---
title: "Décision anticipée 2020.0061 · Plan cafétéria, Contributions directes"
description: "Plan cafétéria, Contributions directes, Fait générateur, Warrants, Options sur actions. Décision anticipée belge n° 2020.0061 du 10 mars 2020."
url: "https://juriel.be/fr/rulings/2020-0061-plan-cafeteria-contributions-directes-fait-3892"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Plan cafétéria, Contributions directes, Fait générateur, Warrants · Plan cafétéria - Contributions directes - Fait générateur - Warrants - Options sur actions - Disposition anti-abus - TVA- Fait générateur et moment d’exigibilité - Base d’imposition - Règles de la “valeur normale”

**Numéro**

2020.0061

**Date**

10 mars 2020

## Sur le document

**Collection**

Décisions anticipées

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

182 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2020.0061 du 10.03.2020

*Plan cafétéria* · *Contributions directes* · *Fait générateur* · *Warrants* · *Options sur actions* · *Disposition anti-abus*

*TVA* · *Fait générateur et moment d’exigibilité* · *Base d’imposition* · *Règles de la “valeur normale”*

## Résumé

Dans le cadre du plan cafétéria géré par le demandeur, les avantages recueillis seront imposés conformément au traitement fiscal de l’avantage concerné prévu par la législation belge.

En vue d’apprécier le caractère imposable ou non de l’avantage recueilli par le bénéficiaire, il convient de se positionner au moment où le bénéficiaire peut disposer de cet avantage, soit au moment de la mise à disposition effective ou du versement d’un avantage.

Si les limites et les modalités reprises dans la décision anticipée en ce qui concerne l’utilisation des warrants et options sont respectées, cela ne donne pas lieu à l'émergence d’un usage abusif de plans en matière de warrants et d’options sur lesquels l'octroi est basé, dans le cadre du plan « cafétéria » géré par le demandeur.

La mise en place du plan « cafétéria » basée sur les principes décrits dans la demande est justifiée par d’autres motifs que des motifs fiscaux au sens de l’article 344, §1er, CIR 92.

Lorsque les points sont transformés en avantage (biens et/ou services) tombant dans le domaine d’application de la TVA, le fait générateur de l’impôt a lieu au moment de la transformation lorsque tous les éléments de l’avantage choisi sont connus (c’est-à-dire le prix, le taux, etc.), ce qui sera en l’espèce le cas lorsque les biens et/ou les services seront mis effectivement à la disposition du travailleur, et la TVA deviendra exigible au moment de la mise à disposition effective de l’avantage.

Lors de la fixation de la base d'imposition entre le travailleur et l’employeur, il faudra tenir compte de la « valeur normale » des biens ou services fournis, comme le détermine le Code de la TVA.

***La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.***

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat in het kader van het door de aanvragers beheerde cafetariaplan:

1.1 de middels de omzetting van de units verkregen voordelen zullen belast worden overeenkomstig de fiscale behandeling van het betreffende voordeel voorzien in de Belgische wetgeving;

1.2 voor de beoordeling van het al dan niet belastbaar karakter van het door de begunstigde verkregen voordeel, men zich dient te plaatsen op het moment dat de begunstigde over het voordeel kan beschikken, zijnde op het moment van de omzetting;

1.3 de aanvragers de gerelateerde kosten in aftrek kan nemen overeenkomstig de regels van toepassing voor elk specifiek voordeel, op het moment dat de omzetting plaatsvindt;

1.4 de aanvragers overeenkomstig [artikel 57](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-57) van het Wetboek van Inkomstenbelastingen (hierna: “WIB 92”) zijn fiscale verplichtingen inzake rapportering van kosten en voordelen van alle aard correct naleeft door het rapporteren van voormelde kosten en voordelen van alle aard in de relevante loonfiches 281.X in de respectievelijke jaren waarin de begunstigde de omzetting van de Units doet;

1.5 de bepaling van de voordelen die via het systeem gekozen kunnen worden de correcte fiscale behandeling ondergaan;

1.6 er andere dan fiscale motieven aanwezig zijn die de invoering van het cafetariaplan zoals hierna omschreven, verantwoorden, zoals bedoeld in artikel 344, §1 WIB 92;

1.7 op het moment dat de Units worden ingeruild door de betrokken werknemer, i.e. Units worden afgehouden van hun individuele rekening, een btw-belastbare dienstprestatie in hoofde van de aangever zal plaatsvinden waarvoor de btw dient te worden berekend over de zogenaamde normale waarde;

1.8 gelet op het feit dat dit btw-belastbare omzet van de aangever uitmaakt, deze laatste als gemengde belastingplichtige haar recht op aftrek kan uitoefenen in lijn met de regels van het werkelijk gebruik.

## II. Beslissing

2\. De aanvragers hebben een cafetariaplan of flexibel verloningsplan ingevoerd waarbij medewerkers de mogelijkheid krijgen om, binnen bepaalde grenzen, zelf hun loonpakket samen te stellen. De voornaamste objectieven hierbij zijn personalisering en flexibiliteit bij de samenstelling van het loonpakket.

3\. De aanvrager bevestigt dat het cafetariaplan werd ingevoerd met respect voor de hiërarchie van de rechtsbronnen, op basis van collectieve arbeidsovereenomsten.

4\. Het cafetariaplan gaat uit van een juridische omzetting van bepaalde bezoldigingscomponenten naar een budget opgebouwd uit units. Het heeft uitsluitend betrekking op remuneratie voor toekomstige prestaties waarop nog geen opeisbare rechten zijn ontstaan.

5\. De actuele bezoldigingscomponenten die het budget (genaamd ‘units’ in het voorgelegde plan) opbouwen zijn de recurrente plannen en de occasionele verloningsplannen.

6\. Binnen een vooraf bepaalde termijn kunnen de werknemers een keuze maken over hoe zij de units willen besteden aan alternatieve looncomponenten, waarna de eigenlijke toekenning van de gekozen voordelen zal plaatsvinden binnen bepaalde termijnen (de ‘omzetting’).

### *II.A. Belastbaar moment en fiscale behandeling van de voordelen in hoofde van de begunstigde werknemers en de aanvragers*

#### II.A.1. Belastbaar moment

7\. Overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 2° WIB 92 zijn bezoldigingen van werknemers alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever inzonderheid voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid.

8\. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 360 WIB 92 wordt de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting gevestigd op de inkomsten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft verkregen.

9\. Tot het belastbare tijdperk behoren de beroepsinkomsten, bestaande uit o.m. tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende bezoldigingen (artikel 204, 3°, b) KB/WIB 92).

10\. Het nr. 360/66 van de administratieve commentaar op het WIB 92 (hierna ‘Com.IB 92’) bepaalt het volgende: “De bezoldigingen van werknemers, van bestuurders en van werkende vennoten en de pensioenen, renten of toelagen moeten voor hun geheel worden aangerekend voor het jaar of het gedeelte van het jaar in de loop waarvan zij werden "betaald of toegekend" (artikel 204, 3°, b) en c) KB/WIB 92).

11\. Deze bezoldigingen, pensioenen, renten of toelagen worden, ten name van de verkrijgers, aan de PB of aan de BNI onderworpen:

11.1 voor het aanslagjaar dat het jaartal draagt van het jaar volgend op dat van de betaling of toekenning, indien de gronden voor belastbaarheid aanwezig waren op 31 december van het jaar van de betaling of van de toekenning;

11.2 voor het aanslagjaar dat het jaartal draagt van het jaar van de betaling of van de toekenning, indien de gronden voor belastbaarheid zijn weggevallen vóór 31 december van dat jaar.

12\. Nr. 360/67 Com.IB 92 bepaalt vervolgens: “De toekenning en de betaling van de bezoldigingen, enz., vallen dikwijls samen. Opdat er toekenning is, in de fiscale betekenis van het woord, is het noodzakelijk dat de verkrijger werkelijk over de inkomsten kan beschikken; m.a.w., de inkomsten moeten onmiddellijk kunnen worden geïncasseerd (zie commentaar op artikel 273 WIB 92).”

13\. Uit de aanvraag blijkt dat:

13.1 Het cafetariaplan niet eenzijdig wordt opgelegd maar ingevoerd werd met collectieve arbeidsovereenkomsten met respect voor de hiërarchie van de rechtsbronnen en de dwingende bepalingen van het arbeidsrecht en het sociale zekerheidsrecht;

13.2 Het cafetariaplan uitsluitend betrekking heeft op de remuneratie voor toekomstige prestaties;

13.3 De personeelsleden een keuze moeten maken binnen het cafetariaplan alvorens men een recht op enige vergoeding of voordeel kan laten gelden;

13.4 De units die worden ingeschreven op de unit account kunnen gebruikt worden voor de zgn. ‘spending’ procedure, hetgeen de keuze voor een specifiek voordeel en de omzetting in het gekozen voordeel inhoudt;

13.5 De units louter een niet-gewaarborgde en voorwaardelijke belofte vertegenwoordigt om een toekomstig voordeel te kunnen verkrijgen;

13.6 Zolang de begunstigde geen allocatie van zijn units doet en zijn units derhalve niet omzet, de werkelijke waarde van het voordeel niet gekend is;

13.7 De unit de begunstigde in staat stelt om een bepaald voordeel (in natura of speciën) te verkrijgen naar keuze uit een lijst van welomschreven voordelen, tegen afstand van een bepaald aantal units. Het benodigde aantal zal echter afhangen van de door de aanvrager bepaalde omzettingskoers/conversiesleutel die voor elk voordeel verschilt en kan eveneens fluctueren in de tijd;

13.8 Zolang de finale omzetting niet heeft plaatsgevonden, de inschrijvingen op de unit account niet inruilbaar zijn, noch overdraagbaar aan derden;

13.9 De unit account niet door de begunstigde kan gebruikt worden om mogelijke uitstaande debets of credits met de aanvrager die vallen buiten de werkingssfeer van het cafetariaplan te compenseren;

13.10 De inschrijvingen op de unit account geen bijkomende inkomsten genereren onder de vorm van interesten of dividenden.

14\. Gelet op wat voorafgaat en het gevoerde onderzoek terzake, is de DVB van oordeel dat in het onderhavig geval de begunstigde werknemers van het cafetariaplan pas reëel en effectief over inkomsten kunnen beschikken na het moment van omzetting van de units. Het is slechts na de omzetting van de units, in casu op het moment van de effectieve terbeschikkingstelling of uitbetaling van het gekozen voordeel, dat de betrokkene werkelijk over inkomsten kan beschikken, waardoor slechts op dat moment belastbaarheid in hoofde van de begunstigde werknemer ontstaat.

15\. Wat betreft de eventuele deelname aan een optieplan of warrantenplan binnen het cafetariaplan, zal het belastbaar moment desgevallend – indien van toepassing - overeenkomstig de Wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, zoals gewijzigd door de artikelen 403 tot 407 van de Wet van 24 december 2002, plaatsvinden op de 60ste dag volgend op de datum van aanbod van de aandelenopties mits de begunstigden de aangeboden opties binnen 60 dagen schriftelijk aanvaarden.

#### II.A.2. Fiscale behandeling van de voordelen

16\. Gelet op wat voorafgaat, zullen de verschillende voordelen voorzien binnen het betrokken cafetariaplan hun eigen fiscale behandeling en waardering ondergaan, op basis van de normale fiscale bepalingen terzake.

17\. De aanvrager kan de kosten gerelateerd aan de voordelen in aftrek nemen overeenkomstig de regels en eventuele aftrekbeperkingen van toepassing op elk specifiek voordeel (ingevolge de bepalingen van artikel 49 en volgende WIB 92), op het moment dat de omzetting plaatsvindt.

18\. De voornaamste bepalingen worden hieronder vermeld.

*II.A.2.i. Bijkomende opleiding en extern loopbaanadvies*

19\. Opleidingen die rechtstreeks verband houden met de concrete professionele activiteit van de betrokkene zijn in hoofde van de medewerker niet belastbaar, en vormen in hoofde van de werkgever een aftrekbare beroepskost (kosten eigen aan de werkgever).

20\. Opleidingen die weliswaar in het kader van de tewerkstelling worden aangeboden, maar geen direct verband houden met de concrete professionele activiteit van de betrokkene, zijn niet aftrekbaar als beroepskost voor de werkgever, maar zijn wel vrijgesteld van belastingen in hoofde van de medewerker als sociaal voordeel, mits aan alle voorwaarden ter zake is voldaan. Zij zijn derhalve niet als beroepskosten aftrekbaar in hoofde van de aanvrager ingevolge artikel 53, 14°, WIB 92.

*II.A.2.ii. Inschrijving op een warrantenplan en optieplan*

21\. De DVB verwijst naar de bepalingen inzake aandelenopties vermeld in de artikelen 41 tot 47 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, in zover dat de toegekende aandelenopties binnen het toepassingsgebied van deze artikels zullen vallen, evenals naar de onderstaande begrenzingen inzake oneigenlijk gebruik.

22\. In de voorafgaande beslissingen inzake optie- en warrantenplannen wordt onder andere voorzien dat de toekenning van warranten/opties niet disproportioneel mag zijn ten opzichte van de bezoldiging die normaal wordt toegekend.

23\. De aanvragers stellen in casu dat, in zijn geheel, de omruiling in warranten en/of opties slechts maximaal 20% van het totale verloningspakket mag uitmaken. Het totale verloningspakket op jaarbasis wordt als volgt gedefinieerd:

1\. de Vaste Maandelijkse Basisbezoldiging *(1)* x 12,92 (inclusief vakantiegeld);

---

*\[(1) Dit verwijst naar het geplafonneerd loon toegekend en uitbetaald in speciën.\]*

---

2\. recurrente maandelijkse Units uitgedrukt in EUR x 12; *(2)*

---

*\[(2) Units uit recurrente verloningsplannen.\]*

---

3\. Units ten belope van de jaarlijkse toekenning van de jaarlijkse gratificatie (de 13de maand) ter waarde van de Vaste Maandelijkse Basisbezoldiging;

4\. de variabele verloning *(3)*.

---

*\[(3) Inclusief de bedragen toegekend onder CAO 90.\]*

---

24\. De volgende omzetting van units in aandelenopties of warranten geeft aldus geen aanleiding tot het ontstaan van een oneigenlijk gebruik van de optie- of warrantenplannen waarop deze toekenning is gebaseerd:

1\. van recurrente Units tot een grens van 20% van de Vaste Maandelijkse Basisbezoldiging;

2\. voor de Units ter vervanging van de jaarlijkse gratificatie (13de maand), zonder beperking;

3\. voor het variabel loon: tot een grens van 50%;

4\. met in zijn geheel een beperking tot 20% op het totale verloningspakket (zoals hierboven gedefinieerd), als absoluut maximum en waarbij het variabel loon niet mag worden omgezet naar recurrente Units.

25\. De voormelde percentages worden berekend ter bepaling van het aantal units dat kan worden geïnvesteerd in warranten of opties.

26\. De omzettingskoers van de Units bedraagt n% bij omzetting in warranten en opties volgens de gegevens verstrekt door de aanvragers in het kader van de aanvraag.

27\. De reële/economische waarde van de opties of warranten of de waarde van het voordeel van alle aard (VAA) *(4)* dat resulteert uit de toekenning van de opties of warranten moet in aanmerking worden genomen om te bepalen of de grens van 20% is nageleefd) *(5) (6)*.

---

*\[(4) Vóór aftrek van een eventuele eigen bijdrage door de begunstigde.\]*

*\[(5) De keuze dient onherroepelijk door de vennootschap-werkgever te worden toegepast voor het geheel van de aan de begunstigden aangeboden plannen.\]*

*\[(6) Indien de vennootschap-werkgever ervoor opteert om de waarde van het VAA, dat resulteert uit de toekenning van de opties/warranten, te weerhouden voor de berekeningsbasis van de grenswaarde, dan zal de (variabele) brutobezoldiging of bruto 13de maand (of het gedeelte ervan) toegekend onder de vorm van opties/warranten eveneens in rekening worden genomen voor de berekening van de grenswaarde en dit voor de waarde van het VAA dat die toekenning van opties/warranten vertegenwoordigt.\]*

---

28\. De berekening van het maximum aantal Units dat geïnvesteerd kan worden in warranten en opties, zal als volgt gebeuren bij de lancering van elk plan, volgens de gegevens verstrekt bij de aanvraag:

1\. de som van de sinds januari toegekende recurrente Units tot een grens van 20% van de Vaste Maandelijkse Basisbezoldiging;

2\. de som van de sinds januari toegekende Units ter vervanging van de jaarlijkse gratificatie (zonder beperking);

3\. de som van het sinds januari toegekend variabel loon: beperkt tot 50%;

4\. na aftrek van reeds gedane investeringen in financiële producten per kalenderjaar.

29\. Vervolgens wordt ook steeds geëvalueerd of dit maximum lager is dan 20% van het totale verloningspakket. Dit pakket wordt bepaald op basis van:

1\. de extrapolatie op jaarbasis van de vaste verloning op het moment van de lancering van elk plan; en

2\. het sinds januari effectief toegekende variabel loon.

30\. De DVB is van oordeel dat de bovenstaande omzetting van units in aandelenopties of warranten, binnen de grenzen voorzien in randnummer 24, niet disproportioneel is in de zin van de bepalingen van de voorafgaande beslissingen als voormeld met betrekking tot de optie- en warrantenplannen en zodoende geen aanleiding geeft tot het ontstaan van een oneigenlijk gebruik van de optie- of warrantenplannen waarop de toekenning is gebaseerd.

*II.A.2.iii. Extralegale vakantiedagen*

31\. Het loon dat wordt doorbetaald tijdens een extralegale vakantiedag vormt een belastbare bezoldiging in de zin van artikel 31, tweede lid, 1° WIB 92 en als dusdanig een aftrekbare beroepskost in hoofde van de werkgever overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 49, 52, 3° en 57 WIB 92.

*II.A.2.iv. ICT Materiaal, mobiele toestellen en abonnementen*

32\. Het belastbare voordeel wegens het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC (inclusief randapparatuur), tablet, internetaansluiting, mobiele telefoon of vast of mobiel telefoonabonnement dient te worden vastgesteld op basis van het artikel 18, § 3, 10 KB/WIB 92 (ingevoerd per koninklijk besluit van 2 november 2017), van toepassing op de voordelen waarover een belastingplichtige vanaf 1 januari 2018 beschikt.

33\. De kosten verbonden aan de terbeschikkingstelling van ICT, zoals omschreven in de aanvraag, vormen aftrekbare beroepskosten in hoofde van de vennootschap overeenkomstig de bepalingen van artikel 49, artikel 52, 3° en artikel 57 WIB 92.

34\. Bij het einde van de terbeschikkingstelling van het ICT-materiaal dient rekening te worden gehouden met de mogelijke belastbaarheid van een voordeel van alle aard ten belope van de werkelijke restwaarde van het toestel overeenkomstig de toepassing van de artikelen 31, tweede lid, 2° en artikel 36, §1 WIB 92, in zoverre het einde van de terbeschikkingstelling gepaard gaat met de eigendomsoverdracht van het ICT-materiaal naar het privé-vermogen van de begunstigde werknemer.

*II.A.2.v. Aanvullende pensioenbijdrage*

35\. De DVB verwijst naar de lopende Voorafgaande Beslissing 2019.0088 van 19 maart 2019.

*II.A.2.vi. Mobiliteit*

Bedrijfswagen met tankkaart

36\. Het belastbare voordeel voor het persoonlijk gebruik van de bedrijfswagen wordt forfaitair vastgesteld op basis van artikel 36, §2 WIB 92. In dit voordeel is het voordeel van de door de werkgever verstrekte tankkaart inbegrepen, wannneer een werkgever zowel een bedrijfswagen als een tankkaart ter beschikking stelt.

37\. Wat betreft de aftrek van kosten voor de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen (met tankkaart) dient men in het algemeen rekening te houden met de bepalingen van artikel 66, 198, § 1, 9°, a) en 9°bis, a) en 198bis WIB 92.

38\. Ingevolge artikel 198, §1, 9°bis, a) WIB 92 worden verworpen, de kosten van in artikel 65 bedoelde voertuigen die, al dan niet kosteloos, voor persoonlijk gebruik ter beschikking zijn gesteld, ten belope van 40 % van het bedrag zoals bepaald overeenkomstig artikel 36, § 2, eerste tot negende lid, wanneer de brandstofkosten verbonden met dit persoonlijk gebruik geheel of gedeeltelijk door de vennootschap ten laste zijn genomen, hetgeen in casu het geval zou zijn bij de verstrekking van een tankkaart.

Elektrische bedrijfswagen, elektriciteit, elektrische laadpaal en intelligente kabel

39\. Het belastbare voordeel voor het persoonlijk gebruik van de bedrijfswagen wordt forfaitair vastgesteld op basis van artikel 36, § 2, WIB 92. In dit voordeel is het voordeel van de door de werkgever verstrekte tankkaart inbegrepen, wanneer een werkgever zowel een bedrijfswagen als een tankkaart ter beschikking stelt.

40\. De elektriciteit die wordt verstrekt door de werkgever voor het opladen van de elektrische bedrijfswagen wordt eveneens geacht begrepen te zijn in het voordeel van alle aard voor het persoonlijk gebruik van de bedrijfswagen (PV nr. 818 van Luk Van Biesen van 20 maart 2014, QRVA 53/159, blz. 309).

41\. Het gebruik van een ter beschikking gestelde laadpaal/intelligente kabel, zoals omschreven in de aanvraag, voor het opladen van de elektrische bedrijfswagen geeft evenmin aanleiding tot een bijkomend voordeel van alle aard.

42\. De eigendomsoverdracht van de laadpaal/intelligente kabel thuis naar de werknemer bij afloop van de leaseperiode van 48 maanden doet geen bijkomend belastbaar voordeel van alle aard ontstaan in hoofde van de werknemer, erop gelet dat de werkelijke waarde van het voordeel in hoofde van de werknemer kan geacht worden verwaarloosbaar te zijn op dat moment.

43\. Omstandigheden die hierbij in overweging genomen worden zijn:

43.1 Dat de waardering van het voordeel slechts aan de orde is in het geval dat de werknemer niet langer voor een elektrische bedrijfswagen kiest na de lease-termijn (48 maanden). In het andere geval wordt de laadpaal/intelligente kabel nog steeds gebruikt voor de bedrijfswagen van de aanvrager waarbij de contracten blijven doorlopen;

43.2 Dat op dat moment het contract met de energieleverancier ten einde loopt, en de werknemer persoonlijk reactiveringskosten dient te betalen na een technische interventie ter plaatse wil hij de laadpaal/intelligente kabel opnieuw kunnen gebruiken ten persoonlijke titel (evenals abonnementskosten);

43.3 Dat er voor de aanvragers zelf ook een kost is om de laadpaal te verwijderen bij de werknemers;

43.4 Dat de laadpalen/intelligente kabel een snelle technologische evolutie ondergaan en mogelijk dus al verouderd zullen zijn na 48 maanden;

43.5 Dat de laadpaal/intelligente kabel slechts van nut zal zijn voor de werknemer indien de werknemer of een gezinslid nog over een eigen elektrische wagen zou beschikken;

43.6 De prijs van de laadpaal/intelligente kabel en de duurtijd van de leasing (48 maanden).

44\. De kosten die gepaard gaan met de aanschaf, de plaatsing en het onderhoud van het oplaadpunt bij de werknemer thuis zijn als autokosten aftrekbaar in hoofde van de aanvragers (conform de parlementaire vraag nr. 818 van 20 maart 2014). De kost van de elektriciteit voor het opladen van de wagen is als brandstofkost aftrekbaar in hoofde van de aanvragers. Voormelde kosten met betrekking tot het gebruik van de elektrische wagens of de plug-in hybride wagens zullen aftrekbaar zijn overeenkomstig artikel 66, §1 WIB 92 in hoofde van de aanvragers, met ingang vanaf het aanslagjaar 2021 (verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2020).

Tijdelijke huurwagen

45\. In geval van een tijdelijk terbeschikking gestelde wagen, dient het voordeel van alle aard berekend op basis van artikel 36, §2 WIB 92 te worden vastgesteld pro rata temporis, op basis van het aantal kalenderdagen van de terbeschikkingstelling.

46\. De terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen voor korte termijn die wordt gehuurd bij autoverhuurders valt onder dezelfde aftrekbeperkingen zoals hierboven vermeld voor een lange termijn bedrijfswagen.

Rijwiel

47\. Op basis van artikel 38, §1, eerste lid, 14°, b) WIB 92 wordt het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling door de werkgever van een rijwiel of speed pedelec en de toebehoren, met inbegrip van onderhouds- en stallingskosten vrijgesteld, op voorwaarde dat deze gebruikt wordt voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling.

48\. De vrijstelling heeft betrekking op het volledige voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een rijwiel of speed pedelec die daadwerkelijk voor woon-werkverkeer wordt gebruikt. Indien deze gebruikt wordt voor de woon-werkverplaatsing, dan is ook het zuivere privégebruik ervan (tijdens weekend, vakantie, …) vrijgesteld van belasting.

49\. In geval van een overdracht van het rijwiel of speed pedelec aan de werknemer aan het einde van de leasetermijn, dient een eventueel voordeel van alle aard dat hierdoor ontstaat belast te worden aan de werkelijke waarde van het voordeel in hoofde van de werknemer, zoals bedoeld in artikel 36, §1 WIB 92.

50\. Overeenkomstig artikel 64ter, 3°, a) WIB 92 zijn de kosten die specifiek zijn gedaan of gedragen door de werkgever om het gebruik van de fiets door de personeelsleden voor hun verplaatsingen tussen hun woonplaats en hun plaats van tewerkstelling aan te moedigen ten belope van 120 % aftrekbaar, in zoverre het kosten betreft die zijn gedaan of gedragen om rijwielen of speed pedelecs en hun toebehoren te verwerven, te onderhouden en te herstellen die ter beschikking gesteld worden van personeelsleden. Met ingang vanaf het aanslagjaar 2021 (verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf 1 januari 2020) zal artikel 64ter WIB 92 echter niet meer van toepassing zijn in de vennootschapsbelasting*. (7)* Deze kosten met betrekking tot het gebruik van de fiets zullen dus slechts aftrekbaar zijn aan 100% in hoofde van de aanvragers.

---

*\[(7) Ingevolge de wet van 30.07.2018 houdende diverse bepalingen inzake inkomstenbelastingen (B.S. 10.08.2018)*

---

Abonnement openbaar vervoer

51\. Artikel 38, § 1, 9°, a), WIB 92 bepaalt dat voor de werknemer wiens beroepskosten forfaitair worden bepaald, de vergoedingen die de werkgever toekent als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling voor het volledige bedrag worden vrijgesteld indien de werknemer die verplaatsing maakt met het openbaar vervoer.

52\. In zoverre de werknemer zich dus met het openbaar vervoer naar het werk verplaatst en zijn beroepskosten forfaitair worden bepaald, is de werkgeverstussenkomst in de abonnementskosten voor het openbaar vervoer volledig vrijgesteld.

53\. Deze kosten zijn aftrekbaar in hoofde van de werkgever.

Parking

54\. Wanneer de parking gebruikt wordt in het kader van woon-werkverkeer om bijvoorbeeld vanaf daar met het openbaar vervoer verder te reizen, dan is de betaling van het parkeerticket door de onderneming een ‘eigen kost van de werkgever’ overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1°, in fine WIB 92 en is er geen belastbaar voordeel te weerhouden.

55\. De kosten die de aanvragers maken voor parkeerplaatsen buiten de kantoorterreinen (treinstation, carpoolparking,…) zijn onderworpen aan de aftrekbeperking inzake autokosten.

*II.A.2.vii. Terugbetaling van individueel pensioensparen (derde pijler)*

56\. De terugbetaling van de premies door de werkgever in de kost van een door de werknemer individueel gesloten verzekeringscontract, ter aanvulling van rustpensioen en/of vroegtijdig overlijden, is belastbaar als voordeel alle aard voor de werknemer (zie Parl. Voorb. DOC 1340/007, p.17).

57\. In hoofde van de aanvrager vormt deze terugbetaling een aftrekbare beroepskost als bezoldiging overeenkomstig de bepalingen van artikel 49, 52, 3° en 57 WIB 92.

*II.A.2.viii. Eénmalige of maandelijke omzetting in speciën*

58\. Indien Units worden omgezet in speciën, zal dit kwalificeren als een belastbare bezoldiging in de zin van artikel 31, tweede lid, 1° WIB 92 en is het als dusdanig aftrekbaar in hoofde van de aanvrager overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 49, 52, 3° en 57 WIB 92.

### *II.B. Rapporteringsverplichting overeenkomstig artikel 57 WIB 92*

59\. Gelet op wat voorafgaat, zal de aanvrager de verplichtingen inzake rapportering van kosten en voordelen van alle aard op basis van artikel 57 WIB 92 correct naleven door het rapporteren van voormelde kosten en voordelen van alle aard in individuele fiches met betrekking tot de respectievelijke jaren waarin de begunstigde de omzetting van de Units doet en de voordelen aldus worden toegekend.

### *II.C. Artikel 344, §1 WIB 92*

60\. De invoering van het flexibel verloningsplan is ingegeven door verscheidene doelstellingen:

\- flexibelere verloning voor de medewerkers;

\- competitief medewerkers aantrekken in de lokale arbeidsmarkt;

\- fairness tussen werknemers die gelijkaardige verantwoordelijkheden en expertise hebben;

\- retentie van de medewerkers;

\- een leeftijdsbewust personeelsbeleid.

61\. Op basis van het voormelde is de voorgelegde verrichting verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, §1 WIB92.

### *II.D. BTW*

#### II.D.1. De ‘funding’ of toekenning van ‘Units’

62\. De funding van Units door de werkgever op een Units account valt buiten de werkingssfeer van de btw aangezien op het moment van de funding het te verkrijgen voordeel, zijnde de werkelijke tegenprestatie of het belastbaar feit, nog niet gekend is. Op het moment van de funding zijn er geen of nauwelijks relevante elementen bekend omtrent het te verkrijgen voordeel, noch bij de werknemer, noch bij de werkgever. Het is daarom ook nog niet mogelijk om de (eventuele) btw-gevolgen te bepalen op het moment van de funding van Units.

63\. Zoals hiervoor beschreven, kunnen de Units later, op het moment van spending, mogelijk ingeruild worden tegen extra vakantiedagen, cash of andere voordelen in natura. In bepaalde omstandigheden, namelijk eenzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst, zullen de Units zelfs verloren gaan. Daarnaast is de eenheidswaarde van een Units op het moment van funding nog onbekend. Deze zal pas later vastgesteld kunnen worden in functie van het gekozen voordeel, maar ook in functie van andere factoren zoals het moment waarop het voordeel wordt aangevraagd.

64\. Bijgevolg valt de funding van Units buiten de werkingssfeer van de btw. Dit is in overeenstemming met de principes van artikel 2 W.BTW, de gevestigde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder meer H.v.J. 16.12.2010, [C-270/09](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-270-09-arret), Mc Donald Resorts, http://curia.europa.eu) en ook al met de regels van de voucherrichtlijn (Richtlijn (EU) 2016/1065 van de Raad van 27.06.2016 tot wijziging van de Richtlijn 2006/112/EG wat de behandeling van vouchers betreft, Pb.L 01.07.2016, afl. 177, 9).

#### II.D.2. De ‘spending’ of omzetting van ‘Units’

65\. Wanneer de Units worden omgezet in voordelen (goederen en/of diensten) die binnen de werkingssfeer van de btw vallen, zullen zij onderworpen zijn aan de btw-regeling die geldt voor elk van deze voordelen.

Het belastbaar feit zal plaatsvinden op het ogenblik van omzetting wanneer alle elementen van het gekozen voordeel bekend zijn (i.e. prijs, tarief, e.a.), dit zal met name het geval zijn wanneer de goederen en/of diensten effectief ter beschikking worden gesteld van de werknemer.

66\. De werkgever zal de btw voldoen overeenkomstig de btw-regeling die van toepassing is op het gekozen voordeel.

#### II.D.3. Tijdstip van opeisbaarheid

67\. Overeenkomstig de artikelen 16 en 22 W.BTW wordt de btw opeisbaar op het moment van het belastbaar feit. In de regel zal het belastbaar feit plaatsvinden op het moment van omzetting van de Units, met name wanneer alle elementen van het gekozen voordeel bekend zijn.

68\. Voor de levering van goederen is dat in de regel het moment waarop het goed ter beschikking wordt gesteld van de verkrijger (artikel 16, § 1 W.BTW) en bij diensten op het tijdstip waarop de dienst is verricht (artikel 22, § 1 W.BTW).

69\. In afwijking op deze regel wordt de btw opeisbaar bij uitreiking van de factuur, ongeacht of de uitreiking plaatsvindt vóór of na het belastbare feit (artikel 17, § 1 W.BTW en artikel 22bis, § 1 W.BTW).

70\. Voor handelingen met particulieren, en werknemers worden in casu als particulieren beschouwd, voorziet het Btw-Wetboek erin dat voor de leveringen van goederen en diensten waarvoor geen facturatieplicht geldt, de btw pas opeisbaar wordt op het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling (of een deel ervan) ontvangen wordt (artikel 17, § 3 W.BTW en artikel 22bis, § 3 W.BTW).

71\. De afhouding van de Units van de rekening van de begunstigde werknemer wordt aldus als ‘betaling’ beschouwd en dus als tijdstip waarop de btw opeisbaar wordt. Dit is in de regel het moment van de effectieve terbeschikkingstelling van het voordeel.

72\. Bovenstaande principes gelden eveneens wanneer een ‘hybride voucher’ wordt omgewisseld voor een specifiek voordeel.

#### II.D.4. Maatstaf van heffing

73\. Op grond van artikel 26 W.BTW wordt voor de leveringen van goederen en de diensten de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.

74\. In afwijking van artikel 26 W.BTW, is de maatstaf van heffing voor de levering van goederen of de diensten de normale waarde zoals die overeenkomstig artikel 32 W.BTW is bepaald indien:

1\. de tegenprestatie lager is dan de normale waarde;

2\. de afnemer van de levering van goederen of de dienst geen volledig recht op aftrek heeft van de verschuldigde belasting;

3\. de afnemer verbonden is met de leverancier van de goederen of de dienstverrichter ingevolge een arbeidsovereenkomst, met inbegrip van hun familieleden tot in de vierde graad of als vennoot, lid of bestuurder van de vennootschap of rechtspersoon, met inbegrip van hun familieleden tot in de vierde graad.

75\. Als normale waarde in de zin van artikel 32 W.BTW wordt beschouwd het volledige bedrag dat een afnemer in de handelsfase waarin de levering van goederen of de dienst wordt verricht, bij eerlijke concurrentie zou moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter op het grondgebied van het land waar de handeling belastbaar is, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen.

76\. In afwijking daarvan, en bij ontstentenis van een vergelijkbare verrichting, mag de normale waarde van een levering niet lager zijn dan de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop de levering wordt verricht, en, met betrekking tot een dienst, een waarde die niet lager is dan de voor het verrichten van die dienst gemaakte uitgaven.

77\. Als deze maatstaf van heffing echter niet overeenstemt met de normale waarde, wordt deze maatstaf van heffing verhoogd tot deze normale waarde, ervan uitgaande dat, rekening houdend met de goederen en de diensten die kunnen verkregen worden via het cafetariaplan, het over het algemeen mogelijk zal zijn het bedrag te bepalen dat de werknemer bij eerlijke concurrentie in de fase van het finaal verbruik had moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter. Dit bedrag zal niet noodzakelijk overeenstemmen met het bedrag dat werd voldaan door de werkgever om de betreffende goederen of diensten te verkrijgen.

78\. Bij de bepaling van de maatstaf van heffing tussen werkgever en werknemer zal weliswaar wel rekening moeten worden gehouden met de ‘normale waarde’ van de verstrekte goederen of diensten overeenkomstig artikel 33, § 2, W.BTW en zoals verder verduidelijkt in punt 3.4 van [Circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T. 119.650) van 23.11.2015](https://juriel.be/fr/circulaires/36-2015-agfisc-usage-mixte-droit-deduction-a3fd).

#### II.D.5. Recht op aftrek van voorbelasting in hoofde van de werkgever

79\. De aanvrager bevestigt momenteel het recht op btw-aftrek uit te oefenen op basis van de principes van het werkelijk gebruik.

80\. In zoverre de gekozen goederen of diensten geacht worden onder bezwarende titel te zijn verleend aan haar werknemers en rekening houdende met specifieke aftrekbeperkingen (bijvoorbeeld artikel 45, § 2 W.BTW), zal de aanvrager haar recht op aftrek kunnen uitoefenen overeenkomstig de regels van het werkelijk gebruik.

## Textes cités

2

[CTVA art. 57](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-57) 1 occurrence

[C-270/09, arrêt du 16 décembre 2010](https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-270-09-arret) 1 occurrence
