---
title: "Décision anticipée 2018.0748 · Usufruit, Assujetti occasionnel"
description: "Usufruit, Assujetti occasionnel, Droit à déduction, Revenu immobilier, Plus-value. Décision anticipée belge n° 2018.0748 du 2 octobre 2018."
url: "https://juriel.be/fr/rulings/2018-0748-usufruit-assujetti-occasionnel-droit-deduction-6b3e"
lang: "fr"
---

Texte en néerlandais

# Usufruit, Assujetti occasionnel, Droit à déduction, Revenu immobilier, Plus-value · Tva - Usufruit - Assujetti occasionnel - Droit à déduction - Revenu immobilier - Plus-value - Art. 344, § 1, CIR 92

**Numéro**

2018.0748

**Date**

2 octobre 2018

## Sur le document

**Collection**

Décisions anticipées

**Langue du texte**

néerlandais

**Version française**

non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

## Texte

87 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2018.0748 du 02.10.2018

*Tva* · *Usufruit* · *Assujetti occasionnel* · *Droit à déduction* · *Revenu immobilier* · *Plus-value* · *Art. 344, § 1, CIR 92*

## Résumé

À l’occasion de la constitution d'un usufruit sur le logement à assistance acheté, les investisseurs privés peuvent opter pour l’application de la TVA. La TVA payée par l’investisseur sur son achat pourra être déduite entièrement.

L'indemnité que les investisseurs privés reçoivent en contrepartie de la constitution de l'usufruit sur les logements à assistance, ne donne pas lieu à l'imposition d'un revenu immobilier au sens de l'article 7 du CIR 92, ni à l'imposition d'une plus-value conformément à l'article 90, 10° du CIR 92, étant donné qu'aucune plus-value n'est réalisée à l’occasion de la constitution de l’usufruit.

La part des paiements versés aux particuliers lors du paiement en tranches du prix de l'usufruit en plus du paiement du montant de base des tranches du prix, ne peut pas être considérée comme un revenu mobilier au sens de l'article 17 du CIR 92.

L’opération envisagée se justifie par d'autres motifs que la volonté d'éviter les impôts sur les revenus au sens de l'article 344, § 1 er du CIR 92.

***La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.***

## I. Uit het door de DVB gedane onderzoek blijkt het volgende:

1\. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van artikel 21 en 22 van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

2\. X nv is eigenaar van een terrein gelegen <…>. Y (vennootschap in oprichting) zal op dit terrein een nieuw project bouwen bestaande uit <…> assistentiewoningen.

3\. X en Y zullen samen optreden om aan toekomstige (particuliere) investeerders respectievelijk de grondaandelen en de opstallen van de nieuw opgerichte assistentiewoningen te verkopen.

4\. Met de investeerders wordt contractueel overeengekomen dat zij ieder onmiddellijk na hun aankoop een vruchtgebruik vestigen op de door hun aangekochte assistentiewoning (en de daaraan verbonden gemeenschappelijke delen en grondaandelen) ten gunste van de toekomstige exploitant van de assistentiewoningen en dit voor een vaste duurtijd van 23 jaar (cf. model van vruchtgebruik overeenkomst, bijlage 2 bij aanvraag).

### *I.1. Inzake btw*

5\. De twee vragen zijn of de vestiging van het vruchtgebruik door de investeerders onderworpen is aan btw en ten gevolge hiervan een (volledig) recht op aftrek in hun hoofde genereert voor hun ingevolge de aankoop verschuldigde btw.

6\. Vooraf kunnen we vaststellen dat de assistentiewoningen als nieuw kunnen worden aangemerkt in de zin van de artikelen 8 en 44, §3, 1°, b) W.Btw. Y zal tevens kunnen worden gecatalogeerd als een belastingplichtige in de zin van artikel 12, §2 W.Btw. De investeerders zullen met andere woorden btw betalen op de prijs voor de opstallen die ze betalen aan Y (artikel 44, §3, 1°, b), tweede lid, eerste gedachtestreepje W. Btw).

Toepassing btw op vestiging vruchtgebruik

7\. Onmiddellijk na de aankoop door een investeerder vestigt deze laatste op zijn beurt een vruchtgebruik op de aangekochte nieuwe assistentiewoning ten voordele van de toekomstige exploitant van de assistentiewoningen.

8\. Overeenkomstig artikel 9, 2de lid, 2° W.Btw worden de andere zakelijke rechten dan het eigendomsrecht die aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken, als lichamelijke goederen beschouwd. Dit artikel bedoelt onder meer het zakelijk recht van vruchtgebruik.

9\. De vestiging van een recht van vruchtgebruik op een onroerend goed moet bijgevolg voor btw-doeleinden als een levering van een goed worden beschouwd. Vermits dergelijke levering betrekking heeft op een onroerend goed, is deze in principe vrijgesteld van btw (artikel 44, §3, 1°, a) W.Btw).

10\. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, b) W.Btw wordt de vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2° W.Btw op gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, echter uitgesloten van de vrijstelling, wanneer zij worden verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1° W.Btw, door de in artikel 8, §§ 2 of 3 W.Btw, beoogde belastingplichtige.

11\. Overeenkomstig artikel 8, § 2, W.Btw heeft eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen en waarop hij, vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 van artikel 8 W.Btw bepaalde termijn, onder bezwarende titel een zakelijk recht vestigt in de zin van artikel 9, tweede lid, 2° W.Btw, ten aanzien van deze vestiging de hoedanigheid van belastingplichtige wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vestiging van dit zakelijk recht te doen met voldoening van de belasting.

12\. De aanvrager verklaart dat de vestiging van het vruchtgebruik betrekking zal hebben op nieuwbouwappartementen. Voor de goede orde wijst de DVB op het gegeven dat de vestiging van het vruchtgebruik effectief moet plaatsvinden op uiterlijk 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de assistentiewoning.

13\. De aanvrager bevestigt dat de investeerder op afdoende wijze en overeenkomstig [artikel 1 van KB nr. 14](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-14-article-a72c) van 3 juni 1970 de nodige formaliteiten zal vervullen om de assistentiewoning over te dragen met toepassing van de btw (cf. artikel 7.3.2. van het model vruchtgebruik overeenkomst).

14\. Op basis van het voorgaande en mits vervulling van de door KB nr. 14 van 3 juni 1970 opgelegde voorwaarden en formaliteiten kan de DVB bevestigen dat bij de vestiging van het vruchtgebruik (dat slaat op grond en opstallen) door de investeerder aan de exploitant, deze investeerder kan opteren voor het statuut van toevallige belastingplichtige en deze vestiging kan laten plaatsvinden onder de toepassing van de btw.

Btw-aftrek in hoofde van individuele investeerder

15\. Overeenkomstig [artikel 4 van KB nr. 14](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-14-cessions-batiments-fractions-batiment-sol-7f92#ar14-art4) van 3 juni 1970 kan de toevallige belastingplichtige (zoals bedoeld in artikel 1 van dat KB) van de verschuldigde belasting over de in dat artikel bedoelde handelingen in aftrek brengen, de belasting geheven van handelingen omschreven in [artikel 9, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c#ar3-art9) met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de belasting geheven van de goederen en diensten die rechtstreeks samenhangen met deze handeling.

16\. In verband met de bepaling van het recht op aftrek van de voorbelasting bij vestiging van een zakelijk recht op een gebouw met toepassing van de btw is de aftrek van de in het vorige lid bepaalde voorbelasting slechts volledig wanneer de verkoopprijs van het zakelijk recht de oprichtingsprijs van het gebouw benadert ([Parl. Vr. nr. 710 de Clippele dd. 22.09.1993](https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/710-tva-droit-superficie-representant-clippele-16c9) en btw-handleiding versie 2015 nr. 161, c), 2de streepje).

17\. Met het bijhorend terrein, zelfs indien het aan de btw is onderworpen, dient geen rekening te worden gehouden bij de berekening van het aftrekpercentage. Met andere woorden volstaat het om enerzijds de gevraagde prijs voor het zakelijk recht, waarbij geen rekening wordt gehouden met de waarde van het terrein, en anderzijds de prijs voor de oprichting of aankoop van het gebouw, met uitzondering van de prijs voor de verwerving van het terrein, met elkaar te vergelijken.

18\. De volledige aftrek van de btw geheven van de oprichtingskosten of de aankoopprijs van het gebouw wordt aanvaard:

– indien de prijs gevraagd voor de vestiging van het zakelijk recht op een gebouw of een gedeelte ervan ten minste 95% bedraagt van de oprichtingsprijs (of de aankoopprijs) in volle eigendom, in voorkomend geval daaronder begrepen de verkoopwaarde van de bestaande gebouwen en de kostprijs van de eventuele afbraak ervan maar met uitzondering van de aankoopprijs van het terrein, indien het recht gevestigd is voor een periode die minder dan 10 jaar bedraagt,

– indien de gevraagde prijs ten minste 97,5% bedraagt van de oprichtingsprijs (of de aankoopprijs) in volle eigendom, in voorkomend geval daaronder begrepen de verkoopwaarde van de bestaande gebouwen en de kostprijs van de eventuele afbraak ervan maar met uitzondering van de aankoopprijs van het terrein, indien het recht gevestigd is voor een periode die 10 jaar of meer bedraagt.

19\. Wanneer de verkoopprijs van het zakelijk recht de bovengenoemde grenzen niet bereikt, zal de aftrek van de voorbelasting worden bepaald in functie van de verhouding van de verkoopprijs van het zakelijk recht tot de oprichtings- of aankoopprijs van het betreffende gebouw in volle eigendom.

20\. In dit kader wordt nog benadrukt dat enkel rekening kan gehouden worden met de vergoedingen die onherroepelijk verschuldigd zijn door de verkrijger van dit zakelijk recht (men houdt bijvoorbeeld geen rekening met indexatie clausules, vermits de juiste bedragen of de toepassing ervan op het moment van de contractsluiting nog niet zeker vaststaan).

21\. Bovendien moeten contractuele clausules, waarbij de partijen dit recht vroegtijdig kunnen beëindigen, uitgesloten worden. Dergelijke clausules zouden immers tot gevolg hebben dat de uiteindelijk verkregen tegenprestatie niet de vooropgestelde 97,5% zou bereiken die een volledig recht op aftrek verantwoordt.

22\. In casu wordt het vruchtgebruik toegekend voor een periode van drieëntwintig jaar. Dit vruchtgebruik zal niet vroegtijdig kunnen worden beëindigd behoudens in de limitatieve gevallen opgenomen in de vruchtgebruikovereenkomst met name in geval van grove tekortkomingen in hoofde van de exploitant en/of faling van de exploitant. De termijn van drieentwintig jaar is een essentieel onderdeel van de overeenkomst.

23\. De vruchtgebruikovereenkomst voorziet wel in de mogelijkheid tot verlenging met <…> jaar. De aanvrager verklaart zelf dat met de bijkomende vruchtgebruikvergoedingen die ingevolge deze verlenging verschuldigd zouden zijn geen rekening wordt gehouden voor onderstaande berekening vermits deze verlenging slechts optioneel is en we vandaag dus niet met zekerheid weten of deze al dan niet verschuldigd zullen zijn.

24\. In ruil voor het vestigen van het vruchtgebruik, zullen alle investeerders een vaste vergoeding (te betalen per kwartaal) verkrijgen van de exploitant. Deze vergoeding wordt niet uitgedrukt in een percentage maar wel in een vast bedrag dat de exploitant jaarlijks voor het vruchtgebruik zal betalen (1.386.098 euro voor gans het gebouw). Voor de volledige looptijd van het vruchtgebruik betekent dit een totale vergoeding ad 31.880.254 euro (absolute cijfers, exclusief indexering).

25\. De investeerders zullen samen in totaal 38.940.000 euro voor het gebouw betalen (27.258.000 voor de constructies en 11.682.000 voor de grond). Dit is met andere woorden een verhouding van 70/30 voor de constructies ten opzichte van de grond. Om uit de vergoeding voor het vruchtgebruik de grondwaarde te distilleren argumenteert de aanvrager dat het aandeel van de grondwaarde zeer beperkt is en in ieder geval niet overeenkomt met het aandeel van de grond in de totale aankoopprijs. De reden hiervoor moet volgens de aanvrager gezocht worden in het feit dat de exploitatiewaarde in hoofde van de uitbater zo goed als volledig bestaat uit het rendement dat wordt gehaald uit de exploitatie van de woonzorgappartementen, en niet uit het grondaandeel. Op basis hiervan schat de aanvrager het aandeel van de grondwaarde in de totale vruchtgebruikvergoeding op vijftien procent.

26\. Als we voorgaande door de aanvrager naar voor gebrachte cijfers hanteren komen we op een breuk van 27.098.216 (85% van 31.880.254: vruchtgebruikvergoeding gelieerd aan constructies) op 27.258.000 (prijs betaald voor constructies in volle eigendom). Dit geeft een percentage van 99,41 procent.

27\. Op die manier wordt de 97,5% grens overschreden en kunnen we de visie van de aanvrager bijtreden dat de globale vergoeding voor het vruchtgebruik de door de investeerders in globo betaalde prijs benadert (99,41%) op een manier dat deze de door hen betaalde btw op hun aankoop overeenkomstig artikel 45, §1, 1° W.Btw volledig in aftrek kunnen brengen.

28\. Hierbij dient opgemerkt dat de aanvrager enkel cijfers naar voor brengt (waaromtrent de DVB geen uitspraak doet) voor het project in globo. Bij de beoordeling of iedere investeerder individueel een volledig recht op aftrek zou kunnen genieten is het dan ook belangrijk dat voor iedere specifieke kavel in het gebouw dezelfde verhouding wordt gerespecteerd tussen enerzijds de aankoopprijs en anderzijds de vergoeding voor het door iedere individuele investeerder te vestigen vruchtgebruik.

### *I.2. Inzake inkomstenbelastingen*

#### I.2.1. Onroerend inkomen

29\. Artikel 7, § 1, 3°, WIB 92 stelt belastbaar als onroerend inkomen de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.

30\. Overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid, WIB 92 omvatten de bedragen verkregen bij de vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, de erfpacht- of opstalvergoeding en alle andere voordelen verkregen door de overdrager.

31\. Met de woorden "gelijkaardige onroerende rechten" beoogde de wetgever de gebruiksrechten op lange termijn op onroerende goederen (zie Kamer, zitting 1983-1984, stuk 758/1, p. 8).

32\. In antwoord op de parlementaire [vraag nr. 21 van de heer De Clippele van 17 juni 1988](https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/21-revenus-immobiliers-emphyteose-usufruit-clippele-708c) (Bull. nr. 677, p. 1934), tevens bevestigd in circulaire nr. Ci.RH.221/399.733 van 27 september 1988, wordt gesteld dat het vruchtgebruik niet wordt beoogd in artikel 7, § 1, 3°, WIB 92 en dat de bedragen verkregen uit hoofde van de vestiging of de overdracht van een recht van vruchtgebruik met betrekking tot een in België of in het buitenland gelegen onroerend goed geen inkomsten uit onroerende goederen zijn.

33\. De periodieke vergoedingen die de investeerders in ruil voor de vestiging van een recht van vruchtgebruik op de assistentiewoningen en de daaraan verbonden onverdeelde aandelen in de gemeenschappelijke delen en de bijhorende grondaandelen, alsook eventueel aangekochte parkeerplaatsen van de exploitant ontvangen zijn bijgevolg niet belastbaar als onroerend inkomen.

#### I.2.2. Divers inkomen

34\. Artikel 90, 10°, a), WIB 92 stelt belastbaar als divers inkomen de meerwaarden die naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel zijn verwezenlijkt op in België gelegen gebouwde onroerende goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke goederen, met uitzondering van het recht van erfpacht, het recht van opstal of een gelijkaardig onroerend recht, ingeval die gebouwde onroerende goederen onder bezwarende titel zijn verkregen en binnen vijf jaar na de datum van verkrijging zijn vervreemd.

35\. De vestiging van een recht van vruchtgebruik ten voordele van een derde vormt een bijzonder geval van overdracht, zodat artikel 90, 10°, WIB 92 daarop in principe van toepassing is (parlementaire [vraag nr. 854 van de heer Viseur 21 december 2001](https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/854-cession-immeubles-usufruit-plus-values-10f4), Bull. nr. 833, p. 218-221).

36\. Gelet op de opeenvolging van handelingen, zijnde de aankoop van de volle eigendom van de assistentiewoningen en de daaraan verbonden onverdeelde aandelen in de gemeenschappelijke delen en de bijhorende grondaandelen, alsook eventueel aangekochte parkeerplaatsen door de investeerder gevolgd door de vestiging van een recht van vruchtgebruik ten aanzien van de exploitant, is de eventueel gerealiseerde meerwaarde belastbaar op grond van artikel 90, 10°, a), WIB 92.

37\. De bepaling van de meerwaarde wordt verduidelijkt in de artikelen 101, § 2 en § 3, WIB 92 en door artikel 54, KB/WIB 92.

38\. Artikel 101, § 2, WIB 92 preciseert dat de in artikel 90, 10°, a), WIB 92 bedoelde meerwaarde wordt in aanmerking genomen naar het verschil tussen de volgende twee grootheden:

\- De prijs waartegen het goed is overgedragen of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de btw heeft gediend, verminderd met de kosten voor vervreemding;

\- De verkrijgingsprijs van het goed, vermeerderd met 25 procent of met de werkelijk gedragen kosten van verkrijging of van overgang wanneer deze meer bedragen dan 25 procent, waarbij de verkrijgingsprijs de prijs is waarvoor het goed door de belastingplichtige werd verkregen of, indien die hoger is, de waarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de btw heeft gediend.

39\. Artikel 101, § 3, WIB 92 bepaalt dat voor zakelijke rechten met betrekking tot onroerende goederen de Koning de regels voor de vaststelling van de belastbare meerwaarden stelt.

40\. Artikel 54, § 2, eerste lid, KB/WIB 92 bepaalt omtrent de eerste grootheid van het verschil:

> "Bij overdracht van \[...\] het vruchtgebruik \[...\] van een goed, is de eerste grootheid van het verschil, dat moet worden berekend om de meerwaarde te bepalen, de prijs waartegen het recht is overgedragen, of indien die hoger is, de verkoopwaarde die tot maatstaf van heffing van het registratierecht of de BTW heeft gediend."

41\. Artikel 54, § 2, vierde lid, KB/WIB 92 bepaalt omtrent de tweede grootheid van het verschil:

> "Slaat de overdracht \[…\] op het vruchtgebruik van een goed \[...\], dan wanneer de vervreemder het onroerend goed in volle eigendom verkreeg, dan is de tweede grootheid van het verschil gelijk aan de prijs of de verkoopwaarde van de volle eigendom van dat goed bij de verkrijging, bepaald overeenkomstig artikel 101, § 1, 2°, of § 2, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, naargelang het geval, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan de eerste grootheid van het verschil vastgesteld op de wijze bepaald in onderhavige paragraaf, en de noemer aan de verkoopwaarde van de volle eigendom van het goed op de dag van de overdracht of vestiging van gezegd recht. Als waarde van die tweede grootheid mag evenwel nooit een bedrag in aanmerking worden genomen dat de kostprijs of de verkoopwaarde van de volle eigendom van het goed bij de verkrijging overtreft."

42\. In het onderhavige geval blijkt uit de lezing van artikel 90, 10°, a), WIB 92 juncto artikel 101, §§ 2 en 3, WIB 92 (evenals artikel 54, § 2, KB/WIB 92) en het onderzoek van de door de aanvrager verstrekte informatie dat door de verrichting geen belastbare meerwaarde in de zin van de voormelde artikelen wordt gerealiseerd.

43\. Er dient evenwel voorbehoud te worden gemaakt omtrent de situatie waarbij gebruik zou worden gemaakt van de mogelijkheid tot éénmalige verlenging van de vruchtgebruikovereenkomst met een periode van <…> jaar, in welk geval de bijkomende vruchtgebruikvergoedingen tijdens deze periode mogelijks aanleiding geven tot de realisatie van een meerwaarde en belastbaarheid in de zin van artikel 90, 10°, a), WIB 92 in hoofde van de particuliere investeerder.

#### I.2.3. Roerend inkomen (artikel 17 WIB 92)

44\. De vestiging van het vruchtgebruik gebeurt tegen periodieke vergoedingen aan de investeerders die onder strikte voorwaarden worden aangepast aan een indexatie op basis van de gezondheidsindex.

45\. Artikel 17 WIB 92 stelt:

> “§ 1. Inkomsten uit roerende goederen en kapitalen zijn alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk:
>
> 1° dividenden;
>
> 2° interest;
>
> 3° inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen;
>
> 4° inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten die geen pensioenen zijn en na 1 januari 1962 onder bezwarende titel zijn aangelegd ten laste van enige rechtspersoon of onderneming. De lijfrenten die zijn aangelegd tegen storting met afstand van een kapitaal dat is gevormd, ofwel, met bijdragen of premies als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°, ofwel, in het kader van een aanvullend pensioen voor zelfstandigen als bedoeld in artikel 34, § 1, 2°bis, zijn geen pensioenen;
>
> 5° de inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties, bedoeld in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten of in overeenkomstige bepalingen in het buitenlands recht.
>
> § 2. Wanneer het bedrag van de inkomsten in vreemde valuta is bepaald, wordt het in EUR omgezet naar de wisselkoers bij de betaling of de toekenning van die inkomsten.”

46\. De uitdrukking "aangewend uit welken hoofde ook", houdt in dat de opbrengsten die moeten worden belast, het voorwerp moeten zijn van een overeenkomst over de beschikking van het roerend goed. Die inkomsten zijn derhalve de door de schuldenaar betaalde prijs voor het genot van het kapitaal, zoals is overeengekomen met degene die het kapitaal heeft belegd of geïnvesteerd (Kamer, gewone zitting 1998-1999, Vers.Com.Fin., Stuk1608/8, blz. 5) (Com.IB nr. 17/1.1).

47\. Gezien de overeenkomst met betrekking tot de vestiging van vruchtgebruik geen overeenkomst betreft over de beschikking van een roerend goed, kan de prijsverhoging vertegenwoordigd door het bedrag dat op grond van de indexering aan het basisbedrag wordt toegevoegd niet worden beschouwd als een roerend inkomen in de zin van artikel 17 WIB 92.

#### I.2.4. Antimisbruik

48\. Uit de aanvraag blijkt dat de voorgenomen verrichting wordt verantwoord door het feit dat de partijen, meer bepaald de investeerders en de exploitant, niet onder de toepassing van de woninghuurwet wensen te vallen omwille van de ongewenste gevolgen die het afsluiten van een dergelijke huurovereenkomst met zich brengt (meer in het bijzonder de dwingende bepalingen wat betreft de termijnen, het doorrekenen van onroerende voorheffing, herziening van kosten, enzovoort).

49\. De vestiging van het vruchtgebruik biedt als bijkomend voordeel dat er geen onzekerheid zou kunnen ontstaan met betrekking tot de vooropgestelde vaste duurtijd van 23 jaar zonder mogelijkheid tot opzegging of verlenging.

50\. Verder wensen de investeerders gedurende de duur van de overeenkomst met de exploitant geen verplichting tot onderhoud of herstellingen op zich te nemen waartoe zij ingevolge artikel 1720, tweede lid, B.W. als eigenaar zouden kunnen worden verplicht.

51\. Uit het voorgaande volgt dat de voorgenomen verrichting wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92. De geplande verrichting is ingegeven door andere dan fiscale motieven.

## Textes cités

3

[AR no 14 art. 1](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-14-article-a72c) 1 occurrence

[AR no 14 art. 4](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-14-cessions-batiments-fractions-batiment-sol-7f92) 1 occurrence

[AR no 3 art. 9](https://juriel.be/fr/codes/tva/arretes-royaux/ar-3-decembre-deductions-application-taxe-valeur-317c) 1 occurrence
