---
title: "Décision anticipée 2021.0307 · Impôt des revenus, Revenu mobilier"
description: "Impôt des revenus, Revenu mobilier, Droits d’auteurs, Frais professionnels, Mesure anti-abus. Décision anticipée belge n° 2021.0307 du 1er juin 2021."
url: "https://juriel.be/fr/rulings/2021-0307-impot-revenus-revenu-mobilier-droits-3f4c"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Impôt des revenus, Revenu mobilier, Droits d’auteurs, Frais professionnels · Impôt des revenus - Revenu mobilier - Droits d’auteurs - Frais professionnels - Mesure anti-abus - TVA - Cession ou concession de droits d’auteurs - Faculté de se faire identifier à la TVA pour gérants-personnes physiques ou administrateurs-personnes physiques

**Numéro**

2021.0307

**Date**

1er juin 2021

## Sur le document

**Collection**

Décisions anticipées

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

108 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2021.0307 du 01.06.2021

*Impôt des revenus* · *Revenu mobilier* · *Droits d’auteurs* · *Frais professionnels* · *Mesure anti-abus*

*TVA* · *Cession ou concession de droits d’auteurs - Faculté de se faire identifier à la TVA pour gérants-personnes physiques ou administrateurs-personnes physiques*

## Résumé

L’indemnité, sous la forme d’un pourcentage de l’enveloppe financière octroyée au dirigeant d’entreprise en plus de la rémunération brute du dirigeant d’entreprise que la société souhaite octroyer au dirigeant d’entreprise qui développe des œuvres protégées dans le cadre du contrat conclu avec la société et qui en cède contractuellement les droits d’auteur à la société, peut être qualifiée de revenu mobilier au sens de l’article 17, § 1er, 5°, du CIR92.

Le dirigeant (administrateur-personne physique) qui, en plus de son mandat statutaire, cède ses droits d’auteur à sa société et lui facture une indemnité à ce titre, n’est pas tenu de s’identifier aux fins de la TVA pour la cession ou la concession de ses droits d’auteur à cette société.

***La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.***

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. De aanvraag strekt ertoe een voorafgaande beslissing te bekomen waarin wordt bevestigd dat:

1.1. de vergoeding die door vennootschap X aan de heer Y zal worden toegekend als vergoeding voor de overdracht van auteursrechtelijk beschermde werken, als een roerend inkomen in de zin van artikel 17, § 1, 5° WIB 92 kwalificeert;

1.2. het forfaitaire percentage voor de vaststelling van de waarde van de overdracht bepaald op basis van een analyse van de taken en creativiteit van de heer Y, als marktconform kan worden aangemerkt. Dit percentage werd vastgesteld op 15% van de financiële enveloppe toegekend door vennootschap X aan de heer Y;

1.3. de voormelde vergoeding een aftrekbare beroepskost uitmaakt ten name van vennootschap X overeenkomstig de toepassing van artikel 49 WIB 92;

1.4. de overeenkomst inzake de overdracht van auteursrechten gesloten tussen vennootschap X en de heer Y geen misbruik maakt in de zin van artikel 344, § 1 WIB 92;

1.5. de heer Y, enige bestuurder van vennootschap X, in de hierna omschreven omstandigheden niet verplicht is om zich te laten identificeren voor de btw voor de cessie of concessie van de betreffende auteursrechten aan vennootschap X waarvoor hem de hiervoor bedoelde vergoeding wordt betaald.

## II. Beschrijving van de verrichting

2\. Vennootschap X is een onderneming actief in de informaticasector. Haar activiteiten bestaan uit het opstellen van rapporten en formulieren, het opbouwen van interfaces tussen verschillende systemen, de aanpassingen aan bestaande applicaties en het maken van nieuwe applicaties. Vennootschap X wenst haar bedrijfsleider, de heer Y, een vergoeding toe te kennen voor de overdracht van auteursrechten, vastgesteld op 15,00% van de financiële enveloppe van de heer Y.

## III. Beslissing

### *III.A. Algemeen*

3\. Overeenkomstig artikel 17, § 1, 5° WIB 92 zijn inkomsten uit roerende goederen en kapitalen alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk de inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties, bedoeld in boek XI van het Wetboek van economisch recht (hierna: “WER”) of in overeenkomstige bepalingen in het buitenlands recht.

4\. Overeenkomstig artikel 37, eerste lid WIB 92 worden, onverminderd de toepassing van de voorheffingen, inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt, wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van die inkomsten.

5\. Overeenkomstig artikel 37, tweede lid WIB 92 behouden, in afwijking van het eerste lid van hetzelfde artikel, de inkomsten bedoeld in artikel 17, §1, 5° WIB 92, hun hoedanigheid van roerende inkomsten, behalve indien en in zover zij hoger liggen dan 37.500 EUR (niet geïndexeerd).

6\. Overeenkomstig nummer 5 van de administratieve circulaire Ci.RH.231/631.675 van 4 september 2014 heeft de Minister van Financiën op praktisch vlak verklaard dat er een beredenering in twee fases nodig is om te bepalen of de inkomsten die aan een auteur of kunstenaar worden toegekend door voormelde wet van 16 juli 2008 worden bedoeld:

\- is het werk waarmee hij inkomsten kon behalen een beschermd werk, d.w.z. een werk zoals bedoeld door de wet van 30.06.1994;

\- vloeien deze inkomsten voort uit een cessie of concessie van zijn geldelijke rechten op het werk?

7\. Overeenkomstig nummer 7 van voormelde administratieve circulaire moeten op het algemene vlak, om te beoordelen of de bepalingen van artikel 17, §1, 5° WIB 92, van toepassing zijn, vooraf de volgende elementen worden onderzocht:

\- heeft de geleverde prestatie aanleiding gegeven tot de productie van een "werk van letterkunde of kunst"?

\- zo ja, hebben de auteursrechten met betrekking tot dat werk het voorwerp uitgemaakt van een cessie of een concessie aan een derde ingevolge een (schriftelijk) contract?

\- tenslotte, wordt de vergoeding voor de voormelde cessie of de concessie van auteursrechten duidelijk gespecificeerd in het contract?

8\. Vennootschap X is actief als softwareontwikkelaar.

9\. Vennootschap X stelt geen werknemers te werk en doet geen beroep op onderaannemers.

10\. De vennootschap wil haar bedrijfsleider vergoeden onder vorm van een percentage van de door vennootschap X aan de heer Y toegekende financiële enveloppe.

11\. De creatieve bijdrage van de bedrijfsleider is cruciaal voor de uitoefening van de activiteiten van de vennootschap.

### *III.B. Beschermd werk*

12\. Overeenkomstig artikel XI.172, § 1, WER wordt onder werken van letterkunde verstaan de geschriften van welke aard ook, alsmede lessen, voordrachten, redevoeringen, preken of andere mondelinge uitingen van de gedachte. Redevoeringen uitgesproken in vergaderingen van vertegenwoordigende lichamen, in openbare terechtzittingen van rechtscolleges of in politieke bijeenkomsten mogen evenwel vrijelijk worden gereproduceerd en aan het publiek medegedeeld; alleen de auteur heeft echter het recht om ze afzonderlijk uit te geven.

13\. Overeenkomstig artikel 2.1. van de Conventie van Bern van 9 september 1886 voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken, omvat de uitdrukking “letterkundige en kunstwerken” alle voortbrengselen op het gebied der letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukken zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en nadere werken van die aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken, choreografische werken en pantomimes, waarvan de wijze van opvoering in schrift of op andere wijze is nedergelegd; muzikale composities met of zonder woorden; cinematographische werken en werken verkregen door een met de cinematographie overeenstemmend procédé; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithographeerkunst; photographische werken en werken verkregen door een met de photographie overeenstemmend procédé; werken van toegepaste kunsten; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken met betrekking tot de aardrijkskunde, de topographie, de bouwkunde of de wetenschappen.

14\. Overeenkomstig artikel XI.165, § 1, eerste lid, WER heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren.

15\. Overeenkomstig het tweede lid van hetzelfde artikel omvat dat recht onder meer het exclusieve recht om toestemming te geven tot het bewerken of het vertalen van het werk.

16\. Overeenkomstig het vijfde lid van hetzelfde artikel heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht de distributie van het origineel van het werk of van kopieën ervan aan het publiek, door verkoop of anderszins, toe te staan.

17\. Overeenkomstig artikel XI.167, § 1, tweede tot en met vierde lid, WER, worden ten aanzien van de auteur alle contracten schriftelijk bewezen. De contractuele bedingen met betrekking tot het auteursrecht en de exploitatiewijzen ervan moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De overdracht van het voorwerp dat een werk omvat, leidt niet tot het recht om het werk te exploiteren; met het oog op de uitoefening van zijn vermogensrechten moet de auteur op een redelijke manier toegang tot zijn werk behouden. Voor elke exploitatiewijze moeten de vergoeding voor de auteur, de reikwijdte en de duur van de overdracht uitdrukkelijk worden bepaald.

18\. Overeenkomstig artikel XI.170, eerste lid, WER is de oorspronkelijke auteursrechthebbende de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd.

19\. Overeenkomstig artikel XI.294, WER worden, overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s, computerprogramma’s beschermd en gelijkgesteld met werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst.

20\. Overeenkomstig artikel XI.295, eerste lid, WER geniet een computerprogramma bescherming indien het oorspronkelijk is in die zin, dat het een eigen intellectuele schepping van de auteur is.

21\. Overeenkomstig artikel XI.298, WER omvatten, onverminderd de artikelen 299 en 300 van die wet, de vermogensrechten:

a) de permanente of tijdelijke reproductie van een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma deze reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist;

b) het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma, en de reproductie van het resultaat daarvan, onverminderd de rechten van degene die het programma verandert;

c) elke vorm van distributie, met inbegrip van het verhuren en uitlenen, van een oorspronkelijk computerprogramma of kopieën daarvan onder het publiek. De eerste verkoop in de Europese Unie van een kopie van een programma door de rechthebbende of met diens toestemming leidt tot uitputting van het recht om controle uit te oefenen op de distributie van die kopie in de Europese Unie, met uitzondering van het recht om controle uit te oefenen op het verder verhuren en het uitlenen van het programma of een kopie daarvan.

22\. De Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (BS 27.7.1994 - 91/250/EG, publicatieblad L122 van 17.05.1991) bepaalt in haar consideransen dat de term “computerprogramma” alle programma’s moet omvatten in gelijk welke vorm, met inbegrip van programma’s die in de apparatuur zijn ingebouwd; deze term moet eveneens het desbetreffende voorbereidende ontwerp-materiaal omvatten dat tot het vervaardigen van een programma leidt, op voorwaarde dat dit voorbereidende materiaal van dien aard is dat het later tot zulk een programma kan leiden.

22.1. Voormelde richtlijn bepaalt verder nog wat onder “interfaces” en “compatibiliteit” moet worden verstaan:

22.2. “Overwegende dat een computerprogramma de communicatie en wisselwerking met andere componenten van een computersysteem en met gebruikers ervan moet verzorgen en dat hiervoor een logische en, waar nodig, fysieke koppeling en interactie is vereist, waardoor tussen alle elementen van de programmatuur en apparatuur in alle door deze te vervullen functies, enerzijds, en ander programmatuur en apparatuur, alsmede de gebruikers, anderzijds, een passende wisselwerking mogelijk is;

22.3. Overwegende dat de onderdelen van het programma die koppeling en interactie tussen componenten van een systeem verzekeren, algemeen met de term “interfaces” worden aangeduid;

22.4. Overwegende dat die functionele koppeling en interactie algemeen met de term “compatibiliteit” kan worden omschreven als het vermogen om informatie uit te wisselen en om deze uitgewisselde informatie onderling te gebruiken”.

23\. In het antwoord op de parlementaire vraag nr. 5-1265 gesteld door senator Wouter Beke op 9 februari 2011 stelt de heer Minister van Financiën onder meer “dat de computerprogramma’s niet uitgesloten worden van het toepassingsgebied van de (eerste) wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, hoewel ze bovendien het voorwerp zijn van een bijzondere wetgeving. (…) De inkomsten uitsluiten van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB 92 (met als motivering dat de wet van 30 juni 1994 betreffende de computerprogramma’s daarin niet uitdrukkelijk is vermeld) is onrechtvaardig en overigens discriminerend”.

24\. Gelet op wat voorafgaat kan gesteld worden dat de werken, gecreëerd door de bedrijfsleider van vennootschap X, kunnen worden aangemerkt als auteursrechtelijk beschermd werk. De werken kunnen worden aangemerkt als werken van letterkunde of kunst die vallen onder de bescherming van Boek XI, Titel 5 en 6 van het Wetboek van Economisch Recht.

### *III.C. Inkomsten uit de cessie of concessie van het werk*

25\. Overeenkomstig het bericht aan de schuldenaars van auteursrechten en naburige rechten in de loop van het jaar 2008 (B.S. 9.12.2008, err. 18.12.2008) zijn, daar de wet van 30 juni 1994 voortaan integraal geldt voor fiscale aangelegenheden, “alle inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten voortaan bedoeld in de wet van 16 juli 2008. De auteursrechten en naburige rechten worden door de belastingplichtige geïnd naar aanleiding van de exploitatie van zijn intellectuele of artistieke productie (…).”.

26\. Uit de aanvraag blijkt dat vennootschap X. een vergoeding wenst toe te kennen aan haar bedrijfsleider voor de door hem ontwikkelde werken. In het verleden werd nog geen dergelijke vergoeding toegekend. Uit de aanvraag blijkt dat de bedrijfsleider 60% van zijn arbeidstijd besteedt aan creatieve taken inzake het schrijven van software. De overige 40% wordt besteed aan niet-creatieve taken (zoals opstellen release notes, documenteren van de oplossing, testing en administratieve taken).

27\. Uit de aanvraag blijkt meer bepaald dat deze vergoeding bestaat uit 15,00% (25%\*60%) van de door de vennootschap aan haar bedrijfsleider toegekende financiële enveloppe. Onder “financiële enveloppe” dient te worden begrepen de bruto-bezoldiging met inbegrip van alle recurrente belaste voordelen van alle aard (exclusief sociale voordelen, niet-recurrente bonussen, tantièmes, enzovoort), enerzijds, en de vergoeding voor de overdracht van auteursrechten anderzijds. De vergoeding zal worden toegekend bovenop de bestaande bedrijfsleidersbezoldiging, waarvan de hoogte niet zal worden aangetast ten gevolge van de toekenning van de vergoeding voor overdracht van auteursrechten.

28\. De vergoedingsmethodiek wordt contractueel geregeld tussen de partijen.

29\. Cijfervoorbeeld ter illustratie:

| Bruto bedrijfsleiders-bezoldiging (1) | % AR | Formule brutering | Bedrijfsleidersbezoldiging inclusief AR | Toe te kennen AR |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| 60.000 EUR | 15% | 60.000 EUR \* (100/85) | 70.588,23 EUR | 10.588,23 EUR |

---

*\[(1) Bruto bedrijfsleidersbezoldiging met inbegrip van alle recurrente belaste voordelen van alle aard (exclusief sociale voordelen, niet-recurrente bonussen, tantièmes, enzovoort).\]*

---

30\. Vennootschap X zal bij het toekennen van een auteursrechtelijke vergoeding aan haar bedrijfsleider bovenstaande berekeningswijze hanteren om de maximale auteursrechtelijke vergoeding te bepalen.

31\. Er kan aldus gesteld worden dat de hiervoor beschreven toegekende vergoedingen aan de bedrijfsleider als roerende inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB 92 kunnen worden aangemerkt, indien en in zover het bedrag van 37.500 EUR (te indexeren bedrag) zoals bepaald in artikel 37, tweede lid, WIB 92, niet wordt overschreden.

### *III.D. Inzake artikel 49 WIB 92*

32\. Artikel 49 WIB 92 bepaalt het volgende:

> “Als beroepskosten zijn aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.”

33\. Wanneer een vennootschap auteursrechten verwerft, worden deze op het actief van de balans opgenomen indien zij bestemd zijn om duurzaam voor de bedrijfsactiviteit te worden gebruikt. Uit de samenlezing van de richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013, de IAS 16 norm en het CBN-advies 2012/13 van 10 oktober 2012 volgt dat in onderhavig geval onder het begrip “duurzaam” wordt begrepen, het verwerven van auteursrechten waarvan de vennootschap verwacht dat ze langer dan één periode zullen worden gebruikt.

34\. Onverminderd de toepassing van artikel 49 WIB 92 worden de afschrijvingen als beroepskosten overeenkomstig artikel 61 WIB 92 aangemerkt in de mate dat:

\- ze gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde;

\- en voor zover ze noodzakelijk zijn;

\- en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbaar tijdperk werkelijk heeft voorgedaan.

35\. Daarenboven moeten de immateriële vaste activa, met uitzondering van investeringen in audiovisuele werken, overeenkomstig artikel 63 WIB 92 worden afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan 3 mag bedragen wanneer het investeringen in onderzoek en ontwikkeling betreft en niet minder dan 5 in de andere gevallen.

36\. De toepassing van de bepalingen van artikel 63 WIB 92 houdt inzonderheid het volgende in:

\- de verworven auteursrechten in de rubriek van de immateriële vaste activa mogen niet in éénmaal of degressief worden afgeschreven. Alleen de afschrijving met vaste annuïteiten (of lineaire afschrijving) is toegestaan;

\- de afschrijvingsperiode bedraagt voor die activa ten minste 5 jaar.

37\. Aanvrager stelt dat de auteursrechtelijk beschermde werken, in casu gecreëerd door de betrokken bedrijfsleider, geen “duurzaam” karakter vertegenwoordigen aangezien de intellectuele rechten vrijwel onmiddellijk, minstens binnen een betrokken boekjaar, worden overgedragen aan de klant van vennootschap X.

38\. Rekening houdend met het voorgaande en met de door de aanvragers meegedeelde elementen kan besloten worden dat de door vennootschap X verworven auteursrechten niet bestemd zijn om duurzaam voor de bedrijfsactiviteit van de vennootschap te worden bestemd. De vergoedingen voor overdracht van auteursrechten vormen bijgevolg een aftrekbare beroepskost van het boekjaar waarin zij het karakter van zekere en vaststaande schulden hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.

### *III.E. Inzake artikel 344, §1 WIB 92*

39\. Artikel 344, §1 WIB 92 bepaalt het volgende:

> “§ 1. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 van hetzelfde wetboek vermelde bewijsmiddelen aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
>
> Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
>
> 1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of
>
> 2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
>
> Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen.
>
> Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

40\. Wat betreft de toepassing van artikel 344, §1 WIB 92 kan gesteld worden dat artikel 344, §1 WIB 92 een algemene anti-misbruikbepaling betreft die slechts wordt toegepast als de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het Wetboek, de speciale anti-ontwijkingsbepalingen en de simulatieleer geen hulp bieden (Circ. AFZ nr. 3/2012 d.d. 4.5.2012 inzake de anti-misbruikbepaling, rubriek C.2.3.).

41\. Randnr. 3 van Ci. RH. 231/605.842 van 21.05.2012 bepaalt dat, indien is aangetoond dat men zich bevindt in het geval van een overeenkomst die een clausule bevat met betrekking tot de cessie of de concessie van auteursrechten of naburige rechten, en indien daarvoor uitdrukkelijk een specifieke vergoeding is voorzien, die verschillend is van de bezoldiging als werknemer (hetgeen betekent dat de auteursrechten of naburige rechten niet gratis zijn overgedragen), deze vergoeding op het principiële vlak belastbaar is op basis van artikel 17, §1, 5° WIB 92.

42\. In het verleden werd geen onderscheid gemaakt tussen de bezoldigingen voor prestaties, enerzijds, en de vergoeding voor overgedragen vermogensrechten, anderzijds. De kwalificatie van de inkomsten is niet veranderd maar er werd door de wetgever een onderscheid gecreëerd tussen de verschillende belastingstelsels.

43\. Met het oog op rechtszekerheid over de eigendom van de auteursrechten en om de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel niet in het gedrang te brengen, wenst vennootschap X expliciet en volledig te voorzien in de overdracht van de intellectuele rechten van haar betrokken bedrijfsleider door middel van een aanvullende specifieke overeenkomst, waarbij tevens een vergoeding hiervoor wordt overeengekomen.

44\. Gelet op wat voorafgaat is de DVB van oordeel dat de voorgenomen verrichting niet als een fiscaal misbruik in de zin van artikel 344, § 1 WIB 92 kan worden aangemerkt.

### *III.F. Inzake btw*

45\. De cessie of concessie van auteursrechten wordt beschouwd als een dienst zoals beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 7° W.BTW. Deze dienstprestatie wordt in de regel met btw belast met toepassing van het tarief overeenkomstig rubriek XXIX, cijfer 1, van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 van 20.07.1970, als zij wordt verricht onder de voorwaarden gesteld in artikel 2 W.BTW.

46\. In dit verband wordt er aan herinnerd dat de btw-administratie aanneemt dat bestuurders of zaakvoerders die in hun hoedanigheid van natuurlijke persoon handelen in de gewone uitoefening van hun statutaire opdracht en optreden als een orgaan van de rechtspersoon die zij vertegenwoordigen, omwille van de bijzondere aard van hun opdracht als lasthebber, niet zelfstandig handelen in de zin van [artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4). Bijgevolg dienen de door deze bestuurders of zaakvoerders in die hoedanigheid verrichte handelingen in het kader van de uitoefening van hun statutair mandaat, niet aan de btw te worden onderworpen (Beslissing nr. E.T. 79.581 van 27.01.1994, www.fisconetplus.be).

47\. Onder deze omstandigheden kan ook worden aangenomen dat de natuurlijke personen die naast de uitoefening van hun statutair mandaat hun auteursrechten overdragen aan de rechtspersoon waarvan zij bestuurder of zaakvoerder zijn of er licentierechten inzake hun auteursrechten aan verlenen, in de feitelijke omstandigheden zoals omschreven in deze voorafgaande beslissing, niet verplicht zijn om zich te laten identificeren voor de btw als belastingplichtige voor de cessie of concessie van deze auteursrechten.

## Textes cités

1

[CTVA art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-4) 1 occurrence
