden dat deze interesten in hoofde van de SPV in de regel als aftrekbare beroepskosten kunnen worden beschouwd.

82\. De aanvragers stellen evenwel dat zulke fiscale aftrekbaarheid in ieder geval binnen de grenzen van artikel 198/1 WIB92 beoordeeld zal moeten worden en dat de interestvoet, rekening houdende met de bepalingen van artikel 55, eerste lid, 2° WIB92, marktconform bepaald zou worden.

### *II.F. Geen abnormaal of goedgunstig voordeel*

83\. Artikel 206/3, §1, eerste gedachtestreepje WIB92 stelt:

> “§1 Van het resultaat dat overeenkomstig artikel 206/2 is vastgesteld, worden de bestanddelen afgetrokken waarop geen van de in de artikelen 199 tot 206, 536 en 543 bepaalde aftrekken, noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk, mag worden verricht:
>
> het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen bedoeld in artikel 79; \[…\].”

84\. Artikel 79 WIB92 stelt:

> “beroepsverliezen worden niet afgetrokken van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt”.

85\. Artikel 26, eerste lid WIB92 stelt:

> “Wanneer een in België gevestigde onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, worden die voordelen, onverminderd de toepassing van artikel 49 en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54, bij haar eigen winst gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger.”

86\. Aan de grondslag van het begrip “voordeel” ligt enerzijds een verrijking van de verkrijger en anderzijds, wat de verstrekker van het voordeel betreft, geen effectieve vergoeding evenwaardig aan het verstrekte voordeel (zie inzonderheid het arrest van het [Hof van Beroep te Antwerpen van 13.05.1991](https://juriel.be/fr/jurisprudence/isoc-resultat-fiscal-avantage-anormal-cour-appel-anvers-1991-05-13-f72f) en het nummer 26/16 Comm.IB).

87\. Als “abnormaal” moet worden beschouwd, hetgeen in strijd is met de normale gang van zaken, met de gevestigde regels of gebruiken (zie inzonderheid het arrest van 13.05.1991 en het nummer 26/16, Comm.IB92).

88\. Als “goedgunstige voordelen” moet worden beschouwd, voordelen die worden verleend zonder dat zij de uitvoering van een verbintenis zijn of die worden verleend zonder enige tegenprestatie (zie inzonderheid het arrest van het Hof van Cassatie van 31.10.1979 en het voormeld nummer 26/16, Comm.IB92).

89\. De aan te rekenen interest betreft met name de tegenprestatie van de SPV voor de financiering verstrekt door X en de investeerders.

90\. De aanvragers menen dat gelet op het marktconform karakter van de interest (waarover de Dienst Voorafgaande Beslissingen evenwel geen uitspraak doet), er geen sprake kan zijn van enige toegekende of verkregen abnormale en / of goedgunstige voordelen in hoofde van de SPV, X of de investeerders.

### *II.G. Betaalde structureringsvergoeding*

91\. De aanvragers stellen dat deze structureringsvergoeding, zoals omschreven onder randnummers 21-22, in beginsel boekhoudkundig als een kost zal worden verwerkt in de resultatenrekening van de SPV (en vice versa als een omzet bij X). Het lijkt de aanvragers dat deze kost niet geactiveerd dient te worden vermits het geen directe aanschafkost vormt m.b.t. het onroerend goed zelf.

#### II.G.1. Fiscaal aftrekbare beroepskost

92\. De prestaties / verbintenissen vanwege X in het kader van de structureringsvergoeding zullen het voor de SPV mogelijk maken om de benodigde financiering op te halen, daarbij de constructiewerkzaamheden te kunnen ondernemen, en uiteindelijk de site kunnen verhuren, om aldus een bepaalde winst / rendement te realiseren.

93\. De SPV zou op basis van de gemaakte afspraken verplicht zijn een structureringsvergoeding te betalen aan X, en dit in het jaar dat deze contractueel wordt vastgelegd en de bijhorende financiering effectief wordt opgehaald. De betaling van de vergoeding / boeking als kost zal volgens de aanvragers aldus samenvallen met het moment waarop deze een zeker en vaststaand karakter heeft verkregen, en zal als dusdanig worden geboekt.

94\. Deze kost houdt volgens de aanvragers verband met de (maatschappelijke) activiteit van de SPV die erin bestaat om een vastgoedproject te realiseren, aan te houden en uit te baten. De betaalde vergoedingen zouden het voor de SPV mogelijk maken om deze doelstelling te realiseren. Door de ondersteuning van X kan de SPV het project ontwikkelen waar de vennootschap bovendien (toekomstige) inkomsten uit zal halen.

95\. De echtheid en het bedrag van de kost (zijnde de betaalde vergoeding) zullen door de aanvragers worden verantwoord op basis van bewijsstukken. X zal een factuur uitreiken aan de SPV waarin de vergoeding zal worden aangerekend.

96\. De aanvragers merken nog op dat de betalingen die door de SPV worden gedaan aan X in hoofde van deze laatste evenzeer gewone belastbare inkomsten zullen vormen die in haar hoofde niet van enig bijzonder vrijstellingsregime kunnen genieten (vermits X een gewone Belgische vennootschap is).

97\. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de te betalen vergoeding van de SPV aan X in hoofde van de SPV een fiscaal aftrekbaar beroepskost vormt in de zin van artikel 49 WIB92.

#### II.G.2. Marktconform karakter

98\. De aanvragers zijn van mening dat, rekening houdend met de omschrijving van abnormale of goedgunstige voordelen en met een door de aanvragers gemaakte studie, dat de door X verkregen structureringsvergoeding overeenstemt met een vergoeding die geldt tussen onafhankelijke ondernemingen (arm's length principe), zodat de vergoeding geen abnormaal of goedgunstig voordeel uitmaakt. De aanvragers stellen dat de analyse van de arm's length vergoeding voor de geleverde factoringdiensten werd uitgevoerd volgens de CUP methode.

99\. De methode van de vergelijkbare vrijemarktprijs (Comparable Uncontrolled Price – hierna “CUP”) legt de klemtoon op de kenmerken van een goed of een dienst. Hoe meer soortgelijke kenmerken een product of dienst heeft, hoe meer zijn prijs vergelijkbaar is en hoe minder het noodzakelijk is om correcties toe te passen om deze prijs vergelijkbaar te maken. De CUP methode vergelijkt de prijs van een gecontroleerde transactie met de prijs van een transactie, uitgevoerd onder vergelijkbare omstandigheden, tussen een verbonden vennootschap en een onafhankelijke vennootschap ('intern' vergelijkingspunt) of tussen twee onafhankelijke vennootschappen ('extern' vergelijkingspunt).

100\. De aanvragers stellen dat de analyse van de arm's length vergoeding voor de geleverde diensten uitgevoerd werd op basis van een interne en externe CUP:

• Interne CUP: in eerste instantie werd er een analyse gemaakt van de vergoeding (zijnde een percentage van het totale bedrag aan de beleggers opgehaalde middelen) die # fondsen, opgericht in de schoot van de T groep maar volgens de aanvragers wel degelijk te beschouwen als externe partijen, vergoed hebben voor de begeleiding bij de plaatsing van het fonds;

• Externe CUP: bijkomend werd er een analyse gemaakt van de vergoeding (zijnde een percentage van het totale bedrag aan de bij de beleggers opgehaalde middelen) zoals bedongen door allerhande GVV’s respectievelijk fondsen (in totaal # CUP’s) met begeleidende financiële instellingen, in het kader van equity placements.

101\. Op basis van die vergelijkingspunten kan volgens de aanvragers worden afgeleid dat een vergoeding voor vergelijkbare diensten zich typisch situeert tussen # en 2 # van de opgehaalde middelen. Rekening houdend met het feit dat bovenstaande vergelijkingspunten rekening houden met hogere opgehaalde bedragen dan in casu, is het volgens de aanvragers redelijk aan te nemen dat een vergoeding gelijk aan #% van het totale bedrag aan bij de beleggers opgehaalde middelen zou moeten voldoen aan de arm's length voorwaarde.

102\. De aanvragers stellen nog dat dit percentage (licht) hoger is dan wat men in de markt typisch zou zien wat de begeleidende banken aanrekenen bij equity plaatsingen (volgens de aanvragers typisch # à #%), maar het iets hogere percentage zou volgens de aanvragers in casu verantwoord zijn gezien het opgehaald bedrag kleiner is dan wat men gebruikelijk ophaalt bij equity plaatsingen.

103\. De studie toont volgens de aanvragers aan dat het volledig normaal is om voor deze diensten een vergoeding aan te rekenen in het kader van de plaatsing van een fonds / equity bij een veelheid aan beleggers.

## Textes cités

1

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 2 occurrences
