---
title: "Décision anticipée 2019.0376 · Transfer option d’achat, Bâtiment neuf"
description: "Transfer option d’achat, Bâtiment neuf. Décision anticipée belge n° 2019.0376 du 28 mai 2019."
url: "https://juriel.be/fr/rulings/2019-0376-transfer-option-achat-batiment-neuf-73f7"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Transfer option d’achat, Bâtiment neuf · TVA - AR nr. 30 - Transfer option d’achat - Bâtiment neuf

**Numéro**

2019.0376

**Date**

28 mai 2019

## Sur le document

**Collection**

Décisions anticipées

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

100 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n ° 2019.0376 du 28.05.2019

*TVA* · *AR nr. 30* · *Transfer option d’achat* · *Bâtiment neuf*

## Résumé

Un contrat de location-financement d'immeubles où le preneur de leasing cède son option d’achat à une tierce partie ne répond plus aux conditions imposées par l’AR n°30. En l'occurrence, le contrat reste soumis à la TVA sur la base de l’[article 44, §3, 2°, a), cinquième tiret du Code de la TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44).

La scission partielle de la SA X qui vise à séparer l’activité d’exploitation du bien immobilier en l'incorporant dans une société du groupe avec la même activité d’exploitation, suivie de la vente des actions de la SA X à une tierce partie qui est spécialisée en immobilier, a lieu sur la base de motifs économiques valables et n'a pas pour objectif principal ou un de ses objectifs principaux la fraude fiscale ou l'évasion fiscale. L’opération répond au prescrit de l’article 183bis du CIR92 et de l’article 211, § 1, 4 è alinéa, 3°, du CIR 92.

La scission partielle et la vente qui s'en suivra de toutes les actions de la SA X se justifie par d'autres motifs que la volonté d’éluder l'impôt sur les revenus au sens de l'article 344, §1er, troisième alinéa, du CIR92.

Sur le plan de la TVA et des droits d’enregistrement, la scission partielle envisagée est fiscalement neutre (sauf un droit d'enregistrement fixe général).

Les travaux préétablis mènent à un nouveau bien immobilier de sorte qu’un nouveau contrat relatif à un contrat de location-financement d'immeubles lié à ce bien, si toutes les autres conditions sont remplies, relève du champ d’application de l’[article 44, §3, 2°, b) du C.TVA](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44).

***La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.***

## I. Beslissing

1\. De voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van voormelde wet van 24 december 2002 werden nageleefd.

2\. De aanvraag betreft een bestaande <…> winkel in <…> (uitgebaat door X nv, dochtervennootschap van Y nv) die de groep boven Y nv qua omvang wil uitbreiden en hiervoor tevens een nieuwe (her)financieringsstructuur wil opzetten.

3\. Een gereglementeerde vastgoedvennootschap (‘GVV’) zal instaan voor de bouw en de ontwikkeling van dit nieuw winkelpand. Deze GVV zal het pand ter beschikking stellen van Z nv die de nieuwe winkel zal uitbaten.

4\. De eigendomsstructuur van de huidige winkel is vrij specifiek. De grond is eigendom van <…> die een havenconcessie heeft verleend aan X nv (°<…> – <…+30>). Deze concessie is volgens de aanvragers hernieuwbaar maar niet overdraagbaar. X nv heeft op basis van deze concessie de huidige winkel opgericht en vervolgens in <…> (toen het gebouw btw-technisch nog nieuw was) verkocht aan een bankenconsortium bestaande uit <…> (‘Bankenconsortium’). Tegelijkertijd heeft X nv aan het Bankenconsortium, met tussenkomst van de grondeigenaar, een subconcessie verleend. Het Bankenconsortium stelt het gebouw vervolgens ter beschikking van Y nv via een btw-belaste onroerende financieringshuur (<…>) wat onder meer inhoudt dat Y nv een aankoopoptie heeft op de bestaande winkel. Hoe Y nv het gebouw precies ter beschikking stelt van X nv en of dit al dan niet deel uitmaakt van de tussen Y nv en X nv gesloten dienstverleningsovereenkomst wordt door de aanvrager niet gespecifieerd.

5\. In het kader van de uitbreidings- en (her)financieringsplannen willen de aanvragers hun rechten met betrekking tot de fysieke winkel (aankoopoptie in hoofde van Y nv en havenconcessie in hoofde van X nv) bij de GVV krijgen en de winkelactiviteit bij Z nv (de toekomstige uitbater van de uitgebreide winkel).

6\. Om dit te bereiken spreken de aanvragers over vier stappen:

1\. Overdracht door Y nv van de aankoopoptie op het bestaande winkelpand aan de GVV;

2\. Overdracht van de winkelactiviteiten van X nv aan Z nv door middel van een partiële splitsing;

3\. Verkoop aandelen X nv door Y nv aan de GVV; en

4\. Op termijn mogelijkse fusie waarbij X nv wordt overgenomen door de GVV.

7\. De door de aanvragers gestelde vragen lopen min of meer parallel met de vier voorgenomen stappen. We zullen hieronder de vragen behandelen in de door de aanvragers naar voor gebrachte volgorde.

## *A. De overdracht van de aankoopoptie en de gevolgen inzake btw*

8\. De in 2006 tussen Y nv en het Bankenconsortium gesloten overeenkomst inzake onroerende financieringshuur voldoet volgens de aanvragers aan de in artikel 44, §3, 2°, b) W.Btw en KB nr. 30 opgenomen voorwaarden (de overeenkomst zelf werd niet aan de DVB voorgelegd). Dit betekent concreet dat de overeenkomst niet onder de vrijstelling valt van artikel 44, §3, 2° W.Btw en met andere woorden onderworpen is aan btw. Eén van de voorwaarden uit [artikel 1 KB nr. 30](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-30-decembre-application-taxe-valeur-ajoutee-49af#ar30-art1) houdt in dat de leasingnemer (in casu Y nv) de mogelijkheid moet hebben om bij het einde van het contract (in casu in 2021) de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp zijn van de overeenkomst. Het is deze laatste optie die Y nv nu voornemens is over te dragen aan de GVV.

9\. Het gevolg van deze overdracht is dat er geen aankoopoptie meer is in hoofde van de leasingnemer en de door KB nr. 30 opgelegde voorwaarden niet meer zijn vervuld. De overeenkomst inzake onroerende leasing dient dan in principe te worden ge(her)kwalificeerd als een van btw vrijgestelde onroerende verhuur. Dit standpunt werd reeds eerder bevestigd in de rechtspraak (Hof van beroep te Brussel, arrest 14/10/14 (2010/AR/1851), bevestigd door het Hof van Cassatie op 22/4/16 ([F.15.0046.F](https://juriel.be/fr/jurisprudence/communication-avis-juridiques-conseils-assujetti-cassation-bruxelles-2016-04-22-7667)/1)).

10\. De aanvragers wijzen er echter op dat het onroerend goed, voorwerp van de overeenkomst inzake onroerende financieringshuur, gelegen is in de autonome haven van <…>. De aanvragers verwijzen hiervoor naar de Wet van <…> en het Besluit van <…>.

11\. Zonder uitspraak te kunnen doen of het betrokken onroerend goed al dan niet in havengebied ligt, kan de DVB wel bevestigen dat wanneer dit het geval is, de bestaande overeenkomst inzake onroerende financieringshuur (die dus ingevolge de overdracht van de aankoopoptie niet meer voldoet aan de voorwaarden van KB nr. 30) kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst zoals bepaald in artikel 44, §3, 2°, a), vijfde gedachtestreepje W.Btw. De overeenkomst tussen het Bankenconsortium en Y nv blijft met andere woorden onderworpen aan btw.

12\. Op specifieke vraag van de aanvragers kan de DVB dan ook bevestigen dat de overdracht van de aankoopoptie op zich niet noopt tot enige btw-herziening in hoofde van het Bankenconsortium als leasinggever, noch tot enige wijziging op het toe te passen btw-aftrekregime in hoofde van Y nv als leasingnemer. Dit laatste is trouwens hoe dan ook enkel afhankelijk van de uitgaande handelingen in hoofde van Y nv, iets wat niet het voorwerp uitmaakt van deze ruling.

## *B. Partiële splitsing van X nv*

## B.1. M.b.t. artikel 183bis, WIB 92 en artikel 211, §1, WIB 92

13\. X nv baat een winkel uit in <…> en wordt hierbij bijgestaan door Y nv op basis van een dienstencontract. Op basis van dit contract kan X nv beroep doen op de knowhow en de personeelsleden van Y nv. X nv betaalt Y nv hiervoor een vergoeding gebaseerd op een percentage van de gerealiseerde omzet.

14\. Het winkelgebouw is gelegen in <…>havengebied). De grond is eigendom van <…>. X nv beschikt over een havenconcessie op de grond waarop de bestaande winkel werd opgericht. Dit concessierecht is hernieuwbaar maar niet overdraagbaar aangezien het een overeenkomst intuitu personae betreft.

15\. De groep wenst de bestaande winkel uit te breiden. Dit project kadert in de strategie <…>.

16\. Het uitbreidingsproject vereist de ontwikkeling en bouw van een nieuw winkelpand op een naburig terrein van het bestaande winkelpand zodat de winkel (oud deel en nieuw deel samen) in de toekomst één nieuwe winkel kan worden.

17\. Om de uitbreiding van de huidige winkel te kunnen realiseren, werd een samenwerking aangegaan met een GVV.

18\. De GVV zal instaan voor de ontwikkeling en de bouw van dit nieuw aanvullend winkelpand <…>.

19\. De GVV is niet enkel geïnteresseerd in de eigendom van het bestaande gebouw maar wenst ook over de rechten op de grond te kunnen beschikken (het concessierecht). De GVV, als beleggingsvennootschap, is echter niet geïnteresseerd in de operationele activiteiten die momenteel binnen X nv aanwezig zijn.

20\. De beoogde verrichting betreft een partiële splitsing waarbij de exploitatieactiviteit van X nv zal worden overgedragen aan Z nv. Deze verrichting beantwoordt aan de definitie van een met een splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 2, § 1, 6°/1, WIB 92.

21\. Met de geplande partiële splitsing wenst men de exploitatieactiviteit af te zonderen van het concessierecht waarover X nv thans beschikt. De exploitatieactiviteit van de winkel zal rechtstreeks naar Z nv afgesplitst worden aangezien Z nv de vernieuwde en grotere winkel zal uitbaten.

22\. De geplande partiële splitsing kadert binnen het scheppen van financierings-mogelijkheden om de verdere ontwikkeling/uitbreiding van de operationele activiteiten mogelijk te maken. Er zijn zakelijke overwegingen.

23\. De aanvragers hebben eveneens bevestigd dat de partiële splitsing geen negatieve impact zal hebben op de tewerkstelling.

24\. Ingeval van een (partiële) splitsing in toepassing van artikel 211, §1, WIB 92 worden de verkrijgende vennootschappen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 213, WIB 92, bij het bepalen van het gestorte kapitaal en van de voorheen gereserveerde winst die ingeval van (partiële) splitsing bij elk van de overnemende of verkrijgende vennootschappen in aanmerking worden genomen, geacht het gestorte kapitaal, de belaste reserves en de vrijgestelde reserves van de (partieel) gesplitste vennootschap evenredig met de fiscale nettowaarde van de door deze laatste aan elk van hen gedane inbreng te hebben overgenomen of verkregen. De aanvragers hebben bevestigd dat de omdeling van de fiscale vermogensbestanddelen conform het bepaalde in artikel 213, WIB 92 zal gebeuren.

25\. X nv is winstgevend en heeft een belastbare basis. Zij beschikt niet over overgedragen fiscale verliezen, overgedragen investeringsaftrek, overgedragen DBI-overschotten of overgedragen aftrek voor risicokapitaal.

26\. Z nv beschikt niet over overgedragen investeringsaftrek, overgedragen DBI-overschotten of overgedragen aftrek voor risicokapitaal. De vennootschap heeft echter wel fiscaal overgedragen verliezen. Deze fiscaal overgedragen verliezen zullen naar aanleiding van de partiële splitsing worden beperkt zoals bepaald in artikel 206, §2, WIB 92.

27\. De aanvragers hebben bovendien bevestigd dat X nv na de verrichting over voldoende inkomsten en middelen zal beschikken zodat zij niet verlieslatend zal zijn.

28\. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen kan derhalve worden aangenomen dat de voorgenomen partiële splitsing plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.

29\. De verkrijgende vennootschap, Z nv, is een binnenlandse vennootschap.

30\. Derhalve kan worden besloten dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, §1, vierde lid, WIB 92 is voldaan, zodat de geplande partiële splitsing van X nv kan worden verricht onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, §1, WIB 92.

## B.2. Inzake retroactiviteit

31\. De terugwerkende kracht van een vennootschapsakte is in de regel niet tegenstelbaar aan de Administratie. Van dit beginsel mag, inzonderheid t.a.v. vermeld retroactiviteitsbeding, slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule:

31.1. met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband wordt opgemerkt dat een boekhoudkundige retroactiviteits-clausule van meer dan zeven maand in normale omstandigheden niet als een korte periode kan worden aangemerkt;

31.2. en een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.

32\. De aanvragers hebben bevestigd dat de partiële splitsing zal plaatsvinden vóór 31 augustus 2019 met een boekhoudkundige terugwerkende kracht naar 1 februari 2019, zodat de normale termijn van zeven maanden niet zal worden overschreden.

33\. In het kader van de in randnummer 31.2 gestelde voorwaarde wordt inzonderheid gewezen op het feit dat de fiscale nettowaarden kunnen worden gemanipuleerd met het oog op de maximale overdracht van de fiscaal overgedragen bestanddelen door deze fiscale nettowaarden op de boekhoudkundige retroactiviteitsdatum (in plaats van op de juridische datum van de verrichting) in aanmerking te nemen (zie dienaangaande randnummer 211/14 van de administratieve commentaar op het WIB 92). Aangezien enkel Y nv over fiscaal overgedragen verliezen beschikt en de aanvragers bevestigd hebben dat er geen uitzonderlijke verrichtingen zullen plaatsvinden gedurende deze retroactiviteitsperiode, kan worden gesteld dat de retroactiviteitsclausule een correcte toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.

34\. Derhalve kan worden besloten dat de boekhoudkundige retroactiviteit op het vlak van de vennootschapsbelasting kan worden aanvaard.

## B.3. Btw

35\. Op basis van artikel 11 W.Btw wordt niet als een levering van een goed beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, §3 W.Btw bevat hetzelfde principe voor diensten.

36\. In casu wordt de vraag gesteld of deze regel kan toegepast worden op de partiële splitsing van de bestanddelen die door X nv aan Z nv worden overgedragen. De aanvrager poneert dat deze bestanddelen als een ‘bedrijfsafdeling’ kwalificeren. De facto gaat het over gans X nv behoudens de concessie op de grond. De aanvrager verklaart dat de overgedragen bestanddelen onder andere het volgende omvatten: meubilair/winkeluitrusting, machines en een voorraad goederen, alsook alle contracten met bestaande leveranciers en klanten, waaronder de dienstverleningsovereenkomst en overeenkomst tot het aanleveren van goederen afgesloten met Y nv. Deze activa/passiva die worden overgedragen zouden Z nv in staat moeten stellen om zelfstandig de desbetreffende winkel uit te baten. De basis waarop X nv vandaag het pand kan gebruiken is onduidelijk. Hoe dan ook zal dit in hoofde van de overnemer duidelijker zijn vermits de GVV het uitgebreide pand via een overeenkomst van onroerende financieringshuur ter beschikking zal stellen van Z nv.

37\. Op basis van de in de aanvraag naar voor gebrachte elementen kunnen we stellen dat er een samenhangend geheel van activa (en passiva) wordt overgedragen waarmee een economische activiteit kan worden uitgeoefend. Tevens zou de overnemer, Z nv eventueel verschuldigde btw in aftrek kunnen brengen.

38\. De DVB kan bevestigen dat de partiële splitsing van X nv kwalificeert als een niet-levering zoals bedoeld in de artikelen 11 en 18, §3 W.Btw en bijgevolg dient plaats te vinden met toepassing van deze fiscaal neutrale btw-regeling.

## B.4. Registratierechten

39\. Conform artikel 115 W. Reg. wordt een inbreng van roerende goederen in een ‘Belgische vennootschap’ onderworpen aan een heffing van 0% evenredige registratierechten.

40\. In casu valt de inbreng in Z nv ingevolge de partiële splitsing van X nv onder de toepassing van dit artikel. Er worden immers louter roerende goederen overgedragen en Z nv is een Belgische vennootschap. Concreet betekent dit dat evenredige registratierechten van 0% van toepassing zijn met een minimum van het algemeen vast recht conform artikel 167 W. Reg.

41\. De notariële akte van de partiële splitsing zal worden verleden door Notaris <…>.

## *C. Verkoop van de aandelen X nv, artikel 192, §1, WIB 92*

42\. Y nv is een Belgische vennootschap onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Deze vennootschap bezit op één aandeel na alle aandelen van X nv.

43\. Y nv zal de aandelen van X nv na de partiële splitsing verkopen aan de GVV en hierbij een meerwaarde op aandelen realiseren.

44\. Overeenkomstig artikel 192, §1, eerste lid WIB 92 “zijn volledig vrijgesteld de niet in artikel 45, §1 eerste lid 1°, bedoelde meerwaarden verwezenlijkt (…) op aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202, §1 en 203 van de winst te worden afgetrokken”.

45\. In dit kader hebben de aanvragers bevestigd dat:

45.1. Y nv meer dan 10% aandelen van X nv heeft;

45.2. Y nv deze participatie al meer dan één jaar ononderbroken aanhoudt;

45.3. X nv een normaal belaste Belgische entiteit is die onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting en die nooit participaties heeft aangehouden van waaruit besmette dividenden zouden zijn ontvangen.

46\. Derhalve kan worden besloten dat de meerwaarde die zal gerealiseerd worden door Y nv op haar aandelen X nv, is vrijgesteld bij toepassing van artikel 192, §1, WIB 92.

## *D. Fiscaal misbruik - artikel 344, §1 WIB 92*

47\. Het geheel van de geplande verrichtingen bestaat o.m. uit een partiële splitsing van X nv waarbij de exploitatieactiviteit wordt overgedragen aan Y nv, gevolgd door de verkoop van alle aandelen van X nv aan een derde partij, GVV.

48\. De overdracht van het concessierecht is een conditio sine qua non voor de ontwikkeling van het nieuwbouwproject door de GVV en de (her)financiering van het bestaande gebouw door de GVV.

49\. X nv bezit een concessierecht (en een subconcessie) middels een “intuitu personae” overeenkomst met de grondeigenaar. Ten gevolge van het “intuitu personae” karakter van de overeenkomst wordt het contract beëindigd bij een gewone verkoop van het concessierecht. Aangezien de contracten door de grondeigenaar worden toegekend en hierbij procedures moeten worden gevolgd, is een hernieuwing van het contract onzeker. Het is daarom niet wenselijk dat het bestaande concessierecht vroegtijdig wordt beëindigd.

50\. Aangezien de kandidaat-overnemer niet geïnteresseerd is in de exploitatieactiviteit van X nv, is een partiële splitsing gevolgd door de verkoop van alle aandelen van X nv de enige mogelijkheid om het concessierecht te kunnen behouden en zonder de exploitatieactiviteit over te dragen aan de kandidaat-overnemer.

51\. Met betrekking tot de aanwending van de verkoopprijs zal Y nv de verkoopprijs van de aandelen X nv integraal herinvesteren binnen de 2,5 jaar na de verkoop die zal plaatsvinden in de tweede helft van 2019. De verkoopprijs van de aandelen van X nv wordt geschat op een bedrag tussen <…>. Concreet zal de verkoopprijs van de aandelen van X nv integraal worden geherinvesteerd door verdere investeringen op het niveau van Y nv in <…>.

52\. De aanvragers verbinden zich ertoe om een overzicht van de investeringen te bezorgen aan de bevoegde controle teneinde de realisatie van het herinvesteringsprogramma af te toetsen.

53\. Gelet op de in randnummer 49 vermelde bijzondere omstandigheid, kan worden besloten dat de keuze voor de partiële splitsing van X nv gevolgd door de verkoop van alle aandelen van deze vennootschap, voldoende is verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, §1, derde lid, WIB 92.

## *E. Btw-kwalifcatie van eindproduct*

54\. Zoals in de inleiding reeds werd aangegeven draait gans de voorgenomen operatie rond het uitbreiden van de bestaande winkel en het (her)financieren hiervan.

55\. De uitbreiding zal worden opgericht op het kadastraal perceel grenzend aan de huidige winkel. Deze werken zullen zo spoedig mogelijk van start gaan en de grond van dit perceel zal vooreerst gesaneerd moeten worden. De GVV zal optreden als bouwheer en instaan voor de uitvoering van de werken.

56\. In bijlage 7 van de aanvraag verklaren de aanvragers dat de huidige winkel een bebouwde oppervlakte heeft <…> m².

57\. In dezelfde bijlage verklaren de aanvragers dat de voorziene uitbreiding een oppervlakte heeft van <…> m². De combinatie van beide delen, huidige winkel en voorziene uitbreiding, zal <…> m² bedragen.

58\. Volgens de aanvragers zal het nieuwe gebouw worden geïntegreerd en verbonden met het bestaande gebouw om één groot winkelpand te vormen. Hierbij zal een zijgevel van het bestaande pand worden gesloopt en de voorgevel grondig worden aangepast zodanig dat er één ruimte, één grote winkel met gemeenschappelijke binneninrichting wordt gecreëerd.

59\. Na beëindiging van de bestaande overeenkomst inzake onroerende financieringshuur (tussen Y nv en het Bankenconsortium) in <…>, moment waarop de GVV de aan haar overgedragen aankoopoptie zal lichten en dus eigenaar zal worden van de bestaande winkel, en het beëindigen van de voorgenomen werken wenst de GVV gans het pand ter beschikking te stellen aan Z nv onder de vorm van een onroerende financieringshuur.

60\. De GVV wil deze nieuwe overeenkomst inzake onroerende financieringshuur laten ressorteren onder artikel 44, §3, 2°, b) W.Btw en KB nr. 30 (btw-belast) en heeft er dus alle belang bij dat, na uitvoering van de werken, het ganse pand inzake btw als ‘nieuw’ wordt bestempeld. Artikel 44, §3, 2°, b) W.Btw bepaalt immers dat de leasinggever ‘het gebouw waarop het contract betrekking heeft, opricht, laat oprichten of met voldoening van de belasting verkrijgt’. Om de overeenkomst van onroerende leasing te onderwerpen aan btw moet het gebouw dat het voorwerp van de overeenkomst vormt dus ‘nieuw’ zijn. De aanvragers stellen dan ook de vraag om dit ‘nieuwe’ karakter uitdrukkelijk te bevestigen.

61\. De bestaande winkel die de GVV verwerft van het Bankenconsortium (bij het lichten van haar optie) is natuurlijk oud. Deze aankoop is vrijgesteld van btw. Van belang zijn echter de werken die de GVV voor eigen rekening zal uitvoeren. In die zin is het nuttig te verwijzen naar randnummer 8 van [Circulaire nr. AOIF 10/2007 (E.T.109.976) dd. 12.04.2007](https://juriel.be/fr/circulaires/10-2007-afer-revision-financement-immeuble-bati-94c0). Deze paragraaf luidt als volgt:

‘8. De overeenkomsten van onroerende financieringshuur die betrekking hebben op oude gebouwen waaraan de leasinggever verbouwingswerken heeft laten verrichten, zodanig dat zij als nieuw dienen te worden aangemerkt voor de toepassing van de BTW, vallen, indien alle andere voorwaarden zijn vervuld, voor het geheel binnen het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek. Wat de aard van bedoelde verbouwingswerken betreft, wordt verwezen naar de BTW-Handleiding, nr. 152/2, 1e en 3e geval.’

62\. In casu zal de GVV (leasinggever) effectief op aanwijzing van Z nv verbouwingswerken laten verrichten aan de bestaande winkel in die specifieke zin dat zij op het naastliggend perceel een nieuwe constructie zal plaatsen die, mits de nodige integratiewerken één geheel zal vormen met de bestaande winkel. Is de aard van deze werken voldoende om deze te laten ressorteren onder de bepalingen van de btw-handleiding, nr. 152/2, 1° en 3° geval?

63\. De aanvrager vermeldt in de aanvraag enkele cijfers voor een redenering in de zin van het 3° geval onder randnummer 152/2 van de btw-handleiding, ook wel gekend als de 60% regel. Deze cijfers ontberen enige onderbouwing en lijken hoe dan ook van aard te zijn dat de drempel niet wordt bereikt. Deze piste wordt dan ook niet gevolgd.

64\. Voor het 1° geval onder randnummer 152/2 is het echter relevant op te merken dat bij de uitbreiding van een bestaand onroerend goed, men kan redeneren dat gans het onroerend goed als nieuw wordt bestempeld wanneer de oppervlakte van de uitbreiding groter is dan de oppervlakte van het (behouden) oude gedeelte én alles samen één geheel vormt.

65\. De eerste voorwaarde inzake uitbreiding oppervlakte is in casu voldaan; de bestaande oppervlakte ad <…> m² breidt uit naar <…> m².

66\. De tweede voorwaarde inzake het vormen van één geheel verdient verdere duiding. Hierbij dienen we op te merken dat wanneer deze tweede voorwaarde niet vervuld is (en elk deel, oud en nieuw, ieder op zich autonoom kan functioneren), we louter kunnen spreken van een nieuw gebouw naast een reeds bestaand gebouw.

67\. Bouwfysische elementen die er op wijzen dat de aanvragers in casu streven naar één gebouw zijn de vermeldingen in de aanvraag dat er een gevel van het oude gebouw zal worden afgebroken (om de verbinding tussen oud en nieuw te maken), de voorgevel grondig zal aangepast worden en er een gemeenschappelijke binneninrichting zal gecreëerd worden. Deze bouwfysische elementen worden verder ondersteund door het gegeven dat de uiteindelijke gebruiker, Z nv, het ganse gebouw uiteindelijk ook als één winkel zal exploiteren.

68\. Op basis van voormelde elementen meent het college dat de uiteindelijke afgewerkte winkel in zijn geheel als ‘nieuw’ onroerend goed kan worden aanzien en een overeenkomst van onroerend financieringshuur met betrekking tot dit goed, indien ook alle andere voorwaarden vervuld zijn, voor het geheel binnen het toepassingsgebied valt van artikel 44, §3, 2°, b) W.Btw.

## Textes cités

2

[CTVA art. 44](https://juriel.be/fr/codes/tva/article-44) 2 occurrences

[AR no 30 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-30-decembre-application-taxe-valeur-ajoutee-49af) 1 occurrence
